De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteit tegen een Poolse verdachte die sinds minimaal vijf jaar rechtmatig in Nederland verblijft. Na meerdere zittingen en tussenuitspraak oordeelde de rechtbank dat aan de voorwaarden van artikel 6a Overleveringswet (OLW) is voldaan, waardoor de verdachte gelijkgesteld wordt aan een Nederlander.
De rechtbank stelde vast dat de opgelegde straf in Polen niet het Nederlandse strafmaximum overschrijdt en niet onverenigbaar is met Nederlands recht. Tevens is de verdachte voldoende geïntegreerd in Nederland met sterke economische, maatschappelijke en familiale banden. De rechtbank besloot daarom de overlevering te weigeren, maar gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland over te nemen.
De beslissing is genomen in overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025. De verdachte werd geschorste overleveringsdetentie opgeheven en gevangenhouding bevolen tot aan de tenuitvoerlegging van de straf. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.