Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.GEMEENTE AMSTERDAM,
2.
HAVENBEDRIJF AMSTERDAM N.V.,
1.Kern van de zaak
(het Erfpachtperceel) in erfpacht uitgegeven aan een rechtsvoorganger van Stichting Villa Betty (het Erfpachtrecht). Het eerste tijdvak van het Erfpachtrecht eindigt op 1 januari 2041. Stichting Villa Betty vindt de canon voor het Erfpachtrecht buitensporig hoog en heeft daarom geprobeerd inzichtelijk te krijgen hoe de prijzen worden bepaald. Ze liep er daarbij tegenaan dat het Erfpachtrecht weliswaar is uitgegeven door de grondeigenaar, de gemeente, maar wordt beheerd door het Havenbedrijf, een naamloze vennootschap. Ze heeft zowel het Havenbedrijf als de gemeente verzocht om de canon vervroegd (dat wil zeggen: vóór het einde van het tijdvak) te herzien, waarbij zij heeft verwezen naar het Beleid Vervroegde Canonherziening 2018 van de gemeente. De gemeente en het Havenbedrijf hebben hierop geantwoord dat het gemeentelijk erfpachtbeleid niet van toepassing is op gronden in het Amsterdamse Havengebied en dat Stichting Villa Betty geen recht heeft op een vervroegde canonherziening. Stichting Villa Betty vindt dit onterecht en heeft tevens grote twijfels over de berekening van de canon. Stichting Villa Betty vordert in deze procedure daarom inzage in het erfpachtdossier, wijziging van het Erfpachtrecht, een verklaring voor recht dat het gemeentelijk erfpachtbeleid van toepassing is en een verklaring voor recht dat het Havenbedrijf en de gemeente onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld en zij daardoor schade heeft geleden. De gemeente en het Havenbedrijf voeren verweer.
3.De feiten
4.Het geschil
primair
“definitief zal worden vastgesteld zodra het pand voor tachtig procent is verhuurd of anders op uiterlijk 1 januari 1994”(zie hiervoor onder 3.3., Vordering II, meer subsidiair). Stichting Villa Betty grondt haar vordering om de gemeente en het Havenbedrijf hoofdelijk te gebieden om het Beleid Vervroegde Canonherziening 2018 op het Erfpachtrecht toe te passen en haar een aanbieding vervroegde canonherziening te doen op dezelfde standpunten (Vordering III). Voorts hebben de gemeente en het Havenbedrijf onrechtmatig tegenover Stichting Villa Betty gehandeld en heeft zij daardoor schade geleden. De gemeente heeft het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden door de canon niet op een juiste wijze vast te stellen. Ook hebben de gemeente en het Havenbedrijf onder meer het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel geschonden doordat zij de positie van de erfpachter in 2013 eenzijdig hebben verslechterd en Stichting Villa Betty een beroep op het Beleid Vervroegde Canonherziening 2018 hebben ontzegd. De schade die Stichting Villa Betty hierdoor heeft geleden en nog zal lijden, is dat zij te lang een te hoge canon moet blijven betalen (Vordering IV), aldus steeds Stichting Villa Betty.
Stichting Villa Betty is niet-ontvankelijk in haar inzagevordering, omdat artikel 843a Rv per 1 januari 2025 is komen te vervallen. Ook moet deze vordering op inhoudelijke gronden worden afgewezen, omdat Stichting Villa Betty onvoldoende heeft onderbouwd dat deze een rechtmatig doel dient en in rechtstreekse relatie staat tot een van haar vorderingen. Verder zijn de gevorderde bescheiden onvoldoende bepaald en is er sprake van een
fishing expedition(Vordering I). Stichting Villa Betty is niet-ontvankelijk in haar vordering ex artikel 5:97 BW Pro, omdat er een hypotheekrecht op het Erfpachtrecht rust en Stichting Villa Betty de hypotheekhouder op grond van artikel 5:97 lid 3 BW Pro in het geding had moeten oproepen. Deze vordering moet daarnaast op inhoudelijke gronden worden afgewezen, omdat de door Stichting Villa Betty aangevoerde omstandigheden ten tijde van de vestiging van het Erfpachtrecht niet onvoorzien waren en deze niet de conclusie rechtvaardigen dat instandhouding van de akte van vestiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (Vordering II, primair). Vordering II (subsidiair) en Vordering III moeten worden afgewezen, omdat artikel 1 van Pro het Beleid Vervroegde Canonherziening 2018 bepaalt dat erfpachtpercelen in het Amsterdamse Havengebied van de toepassing van dit beleid zijn uitgesloten. De gevorderde verklaring voor recht dat er geen definitieve canon is vastgesteld (Vordering II, meer subsidiair) moet worden afgewezen, omdat de canon in de akte van uitgifte rechtsgeldig is vastgesteld en de gemeente niet gehouden was om de canon daarna separaat nog een keer vast te stellen. Daarbij komt dat de rechtsvoorgangers van Stichting Villa Betty, en Stichting Villa Betty zelf, de canon de afgelopen 30 jaar altijd hebben betaald. De gevorderde verklaring voor recht dat de gemeente en het Havenbedrijf onrechtmatig jegens Stichting Villa Betty hebben gehandeld, en zij daardoor schade heeft geleden (Vordering IV), moet worden afgewezen, omdat geen sprake is van een schending van de door Stichting Villa Betty genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De gemeente heeft zowel rondom de uitgifte van het Erfpachtrecht als bij de overheveling van het economisch eigendom en het beheer daarvan naar het Havenbedrijf zorgvuldig gehandeld. De gemeente en het Havenbedrijf hebben ook niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en/of het motiveringsbeginsel gehandeld door Stichting Villa Betty geen beroep op het Beleid Vervroegde Canonherziening 2018 toe te kennen. Voor zover sprake is van enig onrechtmatig handelen van de gemeente of het Havenbedrijf ten opzichte van een rechtsvoorganger van Stichting Villa Betty, kan Stichting Villa Betty zich daar bovendien niet op beroepen, omdat zij toen nog geen eigenaar van het Erfpachtrecht was, aldus steeds de gemeente en het Havenbedrijf.
5.De beoordeling
toewijsbaaris indien de beperkt gerechtigde in het geding is geroepen en ook te zijnen aanzien aan de maatstaf van lid 1 is voldaan.
“al het reguliere (stedelijke) Amsterdamse erfpachtbeleid niet van toepassing is en nooit van toepassing is geweest op erfpachtpercelen welke vielen onder het beheer van het voormalige gemeentelijke Havenbedrijf, thans in economische en/of juridische zin in erfpacht zijn uitgegeven aan het Havenbedrijf Amsterdam N.V.”. Uit het door Stichting Villa Betty overgelegde document
‘Achtergrond gevraagd collegebesluit’blijkt echter dat het Havenbedrijf de gemeente destijds heeft verzocht om dit besluit te nemen, omdat erfpachters in het Amsterdamse Havengebied zich jegens haar op het gemeentelijk erfpachtbeleid, en specifiek de regels voor vervroegde canonherziening, hadden beroepen en toepassing van die regels het Havenbedrijf economisch nadeel zou toebrengen. De rechtbank leidt hieruit af dat het college van burgemeester en wethouders met haar besluit van 13 december 2016 heeft beoogd een onzekerheid voor het Havenbedrijf weg te nemen,
omdatonduidelijk was of het gemeentelijk erfpachtbeleid op de erfpachtpercelen in het Amsterdamse Havengebied van toepassing was. De gemeente heeft deze duidelijkheid later kennelijk nog een keer willen scheppen door deze categorie erfpachtpercelen uit te sluiten van het Beleid Vervroegde Canonherziening 2018. Hoewel de rechtbank niet kan vaststellen of en wanneer de rechtsvoorgangers van Stichting Villa Betty precies aanspraak konden maken op beleid voor het aanvragen van een vervroegde canonherziening, acht de rechtbank voldoende duidelijk geworden dat de rechtspositie van Stichting Villa Betty als erfpachter is veranderd ten opzichte van de rechtspositie van haar rechtsvoorgangers in de periode vóór de overheveling van het economisch eigendom en het beheer van het Erfpachtrecht aan het Havenbedrijf. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 5:97 lid 1 BW Pro.
zodra het pand voor tachtig procent is verhuurd of anders op uiterlijk één januari 1994”
,maar tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente en de rechtsvoorganger van Stichting Villa Betty destijds geen uitvoering aan deze bepaling hebben gegeven, althans dat zij daartoe geen separaat document meer hebben laten opstellen. Stichting Villa Betty heeft ook niet weersproken dat haar rechtsvoorgangers hier nooit een punt van hebben gemaakt en de canon de afgelopen 33 jaar gewoon is voldaan. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de canon op 19 september 1991 rechtsgeldig tot stand is gekomen en, voor zover dat toen nog niet het geval was, op 1 januari 1994 definitief is geworden. De gevorderde verklaring voor recht zal dus worden afgewezen.
“alle in het koopcontract bedoelde aanspraken die verkoper nu of te eniger tijd kan doen gelden ten aanzien van derden(…)
”levert, maar Stichting Villa Betty heeft het betreffende koopcontract niet in het geding gebracht. Hierdoor kan de rechtbank niet vaststellen of de rechtsvoorganger van Stichting Villa Betty eventuele vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad jegens de gemeente en/of het Havenbedrijf aan Stichting Villa Betty heeft gecedeerd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat dit niet het geval is.
– zoals een gewichtige reden (artikel 194 lid 2 Rv Pro) – verzet dat zich tegen het verstrekken van de gevraagde informatie.