ECLI:NL:RBAMS:2026:1638

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
11815284 CV EXPL 25-10078
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering wegens niet-betaalde facturen voor geleverde voedingsmiddelen

Eiser, handelend in voedingsmiddelen, vordert betaling van openstaande facturen van supermarkt [naam supermarkt] B.V. wegens niet-betaling sinds oktober 2024. De supermarkt betwist de vordering omdat geen pakbonnen zijn overlegd en stelt dat er een afspraak was over retourzendingen en creditering van onverkochte goederen.

De rechtbank oordeelt dat de factuur als pakbon geldt en dat het ontbreken van een aparte pakbon geen reden is om niet te betalen, mede omdat eerdere leveringen zonder protest zijn betaald. De vermeende afspraak over retourzendingen en creditering is niet vastgesteld en eerdere crediteringen waren incidenteel en niet contractueel overeengekomen.

De rechtbank wijst de vordering toe, inclusief wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast wordt de supermarkt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Supermarkt wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen, wettelijke handelsrente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11815284 \ CV EXPL 25-10078
Vonnis van 6 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
h.o.d.n. [handelsnaam] ,
te [woon-/vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen:
[eiser],
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
SUPERMARKT [naam supermarkt] B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen:
[naam supermarkt],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 juli 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 7 oktober 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald en
- de mondelinge behandeling van 7 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; [naam] van [naam supermarkt] is daar niet verschenen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] handelt in voedingsmiddelen. [naam supermarkt] exploiteert een supermarkt.
2.2.
Tussen partijen is een handelsovereenkomst tot stand gekomen. [eiser] levert tegen betaling en op bestelling voedingsmiddelen aan [naam supermarkt] .
2.3.
[naam supermarkt] heeft de facturen van [eiser] sinds 8 oktober 2024 onbetaald gelaten.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [naam supermarkt] tot betaling van € 9.040,86, te vermeerderen met wettelijke handelsrente over € 7.697,43 vanaf 17 juli 2025 en veroordeling van [naam supermarkt] in de proceskosten. De vordering van [eiser] is als volgt opgebouwd:
- € 7.697,43 aan hoofdsom;
- € 583,56 aan wettelijke handelsrente over de hoofdsom;
- € 759,87 aan buitengerechtelijke incassokosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [naam supermarkt] de tussen hen geldende overeenkomst moet nakomen door betaling voor de afgeleverde voedingsmiddelen.
3.3.
[naam supermarkt] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[naam supermarkt] voert daarvoor het volgende aan. De vordering van [eiser] is niet opeisbaar, omdat [eiser] geen pakbonnen heeft overgelegd waaruit blijkt dat de goederen zijn afgeleverd. Daarnaast heeft [naam supermarkt] volgens afspraak verzocht goederen retour te sturen en daarvoor gecrediteerd te worden. [eiser] is ten aanzien van het retour nemen van de goederen tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [naam supermarkt] mocht daarom haar verplichting tot betaling van de goederen opschorten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen gold de afspraak dat [eiser] goederen levert aan [naam supermarkt] en [naam supermarkt] betaalt voor de afgeleverde goederen. De kantonrechter is van oordeel dat de verweren die [naam supermarkt] heeft aangevoerd er niet voor zorgen dat [naam supermarkt] (tijdelijk) niet meer hoeft te betalen. Dat betekent dat [naam supermarkt] het bedrag dat [eiser] vordert, moet betalen.
De factuur die [eiser] heeft verzonden gold als de pakbon
4.2.
[naam supermarkt] heeft aangegeven dat de vorderingen van [eiser] pas opeisbaar zouden zijn als de meegezonden pakbon door [naam supermarkt] was ondertekend. Voor de leveringen waarvan [eiser] betaling vordert, heeft [eiser] geen pakbon verstrekt. [naam supermarkt] hoefde deze facturen daarom niet te betalen, aldus [naam supermarkt] .
4.3.
[eiser] heeft toegelicht dat hij sinds juni 2024 is overgestapt op een nieuw systeem voor het verzenden van facturen. Dit systeem stelt geen pakbonnen op. [eiser] heeft daarom sindsdien de betreffende factuur direct meegestuurd bij de levering. Aan de hand van deze factuur controleerde het personeel van [naam supermarkt] of de levering compleet was.
4.4.
De afleveringen van goederen sinds het gebruik van het nieuwe facturatiesysteem van [eiser] tot aan 8 oktober 2024 zijn door [naam supermarkt] zonder enig protest betaald. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat een ondertekende pakbon geen vereiste was voor het verschuldigd zijn van de betaling voor de betreffende goederen. Het ontbreken van een pakbon voor de leveringen vanaf 8 oktober 2024 is daarom geen reden voor [naam supermarkt] om [eiser] niet te betalen.
De mogelijkheid tot retourlevering was geen onderdeel van de overeenkomst
4.5.
Volgens [naam supermarkt] was onderdeel van de overeenkomst tussen partijen dat de producten die [naam supermarkt] niet verkocht, retour mochten worden aangemeld bij [eiser] . [eiser] stuurde voor die producten dan een creditnota. [eiser] heeft toegelicht dat dit een aantal keer gedaan is uit coulance, om [naam supermarkt] als handelsrelatie tegemoet te komen, maar betwist stellig dat dit een afspraak was. Dat zou volgens [eiser] ook geen normale handelsafspraak zijn geweest. [naam supermarkt] heeft verder niet toegelicht waaruit zou blijken dat de creditering voor niet-verkochte goederen onderdeel was van de overeenkomst tussen partijen. De vier door [naam supermarkt] overgelegde voorbeelden van crediteringen zijn van maart, mei en april 2024 en [eiser] heeft één creditfactuur van december 2024 overgelegd. Uit die voorbeelden volgt gelet op de betwisting niet dat het retourneren was afgesproken. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat deze afspraak tussen partijen bestond en gaat ervan uit dat eerdere crediteringen incidenteel zijn gedaan. Dat betekent dat [naam supermarkt] geen aanspraak kon maken op het retourneren en creditering van de goederen. [eiser] is daarom niet tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Omdat [eiser] niet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, kwam [naam supermarkt] geen opschortingsrecht toe.
4.6.
Aan de hand van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [naam supermarkt] [eiser] moet betalen voor de afgeleverde goederen. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de openstaande betalingen voor de goederen toewijzen.
Wettelijke handelsrente
4.7.
[eiser] vordert naast de hoofdsom van € 7.697,43 ook betaling van wettelijke handelsrente. [eiser] vordert de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de betreffende factuur tot aan de datum van opstellen van de dagvaarding op 17 juli 2025. In totaal bedroeg de handelsrente tot 17 juli 2025 € 583,56. Het gaat in deze zaak om een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kantonrechter zal het bedrag van € 583,56 toewijzen. In aanvulling daarop vordert [eiser] wettelijke handelsrente vanaf 17 juli 2025 tot aan de dag van volledige betaling. De kantonrechter zal ook dit bedrag toewijzen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.8.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 759,87 worden toegewezen. [eiser] maakt in het lichaam (de toelichting) van de dagvaarding tevens aanspraak op de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro over de buitengerechtelijke incassokosten. Deze gevorderde rente zal worden toegewezen.
Proceskosten
4.9.
[naam supermarkt] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.234,35

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [naam supermarkt] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.280,99, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 7.697,43, met ingang van 17 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [naam supermarkt] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 759,87 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [naam supermarkt] in de proceskosten van € 1.234,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [naam supermarkt] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, kantonrechter, bijgestaan door mr. H. van Nieuwenhuizen-van Cadsand, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.