Op 30 april 2025 schoot verdachte in Amsterdam met een semi-automatisch pistool op het slachtoffer, waarbij het slachtoffer in de arm werd geraakt. Verdachte werd beschuldigd van poging tot doodslag en vuurwapenbezit. Tijdens de terechtzitting op 29 januari 2026 werd vastgesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde het slachtoffer dodelijk te raken, maar dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
De rechtbank oordeelde dat verdachte zich noodzakelijk moest verdedigen tegen een aanval met een groot mes door het slachtoffer, waarbij hij niet redelijkerwijs kon vluchten vanwege de aanwezigheid van omstanders. De proportionaliteit en subsidiariteit van het geweld werden bevestigd, waardoor verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging voor poging tot doodslag.
Voor het bezit van het vuurwapen werd verdachte wel strafbaar bevonden. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, contactverbod met het slachtoffer en locatieverbod in het centrum van Amsterdam.
De in beslag genomen munitie werd onttrokken aan het verkeer. De straf houdt rekening met de ernst van het vuurwapenbezit, de maatschappelijke problematiek rond vuurwapengebruik in Amsterdam en het feit dat verdachte niet eerder voor vuurwapenbezit was veroordeeld.