9.1.Eiseres heeft in beroep stukken overgelegd van een Ziektewetbeoordeling met een datum in geding van 18 december 2024. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep [verzekeringsarts] van 30 juni 2025 in die procedure volgt dat hij eiseres wel arbeidsongeschikt acht voor de Ziektewet. De rechtbank heeft kennisgenomen van deze stukken en verweerder heeft deze stukken voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep in onderhavige procedure ( [deskundige] ). [deskundige] heeft in zijn aanvullende reactie van 20 oktober 2025 nogmaals naar de zaak gekeken. [deskundige] acht de radiologische onderzoeksbevindingen en diagnostiek uit 2025 ook van toepassing op de datum in geding van 25 december 2023 en heeft deze medische informatie besproken en bij zijn beoordeling betrokken. Hij heeft hierin ook aanleiding gezien om meer beperkingen voor eiseres aan te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek zorgvuldig geweest. Zij heeft geen tegenstrijdigheden aangetroffen in het rapport van verzekeringsarts [deskundige] .
Is er reden om te twijfelen aan de medische beoordeling?
10. Eiseres heeft aangevoerd dat haar klachten en beperkingen erger zijn dan is aangenomen in onderhavige procedure. Zij heeft last van een slijmbeursontsteking in beide schouders, een peesontsteking in de rechterduim, nek- en rugklachten met uitstraling, verminderde knijp- en grijpkracht, tintelingen en een doof gevoel in de handen. Zij verwijst ter onderbouwing van de ernst van de klachten met name naar het rapport van verzekeringsarts [verzekeringsarts] .
11. Vaststaat dat verzekeringsarts [deskundige] anders kijkt naar de overbelasting van de schouder dan verzekeringsarts [verzekeringsarts] . [deskundige] erkent dit in zijn reactie/beschouwing in het stuk van 20 oktober 2025 ook. Echter heeft [deskundige] naar het oordeel van de rechtbank goed gemotiveerd waarom eiseres bepaalde handelingen wel of niet kan uitvoeren. Hij heeft daarbij ook een nog recentere MRI meegenomen dan ten tijde van het onderzoek van verzekeringsarts [verzekeringsarts] beschikbaar was. Het verschil in inzicht tussen de verzekeringsartsen is hiermee voldoende onderbouwd en gemotiveerd. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten om aan het oordeel van verzekeringsarts [deskundige] te twijfelen. Zij ziet ook geen reden om een deskundige te benoemen.
12. Dit betekent dat verweerder zich heeft mogen baseren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de in de aangepaste FML opgenomen beperkingen, zodat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.
Is er reden om te twijfelen aan de arbeidsdeskundige beoordeling?
13. Met betrekking tot de gestelde functies stelt eiseres zich op het standpunt dat zij deze allemaal om verschillende redenen niet kan uitvoeren, nu dit haar te veel zou belasten.
14. De rechtbank stelt vast dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar aanvullende stuk naar aanleiding van de schorsing, per functie uitgebreid heeft toegelicht hoe en waarom het uitvoeren van een bepaalde functie toch haalbaar is voor eiseres. Ook heeft nogmaals overleg plaatsgevonden met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Naar aanleiding daarvan heeft de arbeidsdeskundige de functie productiemedewerker industrie vervangen door de functie monteur printplaten, een functie binnen dezelfde SBC-code, die minder belastend is voor eiseres. De rechtbank ziet in het aanvullende stuk dat de functies binnen de functionele mogelijkheden van eiseres blijven en als bepaalde onderdelen van de functies dit niet doen, is door de arbeidsdeskundige uitgebreid toegelicht waarom de functie toch geschikt is. De rechtbank ziet in die motivering geen reden om aan te nemen dat eiseres een bepaalde functie toch niet kan uitvoeren.
15. Met betrekking tot het standpunt van eiseres dat zij geen digitale vaardigheden heeft en hierdoor functies niet kan uitvoeren, merkt de rechtbank op dat eiseres gezien haar basis opleidingsniveau wordt geacht deze basisvaardigheden binnen afzienbare tijd te kunnen leren. Deze grond slaagt niet.
16. De rechtbank concludeert dat verweerder zich heeft mogen baseren op de rapporten van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Verweerder heeft eiseres op juiste gronden 24,75% arbeidsongeschikt heeft geacht.