ECLI:NL:RBAMS:2026:1662

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
781995
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing wegens acute veiligheid minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2011, vanwege ernstige zorgen over haar veiligheid en ontwikkeling.

De kinderrechter bevestigde de spoedbeschikking van 20 januari 2026 en oordeelde dat er een acuut en ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige wordt bedreigd. Er zijn signalen van ontspoord gedrag, drugsgebruik, betrokkenheid bij strafbare feiten en slachtoffer van ontucht en uitbuiting. De veiligheid bij de ouders kan niet worden gegarandeerd.

Hoewel een gesloten behandelplek noodzakelijk is, is deze niet beschikbaar vanwege wachtlijsten, ook buiten de regio. De minderjarige weigert verblijf op een open behandelgroep. De kinderrechter acht het minimaal noodzakelijk dat zij op een open behandelplek verblijft en stelt haar voorlopig onder toezicht voor drie maanden met machtiging tot uithuisplaatsing, waarbij de beslissing direct uitvoerbaar is.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige voorlopig onder toezicht en machtigt haar uithuisplaatsing wegens acute bedreiging van haar veiligheid en ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/781995 / JE RK 26-50
Datum uitspraak: 2 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Amsterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt naast [minderjarige] als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. T.H.L. Kneepkens uit Amsterdam,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de spoedbeschikking van 20 januari 2026;
  • de brief van de GI, ontvangen op 29 januari 2026.
1.2.
Op 2 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- ouders met hun advocaat;
- [persoon 1] , namens de Raad;
- [persoon 2] , namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij spoedbeschikking van 20 januari 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld en een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 3 februari 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Zowel de Raad als de GI vinden een gesloten behandelplek noodzakelijk om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen en de voorwaarden voor diagnostiek en behandeling te creëren. Op dit moment is er geen uitzicht op een gesloten plek, omdat deze behandelinstellingen bezet zijn en er een wachtlijst is. Het is daarom minimaal noodzakelijk dat [minderjarige] op een open-behandelplek wordt geplaatst.
4.2.
Namens en door ouders is geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Ouders maken zich grote zorgen om [minderjarige] . Zij voelen zich machteloos en weten niet wat zij moeten doen om [minderjarige] ’s veiligheid te garanderen. Vader maakt zich met name zorgen over de mobiele telefoon van [minderjarige] . Ouders zien [minderjarige] liever in een gesloten setting omdat zij dan zeker weten dat [minderjarige] veilig is.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van de overlegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de beschikking van 20 januari 2026 dient te worden bekrachtigd. De beslissing is op de juiste gronden genomen, gezien de aanwezige zorgen en de gegeven informatie ten tijde van de beslissing.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
Er zijn grote zorgen over de acute veiligheid van [minderjarige] . [minderjarige] is in het verleden getuige en mogelijk slachtoffer geweest van huiselijk geweld. Er zijn ernstige zorgen over haar ontwikkeling en acute veiligheid. Zij vertoont ontspoord en risicovol gedrag, er zijn signalen van drugsgebruik en aanwijzingen dat zij in een circuit verkeert waarin zij onder druk strafbare feiten pleegt en het slachtoffer is van ontucht en uitbuiting, waar zij niet op eigen kracht uit kan komen. Er zijn ook zorgen over haar psychisch welzijn. Er is sprake van een patroon van weglopen en uit social media gegevens zou blijken dat ze wordt misbruikt.
5.4.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [2] Op dit moment is het voor [minderjarige] niet mogelijk om bij haar ouders te wonen omdat haar veiligheid daar niet kan worden gegarandeerd.
Een gesloten behandelplek is noodzakelijk voor [minderjarige] om haar veiligheid te waarborgen en de voorwaarden voor diagnostiek en behandeling te creëren. De GI heeft enorm haar best gedaan om een gesloten plek te vinden voor [minderjarige] , ook buiten de regio [gemeente] , maar deze is vanwege wachtlijsten niet beschikbaar gebleken. Om deze reden heeft de GI een gesloten plaats niet aan de rechtbank verzocht. Er is wel plek voor [minderjarige] op de open behandelgroep van [plaats] . Uit het gesprek met [minderjarige] is echter naar voren gekomen dat zij absoluut niet op de open behandelgroep van [plaats] wil verblijven. Het kennismakingsgesprek is niet goed gelopen en [minderjarige] maakt zich zorgen over een meisje met wie zij ruzie heeft, die ook in de buurt van [plaats] woont. [minderjarige] vindt dat zij geen hulpverlening nodig heeft en dat zij zelfstandig in staat is om haar problemen op te lossen en beslissingen te nemen.
5.5.
De kinderrechter vindt dit een zeer zorgelijke situatie. Het gaat om een jong meisje dat hoog noodzakelijk hulp nodig heeft en waarbij de Raad, de GI en zelfs de politie een gesloten plaatsing adviseren als meest passende middel om haar veiligheid te kunnen garanderen. Door het grote gebrek aan behandelruimte in de jeugdzorg valt [minderjarige] tussen wal en schip. Vanwege een gebrek aan passende gesloten behandelplekken kan deze plek – en de daarbij horende veiligheid en behandeling - niet aan [minderjarige] worden geboden. Dit is op zijn zachtst gezegd een verdrietige constatering en valt niet goed uit te leggen aan dit gezin dat dringend hulp en begeleiding nodig heeft.
5.6.
De kinderrechter acht het minimaal noodzakelijk dat [minderjarige] op een open-behandelplek verblijft. De kinderrechter hoopt dat [minderjarige] na het herstelgesprek met [plaats] alsnog gemotiveerd wordt om op de open groep te verblijven en mee te werken aan behandeling. Het is aan [minderjarige] om deze kans met beide handen aan te pakken om te voorkomen dat zij alsnog gesloten moet worden geplaatst.
5.7.
Gelet op het voorgaande stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van drie maanden.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
handhaaft de spoedbeschikking van 20 januari 2026;
6.2.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 20 januari 2026 tot 20 april 2026;
6.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 20 januari 2026 tot 20 april 2026;
6.4.
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026 door mr. I.M. Nusselder, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Diederen als griffier, en op schrift gesteld op 9 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).