ECLI:NL:RBAMS:2026:1669

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
C/13/762968 / HA ZA 25-97
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45e AwArt. 45d AwArt. 25c AwArt. 25d AwArt. 25ca Aw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering billijke vergoeding en naamsvermelding regiewerkzaamheden film

Eiser werkte als regieassistent mee aan een super lowbudgetfilm van gedaagde, die tevens producent en hoofdrolspeler was. Eiser stelt dat zijn werkzaamheden verder gingen dan regieassistentie en dat hij als coregisseur vermeld moet worden, met recht op een aanvullende billijke vergoeding.

Partijen verschillen van mening over de kwalificatie van de werkzaamheden en de hoogte van de vergoeding. Eiser baseert zijn vordering op zijn creatieve inbreng tijdens preproductie, draaidagen en postproductie, terwijl gedaagde erkent dat eiser creatieve bijdragen leverde maar deze kwalificeert als regieassistentie. De rechtbank constateert dat de begrippen coregisseur en regieassistent niet eenduidig zijn gedefinieerd binnen de filmindustrie.

De rechtbank oordeelt dat eiser de stelplicht en bewijslast draagt om aan te tonen dat hij als coregisseur heeft gewerkt en recht heeft op een hogere vergoeding. Gezien de complexiteit en het ontbreken van duidelijke normen benoemt de rechtbank drie deskundigen, waaronder een jurist en twee filmprofessionals, om advies uit te brengen over de rol van eiser en de billijke vergoeding.

Daarnaast heeft eiser recht op inzage in exploitatiegegevens van de film om zijn vordering te onderbouwen. De procedure wordt aangehouden totdat deskundigenrapporten zijn ontvangen en partijen hierop hebben kunnen reageren.

Uitkomst: De rechtbank wijst het vonnis toe om deskundigen te benoemen en houdt de zaak aan voor verdere behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/762968 / HA ZA 25-97
Vonnis van 21 januari 2026
in de hoofdzaak en in het incident van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser in de hoofdzaak, gedaagde in het incident,
advocaat: mr. R. Klöters,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats]
en
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident,
advocaat: mr. V.J. Nederpelt.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde 1] c.s., respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.

1.De procedure in de hoofdzaak en in het incident

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 januari 2025 met producties en de vordering in inciden ex artikel 223 Rvt Pro,
- de conclusie van antwoord in het incident met producties,
- de mededeling van de griffier van 2 april 2025 dat het incident gelijktijdig zal worden behandeld met de hoofdzaak,
- de conclusie van antwoord in de bodemzaak met producties,
- het tussenvonnis van 9 juli 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 oktober 2025 en de daarin vermelde stukken.
1.2.
Vervolgens wijst de rechtbank vandaag vonnis.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde 1] is acteur, regisseur, scenarioschrijver en producer en heeft in die hoedanigheden de film ‘
[film] ’(hierna: de film) bedacht en gemaakt. Hij speelde de hoofdrol in zijn eigen film. De film is een ‘super lowbudgetfilm’. [gedaagde 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 2] , het productiebedrijf dat hij op 17 december 2024 heeft opgericht.
2.2.
[eiser] is filmmaker. Sinds 2020 hebben [eiser] en [gedaagde 1] aan verschillende projecten samengewerkt. [eiser] heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de film als onderdeel van de crew.
2.3.
Op 8 februari 2023 hebben [gedaagde 1] (als producent) en [eiser] een document getiteld ‘medewerkersverklaring’ ondertekend. Deze verklaring luidt als volgt:
“[ [eiser] ] hierna te noemen ‘de Medewerker’, verklaart medewerking te verlenen aan het produceren van de bioscoopfilm [film] met productienummer [productienummer] , hierna te noemen ‘de productie’, geproduceerd door [gedaagde 1] , hierna te noemen ‘de Producent’.
ALGEMENE VOORWAARDEN
De volgende tarieven en voorwaarden zijn van toepassing. De Producent betaalt het overeengekomen bedrag van € 1600,00 exclusief BTW per project aan de Medewerker, via bankoverschrijving zoals overeengekomen door beide partijen. De Medewerker zal fungeren als regie assistent tijdens de 25 draaidagen gedurende 06 april 2023 – 13 mei 2023. De Medewerker zal op elke afgesproken draaidag aanwezig zijn en is bewust dat als hij/zij de Productie niet afmaakt, dit als contractbreuk beschouwd wordt en een met de Producent overeengekomen bedrag moet terugbetalen als compensatie van het ontvangen voorschot in december 2022.
Wijzigingen en/of aanvullingen op deze overeenkomst zijn slechts geldig indien en voor zover deze schriftelijk zijn vastgelegd en aan deze overeenkomst zijn gehecht.”
2.4.
Tijdens de draaiperiode is onenigheid tussen partijen ontstaan over de rol van [eiser] . Partijen hebben over zijn bijdrage aan het project gesproken en gecorrespondeerd, maar hebben zonder nadere afspraken de opnames van de film afgerond.
2.5.
In het daarop volgende jaar – tijdens de postproductie van de film – hadden partijen weinig contact. Totdat in de zomer van 2024, vlak voor de première, de filmposter verscheen. [eiser] staat hier niet op vermeld en voelde zich daarmee miskend. Dit blijkt uit het volgende Whatsapp-bericht aan [gedaagde 1] van 18 juni 2024:
“Het voelt nu een namelijk een beetje scheef. Snap je? Ik was geen co-regisseur, maar regie-assistent, iets waar ikzelf akkoord mee ben gegaan. Maar eerlijk gezegd heb ik niet het gevoel dat mijn rol op de set […] voldoende wordt erkend in wat ik nu terugkrijg. Het lijkt grotendeels op jou betrokken te zijn en weinig op het team en mij, dat voelt voor mij niet helemaal goed.”
2.6.
Op 29 juni 2024 heeft [eiser] het volgende spraakbericht aan [gedaagde 1] gestuurd over zijn vermelding op de website van IMDb:
“(…) Kan je mij als director assistent dan erop zetten? Dat is de juiste credit. (…)”
2.7.
[film]ging op [datum] in première en werd de best bezochte Nederlandse bioscoopfilm van dat jaar.
2.8.
Op 11 oktober 2024 heeft [eiser] [gedaagde 1] een sommatiebrief gestuurd, waarin hij – kort gezegd – [gedaagde 1] verzoekt om een hogere vergoeding voor zijn bijdrage aan de film, correcte naamsvermelding en inzage in de opbrengsten van de film. Nog voordat hij een reactie van [gedaagde 1] had ontvangen, kreeg [eiser] samen met andere cast- en crewleden op 24 oktober 2024 een e-mail van [gedaagde 1] waarin staat dat hij verwacht hun een aanvullende vergoeding te kunnen betalen voor hun bijdrage aan de film. [eiser] is op het concerete aanbod dat daarop later is gevolgd niet ingegaan. In zijn reactie van 25 oktober 2024 op de sommatiebrief van [eiser] heeft [gedaagde 1] de bijdrage van [eiser] aan de film “
bescheiden, niet zijnde een onderdeel van de hoofdcrew” genoemd, en heeft hij [eiser] verzoeken van de hand gewezen.

3.Het geschil in de hoofdzaak en in het incident ex artikel 223 Rv Pro

3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
I. voor recht verklaart dat [eiser] kan worden aangemerkt als coregisseur;
II. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] c.s. artikel 45e Aw heeft geschonden;
III. [gedaagde 1] c.s. veroordeelt tot het aanpassen van [eiser] credit naar coregisseur in de intro en aftiteling van de film, en naar
co-directorop de website IMDb, op straffe van een dwangsom;
IV. voor recht verklaart dat [eiser] recht heeft op een aanvullende, billijke vergoeding;
V. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van
a. primair € 48.400,-, vermeerderd met de wettelijke rente,
b. subsidiair € 34.400,-, vermeerderd met de wettelijke rente;
VI. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] c.s. aan [eiser] moet betalen een billijke vergoeding van 5% van
a. primair de door [gedaagde 1] c.s. en [bedrijf] B.V. gegenereerde en nog te genereren netto opbrengst,
b. subsidiair de door [gedaagde 1] c.s. gegenereerde en nog te genereren netto opbrengst;
VII. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van het onder VI genoemde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente;
VIII. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot het overleggen van de exploitatieoverzichten;
IX. [gedaagde 1] c.s. veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding van het onder VIII gevorderde;
X. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de volledige proceskosten, waaronder de kosten van rechtsbijstand in de zin van artikel 1019h Rv.
In het incident vordert [eiser] hetzelfde als onder VIII en IX gevorderd.
Standpunt [eiser]
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Hij meent dat de werkzaamheden die hij heeft verricht niet kwalificeren als die van regieassistent, maar als die van coregisseur. Daarom wil hij als zodanig betaald krijgen en vermeld worden op de aftiteling en op de website van IMDb. [eiser] verwijst voor een omschrijving van de taken van een regisseur met name naar de definitie die is opgesteld in het Opdracht Kompas, in opdracht van Platform ACCT:
“Heeft de creatieve verantwoordelijkheid voor het eindproduct van een complexe productie. Stuurt processen aan die bepalend zijn voor het creatieve resultaat.”
3.3.
[eiser] heeft significante creatieve inbreng gehad niet alleen tijdens, maar ook voorafgaand aan en na afloop van de draaidagen. [gedaagde 1] had zelf de hoofdrol in de film en speelde in bijna driekwart van de scenes. Meestal moest [gedaagde 1] zich dus op zijn acteerwerk richten, waardoor veel regieverantwoordelijkheden bij [eiser] terechtkwamen. Anders dan aanvankelijk overeengekomen in de medewerkersverklaring heeft [eiser] dus veel meer bijgedragen aan het proces dan een regieassistent zou doen. Door dit niet te erkennen heeft [gedaagde 1] inbreuk gemaakt op zijn persoonlijkheidsrechten omdat hij recht heeft op een vermelding als coregisseur (artikel 45e sub a Auteurswet) en een daarbij passende billijke vergoeding (artikel 45d lid 1 Aw). Het honorarium van € 1.600,- dat hij heeft ontvangen is niet billijk. Bovendien heeft hij daarnaast recht op een draaidagvergoeding en een percentage van de winst (artikel 45d lid 7 jo. 25d lid 1 Aw). [eiser] licht dit als volgt nader toe.
3.3.1.
Voorafgaand aan de draaidagen was [eiser] betrokken bij het lezen van het script en bij audities. Op 9 februari 2023 hebben [eiser] en [gedaagde 1] de volgende appberichten gewisseld over de audities voor de rol van de dochter van het hoofdpersonage, gespeeld door [gedaagde 1] , waarbij zij beiden aanwezig waren:
[eiser] :
“Was gezellig!
Lets get this!”
[gedaagde 1] :
“Broooo heb die tapes terug gekeken
Ik twijfel zoooo hard tussen [auditant A] en [auditant B]”
[…]
[eiser] :
“Kan je ze eens sturen dan check ik ook nog eens”
[gedaagde 1] :
“Ja is goed
Heb je net gemaild”
[…]
[eiser] :
“[Auditant B] spat meer van t scherm af en is inderdaad interessanter
Ook de improv van [auditant A] is minder goed
Maar [auditant A] lijkt jonger en onschuldiger”
Voorafgaand aan deze berichten had [eiser] [gedaagde 1] zijn aantekeningen bij vier auditanten voor deze rol gestuurd.
3.3.2.
Diezelfde dag heeft [gedaagde 1] [eiser] het repetitieschema toegestuurd met het bericht:
“Laten we sowieso aankomende week zitten, ik wil echt dat we op 1 lijn zitten zodat we elkaar blind kunnen vertrouwen.”
3.3.3.
Tijdens de draaidagen zat [eiser] vaak achter de monitor en overlegde hij met de
director of photography, de opnameleider en andere cast- en crewleden. De precieze werkzaamheden van [eiser] tijdens de draaiperiode heeft hij per scene beschreven in een Excelbestand. Over enkele scenes schrijft hij:
“De drone-shots in de film zijn onder mijn regie tot stand gekomen. Deze zijn samen met [de director of photography] gedraaid op een moment dat [ [gedaagde 1] ] afwezig was. […]
[Scene 13:] Deze scene heb ik zelf gefilmd en vooraf de shots inhoudelijk met [ [gedaagde 1] ] besproken. De creatieve invulling en camerakeuze kwamen vanuit mij, waarbij [ [gedaagde 1] ] instemde met mijn voorstel. […]
[Scene 19 en 20:] Deze scene heb ik zelf gefilmd en vooraf de shots inhoudelijk met [ [gedaagde 1] ] besproken. De creatieve invulling en camerakeuze kwamen vanuit mij, waarbij [ [gedaagde 1] ] instemde met mijn voorstel. […]
[Scene 28:] Deze scene heb ik zelf gefilmd en vooraf met [ [gedaagde 1] ] besproken. De creatieve invulling, zoals het pistool dicht bij de lens houden, het gebruik van close-ups tijdens het schieten, en het bepalen van de benodigde single shots om het verhaal visueel helder te maken, kwam volledig vanuit mij. […]
[Scene 66:] Omdat ik eerder op deze locatie had gefilmd, wist ik wat wel werkte. Ik heb toen voorgesteld om de scene visueel volledig om te gooien en terug te keren naar de kern: de rauwe, realistische stijl die [ [gedaagde 1] ] juist in elke scene ambieerde […]. Binnen een half uur heeft [de director of photography] op basis van mijn voorstel het lichtplan en de cameravoering aangepast. […]
[“de leeuw”:] Deze scene vormt het vervolg op de repetitie waarin ik [de acteur] de regieaanwijzing gaf om zijn personage […] te benaderen als roofdier. […] Het dierlijke gedrag, het besluipen, het spel van dreiging en controle, en uiteindelijk de fysieke uitbarsting, werd een belangrijk expressief element in de scene. […]
[Shotvoorstellen via WhatsApp:] In een WhatsApp-gesprek met [ [gedaagde 1] ] heb ik op eigen initiatief voorstellen gedaan voor aanvullende camerastandpunten […]. Deze suggesties betroffen niet alleen praktische aanvullingen, maar waren inhoudelijk gemotiveerde keuzes gericht op de cinematografische variatie en versterking op het visuele ritme van de scene. […]
[Scene met acteur X:] Bij de voorbereiding en uitvoering van een specifieke scene met acteur [X] – die een emotioneel geladen moment betrof – heb ik als regisseur een gerichte spelinstructie gegeven die direct invloed had op de impact van het acteerwerk in beeld. […]
[Scenes 120-122:] Tijdens de draaiperiode van [film] heb ik meerdere keren inhoudelijk en visueel richting gegeven aan scenes die uiteindelijk bepalend zijn geweest voor de filmische kwaliteit van het eindresultaat. Een belangrijk voorbeeld hiervan is de reeks scenes 120-122, waarin het personage [personage 1] wordt neergestoken door [personage 2] . […] [ [gedaagde 1] ] wilde de steekscene aanvankelijk niet expliciet in beeld brengen […]. Ik vond dat de scene op die manier aan kracht zou verliezen. Samen met [de make-up artist] heb ik daarom een alternatieve aanpak bedacht. […] Daarnaast stelde ik voor om de scene te filmen met een slidershot […]. Tijdens de opname raakte [ [gedaagde 1] ] gefrustreerd en verliet tijdelijk de set. Door de tijdsdruk hebben [anderen] en ik de scene samen verder uitgewerkt en uitgevoerd. Ik nam op dat moment de creatieve leiding op me: bepaalde hoe het shot technisch en emotioneel moest worden neergezet, hoe de camera moest bewegen en hoe het spel van acteurs de juiste spanning kon behouden.[…]
[De slotscene:] De eindscene van [film] speelt zich af in het ziekenhuis en vormt het emotionele sluitstuk van de film. […] Deze scene draait volledig om het thema verlies en de eenzaamheid die daarop volgt. […] Om de scene de juiste filmische impact te geven heb ik samen met [de director of photography] besloten een jib-shot te gebruiken. […] [ [gedaagde 1] ] had hierin geen uitgewerkt plan klaarliggen, de keuze om het shot op deze manier te visualiseren kwam volledig voort uit mijn wens om de scene naar een hoger visueel niveau te tillen en bioscoopwaardig te maken. […] In de voorbereiding op deze scene heb ik samen met [de director of photography] de precieze cameraopstelling bepaald; het ritme en de beweging van het jib-shot afgestemd op het spel van de acteurs; en besproken hoe we de set qua belichting en art direction konden ondersteunen. [ [gedaagde 1] ] stemde achteraf in met deze aanpak. […] Tijdens het draaien van de scene ben ik actief betrokken geweest: het begeleiden van [de kindacteur] om haar in de juiste emotionele staat te brengen; het regisseren van de emotionele timing van [ [gedaagde 1] ]; het bewaken van het verloop en de herhaling van de takes; en het roepen van “cut” op het juiste moment.”
3.3.4.
Ook bij de postproductie is [eiser] betrokken geweest en heeft hij zich intensief beziggehouden met de
decoupagevan shots waarmee een scene wordt opgebouwd. Op 24 juli 2023 heeft hij aan [gedaagde 1] zijn feedback op een vroege versie van de film gestuurd:
“Begin veelbelovend, mooi met droneshot openen […]. Het is nu wel zo dat doordat je met [personage 1] begint, je de kijker ook verteld dat [personage 3] en [personage 1] zijn pad gaan kruisen ipv dat je met [personage 3] de [film] wereld instumbled. Dat is een keuze natuurlijk van wat wil je vertellen. […] Daarom de dreiging van dat [personage 1] zijn dochtertje meeneemt heb je misschien wel nodig bijvoorbeeld, omdat dit is waarom [personage 3] in de business gekomen is en nu juist zijn dochtertje in gevaar brengt.
Overall voelt het nu namelijk dat we als hoofdlijn van de film de [film] wereld te zien krijgen, maar in feite gaat het meer om [personage 3] zijn wereld […]. Hiermee creëer je ook meer goodwill voor de hoofdpersoon.
Overall heb ik soms het idee dat actie scenes zo snel geknipt zijn dat het moment al voorbij is voordat ik begrijp wat er gebeurd. […] Dus, schot wordt gevuurd in medium, shot wordt gevuurd laatste stukje close, reactie [personage 1] , reactie [personage 4] , zijn neef dood zien en dan de reactie van [personage 3] , zo krijgt het emotioneel meer lading.
[…] In ieder dialoog wil je meer op de reactie zitten dan op het dialoog. Hoe voelt [personage 3] zich in de situatie, hierdoor ga je meer met hem meevoelen […]. […]
Scene [personage 5] rare knip voordat ze t over [personage 6] hebben gaat van mooi close naar een medium zonder duidelijke reden. […]
Einde van scene [personage 7] afzetten bij dr huis: los van verliefd en dat ie fucked is omdat ie wegreed, zou nog een blik van [personage 3] doen van dat je ziet dat ie baalt van alles. […]
Scene met [personage 4] huisje [personage 6] klopt nog niet hoe t geknipt is. Je krijgt niet mee wat er speelt. […]
En uiteindelijk 01:04:03 mis is medium reactie shot waar [personage 3] tekeer gaat en [personage 2] helemaal zonder emotie is. […]
Stuk jongens die daar staan weglaten de focus ligt op [personage 7] , haalt vaart uit de scene. […]
Eerst handen [personage 1] closeup om [personage 2] haar nek en daarna pas closeup mes vallen want dat is waardoor ze t mes laat vallen.”
Standpunt [gedaagde 1]
3.4.
[gedaagde 1] voert verweer. Hij erkent dat [eiser] creatieve inbreng heeft gehad bij de totstandkoming van de film en dus moet worden aangemerkt als ‘maker’ in de zin van de Auteurswet, maar hij betwist dat deze inbreng hem tot coregisseur maakt. [gedaagde 1] erkent daarnaast dat [eiser] recht heeft op een billijke vergoeding, maar het bedrag dat hij vordert is te hoog. € 1.600,- is inderdaad weinig, maar [eiser] heeft het latere aanbod van [gedaagde 1] voor een aanvullende vergoeding van € 10.000,- afgewezen. [eiser] heeft ermee ingestemd als regieassistent te werken en vermeld te worden, zo blijkt uit de medewerkersverklaring van 8 februari 2023. De bijdrage van [eiser] was bovendien bescheiden en hij was geen onderdeel van de hoofdcrew. Pas toen de film een commercieel succes werd, wilde [eiser] een vermelding als coregisseur en een hogere vergoeding.
3.5.
Hoewel [gedaagde 1] de werkzaamheden van [eiser] zoals die zijn opgesomd in het hierboven geciteerde Excelbestand niet betwist, meent [gedaagde 1] dat uit deze opsomming niet naar voren komst dat [eiser] bijdrage voldoet aan de definitie van een (co)regisseur. [gedaagde 1] verwijst hiervoor naar het boek
De Filmproducentvan Carolien Croon en Stienette Bosklopper, waarin de volgende omschrijving is opgenomen:
“Bij speelfilms en documentaires heeft de regisseur de artistieke verantwoordelijkheid voor de film […]. […] De essentie van een regisseur is zijn specifieke, persoonlijke stempel op de creatieve uitvoering van de film.”
Om onderstaande redenen voldoet [eiser] volgens [gedaagde 1] niet aan deze omschrijving.
3.5.1.
De film is een persoonlijk project waar [gedaagde 1] in totaal zeven jaar mee bezig is geweest. Over de gehele tijdslijn van zeven jaar was [eiser] alleen rondom en tijdens de draaiperiode in april en mei 2023 betrokken en niet, of amper, bij de pre- en postproductie. [gedaagde 1] heeft in aanloop naar de draaidagen andere makers bij de film betrokken, onder wie [eiser] . In die periode heeft [gedaagde 1] bovendien het script herschreven, externe financiers en locaties benaderd, acteurs gecast en contact gehad met politie en jeugdbescherming om de verhaallijn aan hen voor te leggen. Andere voorbereidingen van [gedaagde 1] bestonden onder andere uit vergunningen regelen, apparatuur huren, een planning maken en overleggen met licht-, geluids- en cameramensen.
3.5.2.
Bij de casting van de dochter van de hoofdpersoon wilde [eiser] graag aansluiten omdat hij nog niet eerder bij de casting van een kinderrol aanwezig was geweest. [gedaagde 1] heeft daarmee ingestemd. De feedback die [gedaagde 1] vervolgens van hem ontving, heeft [eiser] op eigen initiatief gegeven. Deze film was voor [eiser] de eerste bioscoopfilm waar hij bij betrokken was en hij wilde graag meer leren over het regisseren. [eiser] was hierin dus nog erg onervaren.
3.5.3.
Tijdens de draaiperiode leidde [gedaagde 1] de repetities en zat hij achter de monitor als hij zelf niet hoefde te acteren. Hij overlegde dagelijks met onder andere de lichtman, geluidsman en de
director of photography(DoP) over de planning en technische details, zonder betrokkenheid van [eiser] . Zo mailde [gedaagde 1] op 26 april 2023 aan de DoP:
“zie in de bijlage het shotlist voor de komende 12 dagen. Dit zijn richtlijnen, ben benieuwd hoe jij het ziet! Hoe kunnen we dit spannender, filmischer en efficiënter filmen in de rauwe stijl van [film] ? Ik ben geen DOP noch operator, dus daar doe ik beroep op je sterke expertise […]”
3.5.4.
In deze periode ging [eiser] steeds vaker ongevraagd feedback geven, tot onvrede van [gedaagde 1] . Dit was aanleiding voor [gedaagde 1] om op 25 april 2023 [eiser] het volgende spraakbericht te sturen:
“Wat betreft onze samenwerking, daar wil ik ook natuurlijk verder over babbelen. Ik ben echt heel blij dat je aan mijn zijde bent man, ik vind je – soms vind ik het lastig, omdat ik soms het gevoel heb eh, dat je soms wat ruimte kan nemen als assistent-regie om mij te helpen. Soms gaat dat weer té ver, waardoor ik dan moet zegen tegen je van ‘yo bro, het is goed zo, laat mij dit doen’. […] Dan komt het bij mij, voor mijn gevoel soms heel bot eruit, terwijl ik bedoel het helemaal niet zo bot, maar ik wil dit echt zelf doen, voor zover dat kan natuurlijk. Jij helpt me met heel veel dingen waar ik geen verstand van heb, zoals – of weinig verstand van heb – van shots, maar ja, ik wil het zelf regisseren, dat heb ik ook gedaan voor een heel groot deel. In het begin liet ik heel veel los […].En met jou in mijn rug voel ik me sterk, maar laten we daar gewoon over babbelen, want dat het nog een keer duidelijk is van jo hier zet je me echt in mijn kracht. Dat is ook wat je doet […]. Het is natuurlijk jammer dat we dit soort van along the way hebben gevonden, in plaats van eerder, maar ja aldoende leert men […].”
3.5.5.
Tijdens de postproductie vroeg [eiser] meermaals om alvast een vroege versie van de film te mogen zien. [gedaagde 1] wilde dat niet en reageerde op 8 juni 2023:
“ik snap je vraag man, [m]aar ik ga nog niks laten zien man. Ik ben het nu allemaal aan het uitvogelen met [de editor] en dat wil ik dan niet steeds delen met mensen.”
Op een wat latere versie van de film heeft [eiser] op 24 juli 2024 de hierboven aangehaalde feedback gegeven, maar zonder dat [gedaagde 1] daarom had gevraagd.
3.5.6.
Uit dit alles volgt dat [eiser] puur ter ondersteuning van [gedaagde 1] fungeerde. Dit is passend bij de rol van een regieassistent en kwalificeert niet als een gelijkwaardige, leidinggevende coregisseur. Het is ook om die reden dat [eiser] niet op de filmposter stond vermeld en bij de première van de film niet door [gedaagde 1] op het podium is geroepen. Voor andere assistenten en lagere crewleden gold hetzelfde en daar is [eiser] geen uitzondering op.
3.5.7.
[gedaagde 1] heeft als enige een groot financieel risico genomen om de film binnen een zeer krap budget te kunnen verwezenlijken, [eiser] niet. Het ligt daarom voor de hand dat [gedaagde 1] daarvoor betere credits en vermeldingen en een hogere vergoeding krijgt dan [eiser] . De film werd een onverwacht groot succes en [eiser] wil daar nu onevenredig van profiteren.
3.5.8.
Het is niet ongewoon dat een eerste vergoeding voor een filmproductie later wordt aangevuld. Dit heeft te maken met het aanvankelijke budget en de uiteindelijke opbrengsten van de film. In dit geval lagen die erg ver uit elkaar; voor de productie was een heel laag budget beschikbaar en de opbrengsten waren vele malen hoger dan verwacht. Men kon van tevoren niet voorzien dat de film een groot succes zou worden. Op het productiebudget van € 85.000,- is € 1.600,- een redelijke vergoeding om mee te beginnen. Afhankelijk van de opbrengsten wordt dat dan later aangevuld, zoals te doen gebruikelijk.
Standpunten informatieverzoek
3.6.
[eiser] stelt dat hij als maker met een significante bijdrage het recht heeft om jaarlijks geïnformeerd te worden over de exploitatiewijzen en -cijfers van de film (artikel 25ca Aw). [gedaagde 1] heeft te kennen gegeven over deze gegevens te beschikken. Deze informatie heeft [eiser] nodig om de hoogte van zijn vordering in de hoofdzaak beter te kunnen onderbouwen.
3.7.
[gedaagde 1] betwist dat [eiser] inzagerecht heeft en heeft hij al – onverplicht – inzage gekregen. [eiser] is geen significante maker van de film geweest, wat betekent dat hij alleen een inzagerecht heeft ingeval hij aanspraak kan maken op een bestsellervergoeding (artikel 25ca lid 3 jo. 25d Aw). Mocht dat al het geval zijn, dan strekt de wettelijke transparantieplicht niet zo ver als [eiser] stelt: hij heeft geen recht op inzage in
allefinanciële informatie, omdat deze deels concurrentie- en bedrijfsgevoelig is.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling in de hoofdzaak en in het incident

Afspraken tussen partijen
4.1.
Uit de medewerkersverklaring van 8 februari 2023 (zie 2.3) volgt dat partijen ( [eiser] en [gedaagde 1] ) aanvankelijk zijn overeengekomen dat [eiser] als regieassistent zou meewerken aan de film, tegen betaling van een vergoeding van € 1.600,-. [gedaagde 1] is van mening dat dit de afspraken zijn waar partijen zich aan moeten houden. [eiser] heeft er dus mee ingestemd om als regieassistent te werken, niet als coregisseur. Volgens [eiser] is zijn bijdrage gaandeweg veranderd en is hij niet meer als regieassistent te kwalificeren.
4.2.
Het enkele feit dat [eiser] heeft getekend voor een rol als regieassistent, neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat dit gaandeweg de uitvoering van de overeenkomst een andere richting op kan gaan. Al tijdens het draaien van de film hebben partijen gesproken over de werkzaamheden van [eiser] . Uit het bericht van [gedaagde 1] aan [eiser] van 25 april 2023 (zie 3.5.4) blijkt dat [gedaagde 1] erkent dat de rol van [eiser] gaandeweg is veranderd en dat hun samenwerking intensiever is geworden dan aanvankelijk voorzien. Dit betekent nog niet dat [eiser] dus als coregisseur heeft gewerkt, maar [gedaagde 1] kan de vorderingen van [eiser] met enkel een beroep op de medewerkersverklaring niet afwenden.
4.3.
[gedaagde 1] stelt voorts dat [eiser] in ieder geval geen vorderingen heeft op hem in privé, omdat hij zijn onderneming (de eenmanszaak [eenmanszaak] ) heeft ingebracht in zijn vennootschap [gedaagde 2] . [eiser] heeft dit vervolgens niet (gemotiveerd) weersproken, zodat de vorderingen op [gedaagde 1] in privé uiteindelijk in ieder geval zullen worden afgewezen.
Beoordelingskader Auteurswet
4.4.
Partijen zijn het erover eens dat [eiser] een creatieve bijdrage aan de film heeft geleverd waarmee hij een maker is in de zin van de Auteurswet. De discussie tussen partijen in de hoofdzaak ziet echter op de vragen (i) hoe deze bijdrage moet worden gekwalificeerd en (ii) welke vergoeding hiertegenover moet staan. Voorts ligt de vraag voor of [gedaagde 1] de nodige informatie aan [eiser] moet geven met betrekking tot de exploitatie en opbrengsten van de film. Als eiser rust op [eiser] de stelplicht en bewijslast dat zijn bijdrage hem tot coregisseur maakt in plaats van regieassistent, dat hij recht heeft op een hogere vergoeding en recht heeft op inzage in de benodigde informatie. Hieronder volgt eerst het relevante toetsingskader. Vervolgens wordt onder 4.5 verder ingegaan op het partijdebat.
Artikel 45e sub a Aw: persoonlijkheidsrechten
4.4.1.
Artikel 45e sub a Aw bepaalt dat een maker van een film recht heeft op vermelding van zijn naam en zijn hoedanigheid of bijdrage aan de film op een daarvoor gebruikelijke plaats, zoals de aftiteling, de
intro credits, de filmposter en IMDb. Een schending van dit persoonlijkheidsrecht levert in beginsel een onrechtmatig handelen op.
Artikel 25c lid 1 en 45d lid 1 Aw: billijke vergoeding
4.4.2.
Op grond van artikel 25c lid 1 jo. 45d lid 1 Aw – in lijn met artikel 18 lid 1 DSM Pro-richtlijn (EU 2019/790) – heeft iedere maker die betrokken is bij de totstandkoming van een film recht op een billijke vergoeding voor diens werkzaamheden. Vaak betaalt de producent –
in casu[gedaagde 2] – deze vergoeding omdat zij de exploitatierechten via licentie of overdracht verkrijgt van de maker. Deze billijke vergoeding kan bestaan uit een vooraf te ontvangen honorarium, plus een draaidagvergoeding bestaande uit een percentage van het productiebudget. Partijen kunnen in plaats daarvan ook één forfaitaire lumpsumvergoeding overeenkomen.
4.4.3.
Het voordeel van een vooraf te ontvangen vergoeding houdt in dat de maker dit bedrag hoe dan ook krijgt, ongeacht de opbrengsten van de film. Het risico dat de film geen succes is, ligt daarmee bij de producent in plaats van bij de maker.
4.4.4.
Bij de toets of een vergoeding billijk is, zijn alle omstandigheden van het geval relevant. Factoren die daarbij een rol spelen zijn de hoogte van het productiebudget, de bijdrage van de maker bij het productieproces, diens ervaring met en kennis van dergelijke producties en de bijdrage van de maker aan de exploitatie en promotie van de film. [1]
Artikel 25d lid 1 jo. 45d lid 7 Aw: aanvullende vergoeding
4.4.5.
Indien grote onevenredigheid bestaat tussen de aanvankelijk overeengekomen vergoeding en de opbrengsten van de exploitatie van de film, kan een maker op grond van artikel 25d lid 1 jo. 45d lid 7 Aw een aanvullende vergoeding vorderen, meestal bestaande uit een percentuele aanspraak op de netto-opbrengsten. Deze bepaling heet ook wel de ‘bestsellerbepaling’, vernoemd naar boeken die onverwachts een groot succes werden. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de onderhavige film een onverwacht groot succes is geworden, terwijl het productiebudget zeer laag was.
4.4.6.
Een belangrijk verschil bij het beoordelen van de hoogte van de initiële vergoeding en de eventuele aanvullende vergoeding is het toetsingsmoment.
4.4.7.
Bij het beantwoorden van de vraag of de initiële vergoeding billijk is in de zin van artikel 25c Aw, moet worden gekeken naar de situatie op het moment dat de vergoeding is overeengekomen (
ex tunc). Bij het beantwoorden van de vraag of een maker recht heeft op een aanvullende vergoeding op de voet van artikel 25d Aw, moet juist worden gekeken naar de situatie zoals die nu is (
ex nunc). [2]
Artikel 25ca Aw: informatieverplichting
4.4.8.
Artikel 25ca Aw geeft een informatieverplichting aan de exploitant jegens de maker. Deze verplichting houdt in dat de maker jaarlijks inzage krijgt in de exploitatie van het werk, waaronder de exploitatiewijzen, de gegenereerde inkomsten en de verschuldigde vergoeding. Deze informatie dient actueel, relevant en volledig te zijn (lid 1). Lid 3 bevat een uitzondering op deze informatieverplichting: deze geldt namelijk niet ten aanzien van een maker wiens aandeel in de totstandkoming van de film niet significant was. Op deze uitzondering bevat lid 3 weer een uitzondering, namelijk voor een maker die een beroep doet op een bestsellervergoeding op grond van artikel 25d Aw. In dat geval geldt de informatieverplichting van de exploitant wel (ongeacht de omvang van de bijdrage van de maker).
Begrippen ‘coregisseur’ en ‘regieassistent’ zijn niet vastomlijnd
4.5.
De wetgeving geeft geen aanknopingspunten om op basis daarvan een definitie vast te kunnen stellen. Partijen nemen verschillende standpunten in ter omschrijving van hun definitie van de begrippen ‘coregisseur’ en ‘regieassistent’. Daarbij halen zij allebei bronnen aan uit de filmindustrie, waardoor de rechtbank constateert dat deze begrippen binnen de industrie niet vastomlijnd zijn.
Standpunt [eiser]
4.5.1.
verwijst hoofdzakelijk naar het eerder genoemde Opdracht Kompas; volgens de definitie aldaar heeft een regisseur de creatieve eindverantwoordelijkheid en een sturende rol bij de totstandkoming van de film. Daarbij hoort dat de regisseur inhoudelijke en creatieve sturing geeft aan alle departementen en veel contact heeft met personen van binnen en buiten de productie. Het Opdracht Kompas beschrijft ook de taken van een regieassistent: deze heeft een coördinerende rol bij de opzet en uitvoering van de logistiek en planning van de productie. Hij of zij kan werkzaamheden delegeren en controleren, is op de hoogte van ontwikkelingen bij de departementen en heeft regelmatig contact met deze departementen.
4.5.2.
Zoals hiervoor onder 3.2 nader uiteengezet is [eiser] van mening dat hij als coregisseur werkzaam was om de volgende redenen: hij was betrokken bij de preproductie, de draaidagen en de postproductie. Vooral bij de draaidagen nam hij veel regie voor zijn rekening omdat de aandacht van [gedaagde 1] met name uitging naar zijn eigen acteerwerk. Partijen werkten op een gelijkwaardige manier samen en [eiser] overlegde veelvuldig met andere leden van de cast en crew. [eiser] heeft bovendien zelfstandig twee scènes geregisseerd en regie gehad over het schieten van dronebeelden. Verder was [eiser] betrokken bij audities en bij de postproductie, aldus steeds [eiser] .
Standpunt [gedaagde 1]
4.5.3.
[gedaagde 1] betwist grotendeels niet dat [eiser] de werkzaamheden heeft uitgevoerd zoals hij heeft gesteld. [gedaagde 1] kwalificeert dit echter als werkzaamheden van een regieassistent, niet van een (co)regisseur. Hij verwijst ter onderbouwing naar het eerder genoemde boek
De Filmproducenten verklaringen van enkele ervaren regisseurs en regieassistenten. Volgens [gedaagde 1] komt daaruit naar voren dat een regisseur de artistieke verantwoordelijkheid draagt en zijn persoonlijke stempel op de creatieve uitvoering van de film drukt. Daarbij is hij constant in overleg met alle betrokken departementen. De keuze voor de acteurs ligt bij de regisseur. Als het team compleet is, bezoekt de regisseur locaties, stelt shotlijsten op met de DoP, bespreekt het budget met de uitvoerend producer en maakt de opnameplanning met de opnameleider. Tijdens de draaidagen heeft de regisseur de artistieke leiding op de set en overlegt voortdurend met cast en crew. Tijdens de postproductie is de regisseur verantwoordelijk voor de montage van de film, wat vooral in overleg met de editor en
sound designergebeurt. De regisseur wordt vaak bijgestaan door een opnameleider(s) en regieassistent(en). De opnameleider is betrokken vanuit de productionele hoek en de regieassistent vanuit de artistieke hoek. De regieassistent is betrokken bij de preproductie – namelijk bij de repetities en soms ook bij casting – en bij de draaiperiode. Hij of zij is de directe assistent van de regisseur en ondersteunt zowel inhoudelijk als organisatorisch. Bij de preproductie denk de regieassistent bijvoorbeeld mee over het script, maakt afspraken met departementshoofden en notuleert vergaderingen. Tijdens de opnames bewaakt hij de visie van de regisseur, stelt vragen en stuurt bij, stelt dagrapporten op voor de
editoren lost kleine problemen zelfstandig op. Bij de postproductie is hij niet betrokken.
4.5.4.
Het verschil zit volgens [gedaagde 1] vooral in de verantwoordelijkheid en hiërarchie. De enige verantwoording die de regisseur aflegt is naar de producent. Een regieassistent legt verantwoording af aan de regisseur. Hij levert wel creatieve input, maar heeft hoofdzakelijk een uitvoerende taak. Het zwaartepunt van deze taak ligt bij de draaidagen en volgens [gedaagde 1] geldt dat ook voor [eiser] bijdrage aan de productie. Hij was nauwelijks betrokken bij de pre- en postproductie en had, zoals onder 3.4 toegelicht, een ondersteunende en uitvoerende taak tijdens de opnames, aldus steeds [gedaagde 1] .
Tussenconclusie
4.5.5.
Gelet op de bronnen die partijen aanhalen valt het de rechtbank op dat zowel een regisseur als een regieassistent inhoudelijk en coördinerend betrokken is. De overgang van de ondersteunende rol van een regieassistent naar de artistieke eindverantwoordelijkheid van een regisseur lijkt een glijdende schaal zonder duidelijk kantelpunt. Om te kunnen beoordelen of [eiser] bijdrage geldt als die van een coregisseur of van een regieassistent moet meer duidelijkheid komen over het onderscheid tussen die twee.
4.5.6.
Toch merkt de rechtbank reeds op dat, gelet op hetgeen partijen naar voren hebben gebracht – en met name ook de definitie van een (co)regisseur die [eiser] zelf tot uitgangspunt neemt –, de indruk bestaat dat [eiser] niet als een aan [gedaagde 1] gelijkwaardige coregisseur heeft gewerkt. Vooral de artistieke eindverantwoordelijkheid en de intensieve betrokkenheid bij de pre- en postproductie die vereist lijken om van (co)regie te kunnen spreken, komen uit de stukken onvoldoende naar voren. De rechtbank is zich er echter van bewust dat meer specifieke kennis van de filmindustrie nodig is om hier een eindoordeel over te kunnen vellen en heeft behoefte aan deskundige voorlichting op dit punt.
Hoogte vergoedingen evenmin vastomlijnd
4.6.
Hoewel partijen het erover eens zijn dat [eiser] recht heeft op een billijke vergoeding, twisten zij over wat ‘billijk’ is. [gedaagde 1] meent dat de vergoeding zoals [eiser] die nu vordert, onredelijk hoog is.
4.7.
[eiser] stelt dat voor regisseurswerkzaamheden € 1.000,- per dag een billijk honorarium is. Voor alle 28 draaidagen komt hij dan uit op een honorarium van € 28.000,-. Dit honorarium moet worden aangevuld met een draaidagvergoeding van tussen de 2 en 5% van het productiebudget. Op het totale productiebudget van € 160.000,- komt dit neer op € 8.000,-. Deze bedragen zijn volgens [eiser] nog erg laag begroot en vallen veelal aanzienlijk hoger uit. De aanvullende bestsellervergoeding moet volgens [eiser] voor een coregisseur 5% van de netto-opbrengst bedragen. Op een geschatte opbrengst van € 1.507.579,71 komt hij uit op € 75.378,99. Ter onderbouwing verwijst [eiser] naar het boek
Transparantie over exploitatiecontractenvan mr. De Zwaan.
4.8.
[gedaagde 1] gaat uit van andere bedragen en percentages. Een honorarium van € 1.000.- per dag is volgens hem onrealistisch om te vragen als je nog geen vergelijkbare werkervaring hebt zoals in [eiser] geval; dit was de eerste bioscoopfilm waaraan hij meewerkte. Gelet op het zeer kleine productiebudget van € 85.837,67 gaat [eiser] uit van veel te hoge bedragen. [eiser] heeft bijna 2% van dit bedrag ontvangen als vergoeding (€ 1.600,-), wat gelet op het grote aantal betrokkenen en de beperkte bijdrage van [eiser] billijk is. Dit bedrag is ook conform de tussen partijen gemaakte afspraken. Op de later aangeboden aanvullende vergoeding van € 10.000,- is [eiser] niet ingegaan. Voor een beginnend maker als [eiser] is een vergoeding van in totaal € 11.600,- voor vijf à zes weken werk heel redelijk.
Tussenconclusie
4.9.
Het wettelijk kader biedt geen handvatten voor een berekening van of normering voor een billijke vergoeding en een aanvullende vergoeding. De wetgever heeft dit overgelaten aan de rechter. De rechter zal moeten kijken naar hetgeen in de branche gebruikelijk is. De door partijen aangedragen onderbouwing en stellingen over wat in de branche gebruikelijk is, lopen sterk uiteen. Ook. De jurisprudentie die volgens de wetgever voor concretisering zal zorgen van de begrippen en normen uit de wet is er (nog) niet. [3] De omstandigheden die relevant zijn bij de toepassing van artikel 25c Aw zijn (nog) op geen enkele manier geconcretiseerd. Ook over de hoogte van de eventuele aanvullende billijke vergoeding van artikel 25d Aw is op basis van de parlementaire totstandkoming en de DSM-richtlijn weinig te zeggen. Aldus constateert de rechtbank dat zij onvoldoende aanknopingspunten heeft om te kunnen beoordelen of [eiser] recht heeft op een hogere vergoeding voor zijn geleverde bijdrage, en zo ja, hoe hoog die vergoeding moet zijn.
Informatieverzoek
4.10.
[eiser] vraagt exploitatiegegevens op om de hoogte van zijn vergoeding te kunnen berekenen. Blijkens artikel 25ca lid 3 Aw heeft hij hier recht op als hij vraagt om een aanvullende vergoeding als bedoeld in artikel 25d Aw, ongeacht de significantie van zijn aandeel. Doordat [gedaagde 1] [eiser] eerder al een aanvullende vergoeding van € 10.000,- heeft aangeboden, heeft [gedaagde 1] daarmee erkend dat [eiser] inderdaad recht heeft op een aanvullende vergoeding. [eiser] heeft dan ook in beginsel recht op de benodigde informatie over de exploitatie.
Voorgenomen deskundigenbericht
4.11.
Zoals reeds overwogen rust op [eiser] de stelplicht en bewijslast. Het is aan hem om nader bewijs te leveren op de geschilpunten die hierboven zijn behandeld. Voor zowel het geschilpunt over de kwalificatievermelding als het geschilpunt over de vergoeding geldt dat de door partijen aangehaalde bronnen vanuit de filmindustrie komen en onvoldoende duidelijkheid bieden om op dit punt in de procedure tot een oordeel te kunnen komen. De rechtbank heeft dan ook behoefte aan deskundige voorlichting en is van plan drie deskundigen te benoemen. Omdat de bewijslast op [eiser] rust, zal hij het voorschot van het salaris van de deskundige(n) moeten betalen. De voorkeur van de rechtbank gaat uit naar drie deskundigen, van wie één een juridische achtergrond heeft en twee vanuit de filmindustrie komen. Een juridisch deskundige die door beide partijen is genoemd, is prof. mr. D.J.G. Visser. De rechtbank heeft mr. Visser al benaderd en hij is bereid en in staat om als deskundige op te treden. De rechtbank stelt voor om hem als voorzitter te benoemen, aangevuld met twee deskundigen vanuit het werkveld. Dit voorstel wordt gesteund door mr. Visser. Partijen zullen de gelegenheid krijgen om – bij voorkeur in onderling overleg – enkele andere deskundigen (met CV) aan te dragen die hen geschikt lijken. De rechtbank is voornemens de volgende vragen aan de deskundigen voor te leggen. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld wijzigingen en aanvullende vragen voor te stellen:
Hoe moet de billijke vergoeding van artikel 25c Aw worden bepaald?
Wat zijn de elementen die relevant zijn om die billijke vergoeding te bepalen?
Is de overeengekomen vergoeding van € 1.600 (lumpsum) in dit geval een billijke vergoeding voor de werkzaamheden die [eiser] heeft verricht?
Hoe moet de aanvullende billijke vergoeding van artikel 25d Aw worden bepaald?
Wat zijn de elementen die relevant zijn om die billijke vergoeding te bepalen?
Welke financiële informatie over de exploitatie(resultaten) van de film zijn nodig om de hoogte van deze vergoeding te kunnen bepalen?
Welke aanvullende billijke vergoeding is in dit geval redelijk voor [eiser] ?
8. Wat houdt de functie van regieassistent in?
9. Wat houdt de functie van coregisseur in?
10. Hoe verhoudt een coregisseur zich tot de andere (co)regisseur?
a. Is er een hiërarchie tussen deze twee of is dat niet noodzakelijkerwijs het geval?
Indien 10a ontkennend wordt beantwoord:
b. hoe functioneren twee coregisseurs dan naast elkaar?
c. wie draagt dan de eindverantwoordelijkheid?
11. Hoe ziet de verhouding tussen producent en regisseur in het algemeen eruit, en in het bijzonder in dit geval waarin [gedaagde 1] beide rollen vervult?
11. Wat is de rol van een (co)regisseur tijdens de pre- en postproductie?
11. De werkzaamheden van [eiser] in ogenschouw nemend (waarbij de Excel-sheet die als prod. 88 is overgelegd tot uitgangspunt kan dienen), zou u zijn rol kwalificeren als regieassistent of als coregisseur?
11. Betekent dit dat [eiser] als coregisseur moet worden vermeld op de
intro credits, aftiteling en IMDb?
Verdere verloop van de procedure
4.12.
Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld bij akte te reageren op het voornemen van de rechtbank om deskundigen te benoemen. Zij kunnen, waar mogelijk in onderling overleg, zelf deskundigen aandragen en reageren op de hierboven geformuleerde vragen. Indien gewenst kunnen ze ook nieuwe vragen aandragen.
4.13.
De zaak wordt naar de rol verwezen voor een akte van partijen zoals hiervoor bedoeld. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Vooralsnog gaat de rechtbank ervan uit dat de deskundigen de stukken die nodig zijn om de hoogte van de billijke en aanvullende billijke vergoeding te bepalen zullen opvragen bij partijen en dat deze ook aan de deskundigen ter beschikking zullen (moeten) worden gesteld. Het vonnis waarin de deskundigen zullen worden benoemd, zal daarin voorzien.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
18 februari 2026voor het nemen van een akte door beide partijen over wat is vermeld onder 4.11,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.

Voetnoten

1.D.J.G. Visser (red.),
3.NV II,