ECLI:NL:RBAMS:2026:1639

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
780948
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling wegens gebrek aan actuele informatie en vertrouwen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) van een minderjarige, geboren in 2013. De GI stelt dat de ontwikkeling van de minderjarige bedreigd wordt door onvoldoende duidelijkheid over de opvoedcapaciteiten van de moeder, mede door de problematiek van het broertje en schoolverzuim van de minderjarige.

De moeder verzet zich tegen de verlenging en stelt dat het afgelopen jaar geen betrokkenheid van de GI is geweest en dat zij zelfstandig in staat is de benodigde stabiliteit en structuur te bieden. De vader bevestigt dat de hulpverlening voor het broertje vrijwillig en effectief is geweest.

De kinderrechter constateert dat er geen actuele informatie beschikbaar is en dat de vertrouwensband tussen moeder en GI is verstoord, mede door personeelsgebrek bij de GI. Er is geen bewijs dat de situatie van de minderjarige dermate ernstig is dat een verlenging noodzakelijk is. De wens van de minderjarige om zonder jeugdbescherming verder te gaan wordt gerespecteerd.

De kinderrechter wijst het verzoek tot verlenging af, maar benadrukt dat moeder bereid moet zijn vrijwillige hulpverlening te accepteren en dat zij verantwoordelijk is voor het verschaffen van informatie. Bij verslechtering kan een nieuw verzoek tot OTS worden ingediend.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen wegens gebrek aan actuele informatie en vertrouwen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/780948 / JE RK 25-960
Datum uitspraak: 2 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam ,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt naast [minderjarige] als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 24 december 2025.
  • de brief van [minderjarige] , ontvangen op 14 januari 2026;
  • de e-mailberichten van moeder.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de vader;
  • [persoon 1] en [persoon 2] , namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder en verblijft af en toe een weekend bij zijn vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 februari 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 19 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De GI is van mening dat [minderjarige] nog steeds in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, omdat onvoldoende duidelijk is of moeder de opvoeding van [minderjarige] zelfstandig vorm kan geven zodat hij zich kan blijven ontwikkelen. [persoon 3] , het broertje van [minderjarige] , krijgt veel aandacht, mede door zijn problematiek, waardoor [minderjarige] mogelijk wordt ondergesneeuwd.. [minderjarige] heeft moeite met zijn emotieregulatie en er is veel schoolverzuim.
4.2.
Moeder verzet zich tegen het verlengen van de ondertoezichtstelling. Zij snapt niet waar het verleningsverzoek van de GI vandaan komt omdat het afgelopen jaar niemand betrokken is geweest bij het gezin. [minderjarige] functioneert goed en heeft geen hulp nodig. Moeder is zelfstandig in staat om [minderjarige] de stabiliteit, rust en structuur te bieden die hij nodig heeft. Daar is geen gedwongen kader in de vorm van een ondertoezichtstelling voor nodig.
4.3.
Vader heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij het afgelopen jaar veel heeft gehad aan de opvoedondersteuning van MetMaya gezinshulp en het wijkteam van de [gemeente] . Deze hulpverlening heeft vanuit het vrijwillige kader plaatsgevonden en heeft er aan bijgedragen dat het inmiddels veel beter gaat met [persoon 3] , het broertje van [minderjarige] . Hierdoor is er dan ook geen verlenging van zijn ondertoezichtstelling verzocht.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat niet aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Naar aanleiding van de mailberichten van moeder en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen concludeert de kinderrechter dat de verstandhouding tussen moeder en de GI dermate is verstoord dat moeder alle vertrouwen heeft verloren. Nadat op 19 februari de ondertoezichtstelling met een jaar is verlengd is er geen contact geweest met de GI en is ook geen actuele informatie beschikbaar over het gezin. De GI betreurt het feit dat er gedurende de afgelopen periode geen regie is gevoerd en dat slechts verouderde informatie uit het raadsrapport beschikbaar is van 27 december 2024, hetgeen een gevolg is van personeelsgebrek. De kinderrechter verwacht niet dat met het verlengen van de ondertoezichtstelling, deze vertrouwensband hersteld zal worden. Niet is gebleken dat de band tussen ouders momenteel nog dermate verstoord is dat [minderjarige] in een onvoorspelbare en belastende omgeving verkeert waarin dat leidt tot schoolverzuim, loyaliteitsproblemen en gedragsproblemen, zoals omschreven in het plan van aanpak van de GI van 16 december 2025. Blijkens zijn brief aan de kinderrechter van 14 januari 2026 is [minderjarige] bezig met zijn Cito-toetsen en wil hij graag volgend schooljaar starten op Mavo of Havo nivo zonder bemoeienis van jeugdbescherming. De kinderrechter respecteert de wens van [minderjarige] . Overigens bevat het dossier geen recente informatie waaruit blijkt van een dermate ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling dat een ondertoezichtstelling thans nog noodzakelijk en proportioneel is
5.3. Gelet op de zorgen die nog wel resteren vindt de kinderrechter het wel belangrijk dat [minderjarige] de juiste hulpverlening krijgt maar dat dat in het kader van de ondertoezichtstelling nog van de grond gaat komen, daarover heeft de kinderrechter teveel twijfels. Moeder heeft eerder en ook ter zitting met klem benadrukt dat zij bereid is op vrijwillige basis hulpverlening te accepteren. Moeder zal de komende periode moeten laten zien dat zij zelfstandig in staat is om de juiste hulpverlening voor [minderjarige] te vinden. De kinderrechter adviseert moeder hierover de GI te informeren, maar de verantwoordelijkheid over het verschaffen van informatie ligt volledig bij moeder. Lukt het moeder onvoldoende om de zorgen over [minderjarige] weg te halen of lijkt de situatie van [minderjarige] te verslechteren, dan is het aan de Raad om een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
- wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026 door mr. I.M. Nusselder, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Diederen als griffier, en op schrift gesteld op 9 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.