Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:1483

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
25/1938
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenWerkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens 24,75% arbeidsongeschiktheid bevestigd

Eiseres, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, werd per 25 december 2023 voor 24,75% arbeidsongeschikt geacht door het UWV. Zij betwistte deze beoordeling en stelde dat haar fysieke en functionele beperkingen haar duurzaam verhinderen passende arbeid te verrichten. De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van medische rapporten en arbeidsdeskundige adviezen.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep had een zorgvuldig medisch onderzoek verricht, waarbij ook recentere medische informatie was betrokken. Hoewel er verschillen van inzicht waren tussen verzekeringsartsen, was het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed gemotiveerd en onderbouwd. De arbeidsdeskundige had bovendien toegelicht waarom bepaalde functies wel haalbaar zijn voor eiseres, waarbij een minder belastende functie werd voorgesteld.

De rechtbank oordeelde dat verweerder zich terecht op deze rapporten mocht baseren en dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt geen gelijk, geen terugbetaling van griffierecht en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter B. de Vos op 11 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard en de 24,75% arbeidsongeschiktheid bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1938

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B. Sakarya),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
( [gemachtigde verweerder] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de WIA [1] -uitkering van eiseres. Per 25 december 2023 wordt eiseres 24,75% arbeidsongeschikt geacht. Eiseres is het daar niet mee eens en voert aan dat haar fysieke en functionele beperkingen structureel van aard zijn en haar zodanig beperken dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft voor passende arbeid. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder eiseres op juiste gronden 24,75% arbeidsongeschikt heeft geacht. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster bij SAMSAM Amsterdam B.V. voor gemiddeld 15,86 uur per week. Zij heeft zich op 27 december 2021 ziekgemeld vanuit de WW [2] wegens nek, schouder- en rugklachten en carpaal tunnel syndroom in beide handen. Na de eerstejaars Ziektewetbeoordeling was eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt.
2.1.
Met het primaire besluit van 7 mei 2024 heeft verweerder eiseres voor 3,30% arbeidsongeschikt geacht. Eiseres is hiertegen in bezwaar gegaan. Vervolgens heeft verweerder eiseres met het bestreden besluit van 12 februari 2025 24,75% arbeidsongeschikt geacht.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiseres samen met haar gemachtigde deelgenomen. Het UWV heeft zich telefonisch laten vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigde.
3. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Op de zitting is gesproken over het aanvullende stuk met bijlage wat door de gemachtigde van eiseres op 3 oktober 2025 aan de rechtbank en verweerder is toegezonden. Dit betreft een beslissing op bezwaar van verweerder met de datum 8 juli 2025 in een Ziektewet-beoordeling. Eiseres wordt in deze beoordeling per 18 december 2024 wel arbeidsongeschikt geacht volgens de Ziektewet en niet geschikt geacht voor twee van de drie functies die zijn geduid bij de WIA-beoordeling. Verweerder heeft op de zitting aangegeven dat zij deze beslissing niet goed kon lezen en daarnaast door de late indiening niet heeft kunnen voorleggen aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegezegd binnen vier weken na deze zitting de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de rechtbank toe te sturen. Daarin zal de vraag worden beantwoord of de beoordeling van de medische situatie die ten grondslag ligt aan de beslissing van 8 juli 2025 gevolgen heeft voor de medische beoordeling in deze procedure en zo ja, welke gevolgen. Zij zal ook aan de arbeidsdeskundige de vraag stellen of deze een nadere toelichting kan geven met betrekking tot het benodigde Engels niveau voor de functie medewerker industrie, nu eiseres geen Engels spreekt.
4. Op 4 november 2025 heeft verweerder vervolgens een aanvullend verweerschrift met een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegestuurd. Eiseres heeft hier op haar beurt op 14 november 2025 op gereageerd.
5. De rechtbank heeft partijen vervolgens laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een nadere zitting.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of verweerder de WIA-uitkering van eiseres terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
8. Verweerder mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapportages. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen.
Is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest?
9. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft medisch onderzoek verricht en zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 17 januari 2025. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn bevindingen gebaseerd op de aanwezige stukken: de dossiergegevens en het hoorzittingsverslag.
9.1.
Eiseres heeft in beroep stukken overgelegd van een Ziektewetbeoordeling met een datum in geding van 18 december 2024. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep [verzekeringsarts] van 30 juni 2025 in die procedure volgt dat hij eiseres wel arbeidsongeschikt acht voor de Ziektewet. De rechtbank heeft kennisgenomen van deze stukken en verweerder heeft deze stukken voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep in onderhavige procedure ( [deskundige] ). [deskundige] heeft in zijn aanvullende reactie van 20 oktober 2025 nogmaals naar de zaak gekeken. [deskundige] acht de radiologische onderzoeksbevindingen en diagnostiek uit 2025 ook van toepassing op de datum in geding van 25 december 2023 en heeft deze medische informatie besproken en bij zijn beoordeling betrokken. Hij heeft hierin ook aanleiding gezien om meer beperkingen voor eiseres aan te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek zorgvuldig geweest. Zij heeft geen tegenstrijdigheden aangetroffen in het rapport van verzekeringsarts [deskundige] .
Is er reden om te twijfelen aan de medische beoordeling?
10. Eiseres heeft aangevoerd dat haar klachten en beperkingen erger zijn dan is aangenomen in onderhavige procedure. Zij heeft last van een slijmbeursontsteking in beide schouders, een peesontsteking in de rechterduim, nek- en rugklachten met uitstraling, verminderde knijp- en grijpkracht, tintelingen en een doof gevoel in de handen. Zij verwijst ter onderbouwing van de ernst van de klachten met name naar het rapport van verzekeringsarts [verzekeringsarts] .
11. Vaststaat dat verzekeringsarts [deskundige] anders kijkt naar de overbelasting van de schouder dan verzekeringsarts [verzekeringsarts] . [deskundige] erkent dit in zijn reactie/beschouwing in het stuk van 20 oktober 2025 ook. Echter heeft [deskundige] naar het oordeel van de rechtbank goed gemotiveerd waarom eiseres bepaalde handelingen wel of niet kan uitvoeren. Hij heeft daarbij ook een nog recentere MRI meegenomen dan ten tijde van het onderzoek van verzekeringsarts [verzekeringsarts] beschikbaar was. Het verschil in inzicht tussen de verzekeringsartsen is hiermee voldoende onderbouwd en gemotiveerd. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten om aan het oordeel van verzekeringsarts [deskundige] te twijfelen. Zij ziet ook geen reden om een deskundige te benoemen.
12. Dit betekent dat verweerder zich heeft mogen baseren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de in de aangepaste FML opgenomen beperkingen, zodat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.
Is er reden om te twijfelen aan de arbeidsdeskundige beoordeling?
13. Met betrekking tot de gestelde functies stelt eiseres zich op het standpunt dat zij deze allemaal om verschillende redenen niet kan uitvoeren, nu dit haar te veel zou belasten.
14. De rechtbank stelt vast dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar aanvullende stuk naar aanleiding van de schorsing, per functie uitgebreid heeft toegelicht hoe en waarom het uitvoeren van een bepaalde functie toch haalbaar is voor eiseres. Ook heeft nogmaals overleg plaatsgevonden met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Naar aanleiding daarvan heeft de arbeidsdeskundige de functie productiemedewerker industrie vervangen door de functie monteur printplaten, een functie binnen dezelfde SBC-code, die minder belastend is voor eiseres. De rechtbank ziet in het aanvullende stuk dat de functies binnen de functionele mogelijkheden van eiseres blijven en als bepaalde onderdelen van de functies dit niet doen, is door de arbeidsdeskundige uitgebreid toegelicht waarom de functie toch geschikt is. De rechtbank ziet in die motivering geen reden om aan te nemen dat eiseres een bepaalde functie toch niet kan uitvoeren.
15. Met betrekking tot het standpunt van eiseres dat zij geen digitale vaardigheden heeft en hierdoor functies niet kan uitvoeren, merkt de rechtbank op dat eiseres gezien haar basis opleidingsniveau wordt geacht deze basisvaardigheden binnen afzienbare tijd te kunnen leren. Deze grond slaagt niet.
16. De rechtbank concludeert dat verweerder zich heeft mogen baseren op de rapporten van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Verweerder heeft eiseres op juiste gronden 24,75% arbeidsongeschikt heeft geacht.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. van der Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2.Werkeloosheidswet.