ECLI:NL:RBAMS:2026:1652

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/13/767280 / HA ZA 25-915
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • R.C.J. Hamming
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:96 lid 1 BWArt. 101 VWEUArt. 6 lid 1 Mededingingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering non-concurrentie en toewijzing declaraties na onterecht beëindigen samenwerking tandartspraktijk

De rechtbank Amsterdam behandelde een geschil tussen twee tandartspraktijken over de vraag of gedaagde in strijd met een non-concurrentiebeding werkzaamheden had verricht bij een concurrerende praktijk. Eiser stelde dat gedaagde, vertegenwoordigd door een tandarts, in de praktijk van een mondhygiënist had gewerkt binnen de verboden straal en eiste nakoming en boetes.

Gedaagde ontkende daadwerkelijk werkzaamheden te hebben verricht en voerde aan dat het non-concurrentiebeding onredelijk en strijdig met mededingingsrecht was. De rechtbank oordeelde dat aanwijzingen zoals reclame-uitingen, registratie bij Vektis en verklaringen onvoldoende waren om vast te stellen dat gedaagde daadwerkelijk in de concurrerende praktijk had gewerkt.

De rechtbank wees de vorderingen van eiser af en veroordeelde eiser tot betaling van proceskosten. In reconventie werd vastgesteld dat eiser de samenwerking onterecht met onmiddellijke ingang had beëindigd, waardoor gedaagde recht had op betaling van declaraties over de opzegtermijn. Deze vordering werd toegewezen, terwijl de gevorderde buitengerechtelijke kosten werden afgewezen.

De uitspraak benadrukt het belang van concreet bewijs bij schending van non-concurrentiebedingen en bevestigt dat onrechtmatige beëindiging van samenwerking leidt tot schadevergoeding.

Uitkomst: Vordering tot boete wegens schending non-concurrentiebeding afgewezen; vordering declaraties na onterecht beëindigen samenwerking toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/767280 / HA ZA 25-915
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
verder te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.P.J. Schipperen,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
verder te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M. Santema.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 27 maart 2025, met producties,
  • het herstelexploot/hernieuwde oproeping van 31 maart 2025,
  • de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties,
  • de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,
  • het tussenvonnis van 30 juli 2025 waarin een mondelinge behandeling is gelast,
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 november 2025 en de daarin genoemde processtukken en proceshandelingen,
  • de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van de griffier.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten in conventie en in reconventie

2.1.
[eiser] runt een tandartspraktijk te [plaats 1] onder de handelsnaam Tandartspraktijk [locatie] . Ondersteunend personeel is in loondienst van [eiser] . Tandartsen en mondhygiënisten werken – voor zover hier van belang – op basis van opdracht.
2.2.
[vertegenwoordiger van gedaagde] (hierna: [vertegenwoordiger van gedaagde] ) heeft een tandartspraktijk te [vestigingsplaats 2] . [vertegenwoordiger van gedaagde] voert haar werkzaamheden uit vanuit [gedaagde] [vertegenwoordiger van gedaagde] is in februari 2008 naast haar werk in [vestigingsplaats 2] gestart als tandarts voor met name kinderen en jongeren bij [eiser] op zaterdagen. Die samenwerking tussen [eiser] en [vertegenwoordiger van gedaagde] is in 2008 vastgelegd in een overeenkomst.
2.3.
In het procesdossier bevindt zich ook een opdrachtovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] uit 2016. Daarin zijn non-concurrentie bedingen opgenomen waarin staat dat [gedaagde] als opdrachtnemer, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van gedaagde] , gedurende de duur van de samenwerking (artikel 11.1.2) en tot twee jaren na beëindiging van de samenwerking (artikel 11.1.3) geen tandheelkundige werkzaamheden mag verrichten binnen een straal van 15 kilometer gerekend vanaf de praktijk van [eiser] te [plaats 1] (in de straat [locatie] ). Voor overtreding van beide non-concurrentiebedingen is [gedaagde] een boete verschuldigd van € 5.000 per overtreding en € 1.000 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt.
2.3.1.
Artikel 9 van Pro de opdrachtovereenkomst uit 2016 gaat over het einde van de samenwerking. De samenwerking kan worden beëindigd door opzegging met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden (artikel 9.1 onder b van de opdrachtovereenkomst), of met onmiddellijke ingang indien (onder meer) de wederpartij ernstig tekort is gekomen van enige verplichting uit de overeenkomst (artikel 9.2 onder a). Dan is de opzeggende partij niet verplicht een schadevergoeding te betalen aldus artikel 9.2 van de opdrachtovereenkomst.
2.4.
In mei 2020 heeft mondhygiënist [mondhygiënist] (verder [mondhygiënist] ) haar samenwerking met [eiser] opgezegd en heeft zij met instemming van [eiser] een praktijk geopend te [plaats 2] , op een afstand van minder dan 15 kilometer vanaf de praktijk van [eiser] te [locatie] , [plaats 1] . [mondhygiënist] wordt ook [mondhygiënist] genoemd door betrokkenen.
2.5.
Begin 2021 hebben [mondhygiënist] en [vertegenwoordiger van gedaagde] contact gehad over een mogelijke samenwerking. Op 19 maart 2021 heeft [mondhygiënist] een bericht op haar Facebook-pagina geplaatst:
“(…) Samen met tandartsen [tandarts 1] en [vertegenwoordiger van gedaagde] [kennelijk [vertegenwoordiger van gedaagde] , rb] zorg ik ervoor dat iedereen van jong tot oud bij ons terecht kan (…)”.
2.6.
[mondhygiënist] heeft ook reclamemateriaal laten maken (flyers) waarin [vertegenwoordiger van gedaagde] als tandarts in het
“TEAM”van de nieuwe praktijk van [mondhygiënist] wordt genoemd.
2.7.
In maart 2021 heeft [vertegenwoordiger van gedaagde] aan [eiser] te kennen gegeven dat zij voornemens is om 1 of 2 vrijdagen per maand bij [mondhygiënist] te gaan werken. [eiser] heeft daartegen geprotesteerd en [vertegenwoordiger van gedaagde] aangeboden om op de vrijdagen bij [eiser] te komen werken. Na dit gesprek heeft [vertegenwoordiger van gedaagde] aan [eiser] te kennen gegeven af te zien van het verrichten van tandheelkundige werkzaamheden in de praktijk van [mondhygiënist] . Het aanbod van [eiser] om op vrijdag in die praktijk te werken heeft [vertegenwoordiger van gedaagde] niet aanvaard.
2.8.
Op 2 oktober 2024 heeft [eiser] van een medewerker gehoord dat [vertegenwoordiger van gedaagde] toch werkzaamheden in de praktijk van [mondhygiënist] zou uitvoeren. [eiser] heeft daarop een bezoek laten brengen aan de praktijk van [mondhygiënist] . Toen is geconstateerd dat op de buitengevel van de praktijk van [mondhygiënist] een naambord hing waarop ook de naam van [vertegenwoordiger van gedaagde] is te zien.
2.9.
[eiser] heeft laten bellen met de zorgverzekeraar Zilveren Kruis Achmea (verder: Zilveren Kruis). Daarbij is aan Zilveren Kruis de Algemeen Gegevens Beheer Code (ABG-code, een landelijke code waarmee een zorgverlener kan worden herkend) van de praktijk [mondhygiënist] doorgegeven om nadere informatie over declaraties van [gedaagde] te verkrijgen.
De telefonist heeft toen verteld dat bij Zilveren Kruis op 4 oktober 2024 een declaratie is ingediend vanuit de praktijk van [mondhygiënist] met de persoonlijke ABG-code van [vertegenwoordiger van gedaagde] .
2.10.
In het register van zorgorganisatie Vektis wordt [vertegenwoordiger van gedaagde] (in persoon) genoemd als zorgverlener in de onderneming van de praktijk van [mondhygiënist] sinds 1 februari 2021.
2.11.
[eiser] heeft de samenwerking met [gedaagde] op 7 oktober 2024 per direct beëindigd.
2.12.
Partijen hebben nog gecorrespondeerd, waarin [vertegenwoordiger van gedaagde] heeft ontkend werkzaamheden te verrichten, of te hebben verricht, in de praktijk van [mondhygiënist] . [vertegenwoordiger van gedaagde] heeft het naambord bij de praktijk van [mondhygiënist] laten bedekken en de Vektis registratie laten verwijderen. Beiden zagen volgens [vertegenwoordiger van gedaagde] enkel op het voornemen om daar gaan te werken. [vertegenwoordiger van gedaagde] heeft bij haar reactie aan [eiser] een verklaring gevoegd van [mondhygiënist] dat [vertegenwoordiger van gedaagde] niet werkzaam is geweest in haar onderneming in [plaats 2] .

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, [gedaagde] te veroordelen:
I. tot nakoming van artikel 11.1.3 van de opdrachtovereenkomst op straffe van een dwangsom;
II. tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 155.000 vanwege overtreding van artikel 11.1.2 van de opdrachtovereenkomst, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2024 tot de dag van voldoening;
III. tot betaling van een bedrag van € 2.325 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2024 tot de dag van voldoening;
IV. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van voldoening.
3.2.
[eiser] stelt dat [vertegenwoordiger van gedaagde] (vanuit [gedaagde] ) tandheelkundige werkzaamheden heeft verricht in de praktijk van [mondhygiënist] . Dit blijkt uit het noemen van [vertegenwoordiger van gedaagde] door [mondhygiënist] in verband met haar praktijk te [plaats 2] (de flyer van [mondhygiënist] , het naambordje aan de praktijk van [mondhygiënist] en het bericht op Facebook van [mondhygiënist] ) en dat [vertegenwoordiger van gedaagde] bij Vektis is geregistreerd als zorgverlener in de praktijk van [mondhygiënist] .
Verder heeft een medewerkster van [eiser] verklaard dat zij heeft gehoord dat [vertegenwoordiger van gedaagde] heimelijk werkzaamheden in de praktijk van [mondhygiënist] heeft verricht, en een andere medewerkster van [eiser] heeft verklaard over telefoongesprekken met de receptie van [mondhygiënist] voor een afspraak met [vertegenwoordiger van gedaagde] in de praktijk van [mondhygiënist] . En er is de declaratie van 4 oktober 2024 van [gedaagde] bij Zilveren Kruis onder de ABG-code van de praktijk van [mondhygiënist] .
De praktijk van [mondhygiënist] is gelegen op minder dan 15 kilometer afstand van de praktijk van [eiser] aan de [locatie] , [plaats 1] . [gedaagde] heeft dus in strijd gehandeld met artikel 11.1.2 van de opdrachtovereenkomst uit 2016 en heeft daarom de overeengekomen boete verbeurd. Die boete wordt hier beperkt tot het onder II gevorderde bedrag. Dit bedrag komt overeen met de schade die [eiser] heeft geleden. [vertegenwoordiger van gedaagde] had op de vrijdagen ook in de praktijk van [eiser] werkzaamheden kunnen uitvoeren in plaats van bij [mondhygiënist] . Over de periode maart 2021 tot en met oktober 2024 zijn dit ongeveer 144 vrijdagen geweest. De gemiddelde dagomzet van [vertegenwoordiger van gedaagde] was € 1.091,45. In totaal komt dit neer op ruim 157 duizend euro. Ten slotte dient [vertegenwoordiger van gedaagde] de tandheelkundige werkzaamheden voor [mondhygiënist] te staken.
3.3.
[gedaagde] voert daartegen aan dat [vertegenwoordiger van gedaagde] nooit tandheelkundige werkzaamheden heeft verricht in de praktijk van [mondhygiënist] . Dit is ooit wel haar plan geweest. Dat kan de flyer en het bericht op Facebook van [mondhygiënist] verklaren, maar [vertegenwoordiger van gedaagde] was bij die uitlatingen niet betrokken. De registratie bij Vektis is onbekend bij [vertegenwoordiger van gedaagde] en dateert bovendien van 1 februari 2021, dus van voor het moment waarop [vertegenwoordiger van gedaagde] in overleg is getreden met [eiser] over mogelijke werkzaamheden bij [mondhygiënist] . Dat is niet doorgegaan omdat [eiser] daartegen bezwaren had. [vertegenwoordiger van gedaagde] heeft [mondhygiënist] (na 7 oktober 2024) direct aangesproken over het naambord, dat ook onmiddellijk is gewijzigd door [mondhygiënist] . [vertegenwoordiger van gedaagde] declareert haar facturen altijd op vrijdag, kennelijk is op 4 oktober 2024 een declaratie door haar ingediend voor een patiënt verzekerd bij Zilveren Kruis, maar dit zag een behandeling in haar eigen praktijk te [vestigingsplaats 2] . [gedaagde] heeft ook gewezen op uitgedraaide documenten uit haar (werk)agenda en grootboekrekening waaruit zou blijken dat zij niet bij [mondhygiënist] gewerkt heeft.
De opdrachtovereenkomst uit 2016 is onbekend bij [vertegenwoordiger van gedaagde] . De non-concurrentiebedingen zijn buitensporig en leiden tot een onaanvaardbaar resultaat en moeten daarom worden aangevuld zodat ze geen werking hebben. Een eventueel toe te wijzen boetebedrag dient te worden gematigd. Daarnaast zijn die bedingen in strijd met het Mededingingsrecht (artikel 6 lid 1 Mededingingswet Pro en artikel 101 VWEU Pro [1] ). Die bedingen zijn dus niet van toepassing, aldus steeds [gedaagde]
in reconventie
3.4.
[gedaagde] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, [eiser] te veroordelen:
tot betaling van een bedrag van € 12.194, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, dan wel 21 mei 2025 tot de dag van voldoening;
tot betaling van een bedrag van € 896,94 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot de dag van voldoening;
in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden tot de dag van voldoening.
3.5.
[gedaagde] stelt daartoe – kort gezegd – dat zij op grond van de afspraken tussen partijen recht heeft op 50% van haar declaraties voor de tandheelkundige werkzaamheden in de praktijk van [eiser] . In augustus, september en oktober 2025 heeft [vertegenwoordiger van gedaagde] drie werkdagen gewerkt bij [eiser] en haar aandeel in de omzet van die gewerkte dagen (50% van de declaraties) is niet uitbetaald door [eiser] . Het aandeel in die omzet van [vertegenwoordiger van gedaagde] is een bedrag van € 3.527. Daarnaast heeft [eiser] de samenwerking van partijen zonder goede reden met onmiddellijke ingang beëindigd en de in 2008 overeengekomen opzegtermijn van drie maanden niet in acht genomen. In die opzegtermijn van drie maanden zou [vertegenwoordiger van gedaagde] nog zes dagen werken voor [eiser] . Gebaseerd op de gemiddelde declaraties per dag voor [vertegenwoordiger van gedaagde] komt 50% daarvan neer op een bedrag van € 8.667, aldus steeds [gedaagde]
3.6.
[eiser] voert – kort gezegd – aan dat zijn vordering op [gedaagde] een hoger bedrag betreft dan de declaraties van [gedaagde] Betaling van het bedrag van € 3.527 is opgeschort omdat [vertegenwoordiger van gedaagde] het concurrentiebeding schond en de daarvoor verschuldigde boete niet betaalde.
Verder is [gedaagde] tekort gekomen in de nakoming van haar verplichtingen uit artikel 11.1.2 van de opdrachtovereenkomst, zodat [eiser] rechtsgeldige gronden heeft gehad de samenwerking met onmiddellijke ingang te beëindigen. Dan is [eiser] geen schadevergoeding verschuldigd volgens artikel 9.2 van de opdrachtovereenkomst uit 2016. De bedragen die [gedaagde] heeft begroot komen overeen met de gemiddelde dagomzetten in het jaar voor de beëindiging. Daarop moeten nog wel de kosten in mindering worden genomen, aldus steeds [eiser] .

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Partijen zijn het er niet over eens welke overeenkomst tussen hen van toepassing is. Volgens [eiser] is dat de opdrachtovereenkomst uit 2016, volgens [vertegenwoordiger van gedaagde] is dit de 2008-overeenkomst.
4.2.
[gedaagde] heeft betwist dat zij is gebonden aan de opdrachtovereenkomst uit 2016. Ter zitting heeft [vertegenwoordiger van gedaagde] verklaard dat zij zich niet kan herinneren een nieuwe opdrachtovereenkomst te hebben ondertekend in 2016. Dat is onvoldoende om de rechtsgeldigheid van de opdrachtovereenkomst uit 2016 tussen [eiser] en [gedaagde] te betwisten. [vertegenwoordiger van gedaagde] heeft niet weersproken dat het haar handtekening is die op de overeenkomst van 2016 staat (en haar paraaf op vele pagina’s van die overeenkomst).
4.2.1.
Ook is ter zitting bevestigd dat betalingen na 2016 zijn gedaan aan [gedaagde] terwijl de overeenkomst uit 2008 was met [vertegenwoordiger van gedaagde] (in persoon). Ten slotte heeft [vertegenwoordiger van gedaagde] in 2021 afgezien van het uitvoeren van tandheelkundige werkzaamheden in de praktijk van [mondhygiënist] nadat [eiser] daarvoor geen toestemming gaf. Als de bedingen uit 2016 niet golden, valt niet in te zien waarom [vertegenwoordiger van gedaagde] toestemming zou vragen voor het werk binnen de straal van 15 kilometer en bij het ontbreken daarvan zou afzien van dat werk. Daaruit volgt redelijkerwijs dat [vertegenwoordiger van gedaagde] in 2021 kennelijk is uitgegaan van de rechtsgeldigheid van de non-concurrentiebedingen in de opdrachtovereenkomst uit 2016.
4.2.2.
Vastgesteld wordt daarom dat [gedaagde] in 2016 een opvolgende opdrachtovereenkomst heeft gesloten met [eiser] voor de samenwerking in de praktijk van [eiser] en dat daarmee de 2008-overeenkomst is vervangen. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van partijen dat, ook als wordt uitgegaan van de overeenkomst van 2016, [vertegenwoordiger van gedaagde] ook persoonlijk aan de afspraken kon worden gehouden.
in conventie voorts
4.3.
[eiser] heeft gesteld dat [vertegenwoordiger van gedaagde] de non-concurrentiebedingen heeft geschonden. [vertegenwoordiger van gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat zij tandheelkundige werkzaamheden heeft uitgevoerd in de praktijk van [mondhygiënist] . [vertegenwoordiger van gedaagde] heeft haar betwisting onder meer onderbouwd met een verklaring van [mondhygiënist] , gedateerd op 7 november 2024:
“(…) verklaar ik dat mevrouw [gedaagde] niet werkzaam is geweest in mijn onderneming (…)
[mondhygiënist] (…)”
4.4.
Het ligt daarom op de weg van [eiser] om nadere feiten en omstandigheden te stellen – en aan te tonen – waaruit kan worden afgeleid dat [vertegenwoordiger van gedaagde] toch tandheelkundige werkzaamheden heeft uitgevoerd in de praktijk van [mondhygiënist] vanaf (zo begrijpt de rechtbank uit de stellingen van [eiser] ) maart 2021 tot 7 oktober 2024 en (vordering onder II) in de periode daarna (vordering onder I).
4.5.
[eiser] heeft gewezen op een groot aantal aanwijzingen die [vertegenwoordiger van gedaagde] in verband brengen met de praktijk van [mondhygiënist] . Hoewel deze omstandigheden die opvallend te noemen zijn, is dit – gelet op alles dat [gedaagde] daartegen in heeft gebracht – toch onvoldoende om concreet vast te stellen dat [vertegenwoordiger van gedaagde] (en wanneer en hoe vaak) daadwerkelijk tandheelkundige werkzaamheden heeft uitgevoerd in de praktijk van [mondhygiënist] . De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.6.
De verwijzing naar de flyer, het bericht op Facebook van [mondhygiënist] en het naambordje dat aan de gevel van de praktijk van [mondhygiënist] heeft gehangen kunnen zien op het voornemen van [vertegenwoordiger van gedaagde] in 2021 tot een mogelijke samenwerking met [mondhygiënist] . Dat [mondhygiënist] op basis van dat voornemen reclame is gaan maken voor die samenwerking – of anderszins daarover publiekelijk heeft bericht – is geen bewijs dat [vertegenwoordiger van gedaagde] daadwerkelijk tandheelkundige werkzaamheden heeft uitgevoerd in de praktijk van [mondhygiënist] . De berichten stammen uit de periode rond maart 2021 waarin het voornemen van [vertegenwoordiger van gedaagde] speelde. Dat het naambordje er zou zijn blijven hangen is inderdaad opvallend, maar nog altijd blijkt daaruit niet concreet dat [vertegenwoordiger van gedaagde] sindsdien ook in de praktijk heeft gewerkt.
4.7.
Hetzelfde geldt voor de registratie bij Vektis van [vertegenwoordiger van gedaagde] (of [gedaagde] ) als zorgverlener in de praktijk van [mondhygiënist] die dateert van 1 februari 2021. Na gesprekken over dit plan met [eiser] heeft [vertegenwoordiger van gedaagde] in maart 2021 besloten toch niet te gaan samen werken met [mondhygiënist] . Kennelijk is de (voortijdige) registratie bij Vektis van [vertegenwoordiger van gedaagde] als zorgverlener in de praktijk van [mondhygiënist] toen niet doorgehaald. Dit is wellicht slordig, maar geen bewijs dat [vertegenwoordiger van gedaagde] tandheelkundige werkzaamheden in de praktijk van [mondhygiënist] heeft uitgevoerd. [gedaagde] heeft onweersproken aangevoerd dat er nog meerdere oude achterhaalde registraties van [vertegenwoordiger van gedaagde] in Vektis stonden.
4.8.
[eiser] heeft zijn stellingen over [vertegenwoordiger van gedaagde] verder onderbouwd met een aantal verklaringen van medewerksters van de praktijk van [eiser] .
4.8.1.
De verklaring van een medewerkster luidt:
“(…)
1. Op 2 oktober 2024 heb ik (…) telefonisch contact opgenomen met de tandartspraktijk van [mondhygiënist] (…).
2. Tijdens dit gesprek heb ik (…) gevraagd of wij als nieuwe patiënten een afspraak konden maken bij tandarts [vertegenwoordiger van gedaagde] . De medewerker aan de telefoon bevestigde dat dit mogelijk was. (…).
3. Op 3 oktober 2024 belde ik (..) terug naar de praktijk van [mondhygiënist] . (…) Tijdens dit tweede gesprek nam [mondhygiënist] zelf de telefoon op. Ze reageerde onverwacht op een onvriendelijke toon en verklaarde dat tandarts [vertegenwoordiger van gedaagde] niet bij deze praktijk werkzaam zou zijn.
(…)”
4.9.
Volgens [gedaagde] zou de receptioniste hebben willen bevestigen dat een afspraak kon worden gemaakt, maar niet speciaal bij [vertegenwoordiger van gedaagde] . Tot een afspraak is het niet gekomen.
Uit deze verklaring kan ook niet worden afgeleid dat [vertegenwoordiger van gedaagde] daadwerkelijk tandheelkundige werkzaamheden bij [mondhygiënist] heeft uitgevoerd. [mondhygiënist] heeft immers zelf aan de telefoon ontkend dat een afspraak met [vertegenwoordiger van gedaagde] kon worden gemaakt in haar praktijk. Uit die verklaring kan ook niet met zekerheid worden afgeleid dat concreet met mw. [vertegenwoordiger van gedaagde] een afspraak kon worden gemaakt.
4.9.1.
Daarnaast heeft [eiser] zijn stellingen onderbouwd met een verklaring van een andere medewerkster:
“(…)
Op 1 oktober 2024 was ik aanwezig bij een verjaardagsdiner in gezelschap van twee andere personen. Tijdens dit diner werd mij meegedeeld dat [vertegenwoordiger van gedaagde] werkzaam zou zijn bij [mondhygiënist] [een andere naam voor [mondhygiënist] , rb] in [plaats 2] . (…).
(…)”
Deze verklaring is mist concrete aanwijzingen over wie dit haar verteld zou hebben en hoe die daarover heeft vernomen en bovendien is haar verteld dat [vertegenwoordiger van gedaagde] werkzaam
“zou”zijn bij [mondhygiënist] . De verklaring is te vaag en overtuigt daarom niet.
4.9.2.
[eiser] heeft nog een verklaring in het geding gebracht van andere tandarts ( [tandarts 2] ) werkzaam bij [eiser] :
“(…)
Op 2 augustus 2023 heb ik [vertegenwoordiger van gedaagde] uitgenodigd voor mijn housewarming in [vestigingsplaats 2] . Enige tijd later belde [vertegenwoordiger van gedaagde] mij om te laten weten dat zij niet aanwezig kon zijn. Als reden gaf zij aan dat zij die dag voor de kinderen moest zorgen en bovendien eerst naar [plaats 1] moest voor werk. (…) Toen ik hier verder naar vroeg, gaf [vertegenwoordiger van gedaagde] aan dat zij die dag bij [mondhygiënist] in [plaats 2] zou werken. (…)
Datum:19 februari 2025
(…)”
4.10.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat [vertegenwoordiger van gedaagde] nooit bij [mondhygiënist] heeft gewerkt en op de dag van de housewarming ook niet heeft kunnen werken in de praktijk van [mondhygiënist] omdat zij die dag de zorg voor haar kinderen had en met hen naar Muiderslot is gegaan. Dit heeft [gedaagde] onderbouwd met foto’s en (app)berichten die zien op het Muiderslot en een ruime tijdspanne daar omheen. Gelet op alles dat [gedaagde] heeft ingebracht overtuigt de verklaring van [tandarts 2] , die bovendien is opgesteld . Daarnaast is die verklaring van die andere tandarts opgesteld op 19 februari 2025 en dus lang nadat [eiser] de samenwerking met [gedaagde] heeft beëindigd, niet.
4.11.
[eiser] heeft daarnaast gewezen op de informatie van het Zilveren Kruis over een door [gedaagde] gedeclareerd bedrag. De informatie die hierover is ingebracht door beide partijen roept meer vragen op dan dat het concreet antwoord geeft op de vraag of [vertegenwoordiger van gedaagde] tandheelkundige werkzaamheden heeft verricht in de praktijk van [mondhygiënist] .
In een opgenomen gesprek heeft een medewerker van Zilveren Kruis bevestigd dat op alleen de persoonlijke AGB-code van de behandelaar niet gezien kan worden waar iemand gewerkt heeft en dat AGB-code van de praktijk daarbij moet worden vermeld. Dit zou steun kunnen bieden aan de stelling van [eiser] dat de informatie over de declaratie van [gedaagde] van 4 oktober 2024 wel moet hebben gezien op werk van [vertegenwoordiger van gedaagde] bij [mondhygiënist] , omdat daarbij de AGB-code van de praktijk van [mondhygiënist] vermeld was. Aan de andere kant heeft [gedaagde] een schriftelijke bevestiging van Zilveren Kruis ingebracht waarin staat dat onder de persoonlijke AGB-code van [gedaagde] voor die datum (4 oktober 2024) maar één declaratie is ingediend bij Zilveren Kruis en dat die declaratie afkomstig is van de praktijk (met bijbehorende AGB-code) van [gedaagde] in [vestigingsplaats 2] . Ook heeft [gedaagde] een verklaring ingebracht van degene die op door haar op 4 oktober 2024 geholpen zou zijn, ondertekend met een adres te [vestigingsplaats 2] . Dit alles, waaronder de wisselende informatie van Zilveren Kruis, is lastig met elkaar te rijmen. Dat op 4 oktober 2024 door [vertegenwoordiger van gedaagde] werkzaamheden zijn verricht bij [mondhygiënist] in strijd met het non-concurrentiebeding kan dan ook niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld.
4.12.
Al het bovenstaande is op zich en in samenhang bezien – en onder de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] – onvoldoende om vast te stellen dat [vertegenwoordiger van gedaagde] tandheelkundige werkzaamheden in de praktijk van [mondhygiënist] heeft uitgevoerd. Daadwerkelijke ‘harde’ aanknopingspunten, zoals verklaringen van personen die daadwerkelijk hebben waargenomen dat [vertegenwoordiger van gedaagde] bij [mondhygiënist] in de praktijk heeft gewerkt, ontbreken.
4.13.
Gelet op deze uitkomst is het verweer van [gedaagde] over de onredelijkheid van de non-concurrentiebedingen en de onaanvaardbare gevolgen van de verschuldigde boete verder niet van belang. Dat verweer wordt daarom verder niet behandeld.
4.14.
De slotsom is dat de stellingen van [eiser] niet slagen en dat de vorderingen van [eiser] daarom worden afgewezen.
4.15.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
10.897,00
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing met toepassing van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
in reconventie voorts
4.17.
Uit de beoordeling in conventie volgt dat [eiser] ten onrechte de samenwerking met [gedaagde] (en [vertegenwoordiger van gedaagde] ) met onmiddellijke ingang heeft opgezegd op 7 oktober 2024, omdat niet is gebleken dat [vertegenwoordiger van gedaagde] de non-concurrentiebedingen heeft overtreden.
4.18.
[gedaagde] vordert betaling van de helft van haar declaraties over de periode augustus tot en met 7 oktober 2024 (een bedrag van € 3.527) voor het werk dat zij heeft uitgevoerd. [eiser] heeft niet betwist dat [gedaagde] recht heeft op 50% van haar declaraties en heeft ook de hoogte van dit bedrag niet betwist. Dit deel van de vordering van [gedaagde] wordt daarom toegewezen.
4.19.
Daarnaast heeft [gedaagde] gevorderd een schadevergoeding voor gederfde inkomsten over de periode van de opzegtermijn van drie maanden na 7 oktober 2024 waarin nog werkdagen bij [eiser] voor [vertegenwoordiger van gedaagde] stonden ingepland.
4.20.
[eiser] heeft de door [gedaagde] gehanteerde berekening van het bedrag van € 8.667 niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. [eiser] heeft aangevoerd dat slechts gederfde winst in aanmerking komt voor schadevergoeding en dat de kosten in mindering dienen te worden gebracht. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, is niet in te zien welke kosten [eiser] heeft bedoeld. Uit de stellingen van partijen volgt dat gedurende de samenwerking [eiser] 50% van de declaraties van [gedaagde] voor werkzaamheden bij [eiser] aan [gedaagde] heeft betaald. Uit niets is gebleken dat daarbij normaal gesproken kosten in mindering werden gebracht (en tot welk bedrag). Waarom dit dan wel zou moeten voor de schadeberekening over de periode van de opzegtermijn na beëindiging van de samenwerking (en tot welke vergoedingen dat dan moet leiden), is niet uitgelegd door [eiser] .
4.20.1.
Dat vermogensschade
ookomvat zowel geleden verlies als gederfde winst (artikel 6:96 lid 1 BW Pro), geeft geen aanleiding om de schade van [gedaagde] als gevolg van het niet kunnen werken in de praktijk van [eiser] gedurende zes werkdagen na 7 oktober 2024, anders te begroten dan zij heeft gedaan.
4.21.
Uit het bovenstaande volgt dat de vordering van [gedaagde] van in totaal € 12.194 wordt toegewezen. De opdrachtovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] is een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW, zodat de toegewezen hoofdsom wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in dat artikel vanaf de dag van het herstelexploot van de dagvaarding (dus 30 maart 2025) tot de dag van voldoening.
4.22.
De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen. Uit niets is gebleken dat [gedaagde] voorafgaand aan deze procedure [eiser] heeft aangesproken tot betaling van de gevorderde hoofdsom op een wijze die de gevraagde vergoeding rechtvaardigt.
4.23.
[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Gelet op de samenhang tussen het (beperkte) debat over de vordering van [vertegenwoordiger van gedaagde] in reconventie en het debat tussen partijen in conventie worden de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] in reconventie begroot op nihil.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] , tot op heden begroot op € 10.897,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 aan salaris advocaat en de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.5.
veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van € 12.194 (zegge: twaalfduizend honderdvierennegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 21 mei 2025 tot de dag van voldoening,
5.6.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil,
5.7.
verklaart de veroordeling van [eiser] onder 5.5 uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.J. Hamming, rechter, bijgestaan door mr. R.E.R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Trb. 2013, 109.