ECLI:NL:RBAMS:2026:1739

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
11825752
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering afgewezen wegens ontbreken overeenkomst met eenmanszaak

Eiser, werkzaam in de bouwsector en bestuurder van een BV en een eenmanszaak, vorderde betaling van facturen die hij aan DCV had gestuurd. DCV had eerder een overeenkomst met de BV, maar eiser stelde dat de werkzaamheden in december 2024 via zijn eenmanszaak waren verricht en betaling daarop had moeten plaatsvinden.

DCV betwistte dat zij op de hoogte was van de wijziging en mocht volgens de rechtbank vertrouwen op de bestaande overeenkomst met de BV. Eiser had onvoldoende onderbouwd dat DCV tijdig was geïnformeerd over de nieuwe contractspartij. De mededeling over een gewijzigd rekeningnummer en het gebruik van een ander logo en e-mailadres waren onvoldoende om DCV te laten vermoeden dat het om een andere onderneming ging.

De rechtbank oordeelde dat DCV terecht het bedrag op de rekening van de BV had gestort en wees de vordering af. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten, die hij binnen veertien dagen moest voldoen, vermeerderd met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.

Uitkomst: De vordering tot betaling van facturen wordt afgewezen omdat DCV mocht vertrouwen op de overeenkomst met het voormalig bedrijf van eiser.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11825752 \ CV EXPL 25-10625
Vonnis van 20 februari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M. van Zijtveld,
tegen
DCV BOUW B.V.,
te Abcoude,
gedaagde partij,
hierna te noemen: DCV,
gemachtigde: mr. M.G. Sträter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 augustus 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- het tussenvonnis van 16 oktober 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 28 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, de aanvullende productie van [eiser] en de spreekaantekeningen van DCV en [eiser] , die aan het dossier zijn toegevoegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is werkzaam in de bouwsector. [eiser] is medebestuurder en -aandeelhouder van [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). Ook heeft [eiser] een eenmanszaak genaamd [naam eenmanszaak] (hierna: [naam eenmanszaak] ).
2.2.
DCV is een bouwbedrijf. Op 3 februari 2023 hebben DCV en [bedrijf] een overeenkomst gesloten, op basis waarvan [bedrijf] doorlopend werkzaamheden heeft uitgevoerd voor DCV. Die overeenkomst is getekend door [eiser] .
2.3.
Nadat DCV in februari 2024 een factuur van [bedrijf] heeft betaald, voert [eiser] een periode geen werkzaamheden uit in opdracht van DCV. In december 2024 komen partijen weer met elkaar in contact voor het uitvoeren van nieuwe werkzaamheden in opdracht van DCV. Na het uitvoeren van die werkzaamheden stuurt [eiser] negen facturen naar DCV. De eerste twee facturen van 28 december 2024 bedragen samen € 10.080,00. In de begeleidende e-mail schrijft [eiser] : “Let op: onze rekeningnummer is gewijzigd”. Bij de e-mail zijn de twee facturen gevoegd en de overeenkomst van 3 februari 2023 tussen [bedrijf] en DCV.
2.4.
Op 29 januari 2025 neemt [eiser] contact op met DCV en hij geeft aan dat het geld niet op de rekening van [bedrijf] gestort moest worden, maar op het rekeningnummer van zijn eenmanszaak [naam eenmanszaak] . [eiser] heeft namelijk een conflict met zijn mede-bestuurder en -aandeelhouder van [bedrijf] , waardoor hij geen toegang meer heeft tot de bankrekening van [bedrijf] . DCV stuurt daarna een e-mail aan [eiser] , waarin zij schrijft dat zij de betalingen op de rekening van [bedrijf] niet kan terughalen en dat de betalingen van de overige zeven facturen zullen plaatsvinden op de rekening van [naam eenmanszaak] .
2.5.
Tot op heden staat het bedrag van € 10.080,00 op de rekening van [bedrijf] .

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van DCV tot betaling van € 10.080,00, vermeerderd met wettelijke handelsrente en (buitengerechtelijke) kosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat er een overeenkomst bestaat tussen zijn eenmanszaak [naam eenmanszaak] en DCV voor het uitvoeren van de werkzaamheden in december 2024. De betaling moest daarom ook op de rekening van [naam eenmanszaak] , en niet op de rekening van [bedrijf] plaatsvinden. Op de factuur staat de naam van [naam eenmanszaak] vermeld en in de begeleidende e-mail heeft [eiser] duidelijk gemaakt dat het geld overgemaakt moet worden op een nieuw rekeningnummer. Door een administratieve fout van DCV, staat het geld nu op de verkeerde rekening.
3.3.
DCV voert verweer. Volgens DCV had zij geen overeenkomst met [naam eenmanszaak] , maar met [bedrijf] . Daar mocht DCV op vertrouwen, omdat zij al langere tijd zaken deed met [eiser] , die [bedrijf] vertegenwoordigde. Dat [eiser] in december 2024 opeens een andere onderneming vertegenwoordigde, namelijk [naam eenmanszaak] , kon en hoefde DCV niet weten, aldus DCV.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vraag die in deze zaak voorligt, is wie de contractspartij van DCV is geworden ten aanzien van de werkzaamheden die [eiser] in december 2024 heeft uitgevoerd voor DCV.
4.2.
Het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst is afhankelijk van hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort tevens de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn. [1]
4.3.
De kantonrechter oordeelt dat DCV een overeenkomst met [bedrijf] had en overweegt daartoe als volgt. Partijen hebben in december 2024 telefonisch contact gehad over het uitvoeren van werkzaamheden in opdracht van DCV. [eiser] stelt dat hij toen heeft medegedeeld dat hij de werkzaamheden zou uitvoeren vanuit zijn eenmanszaak en niet langer vanuit [bedrijf] , vanwege het conflict dat [eiser] daar heeft met de mede-bestuurder. DCV betwist dat haar dit is medegedeeld. Volgens DCV heeft [eiser] op 29 januari 2025 voor het eerst medegedeeld dat de werkzaamheden verricht waren vanuit [naam eenmanszaak] en dat de facturen betaald moesten worden op de rekening van [naam eenmanszaak] . Dat wordt onderbouwd door haar reactie per e-mail van diezelfde dag waarin zij vraagt om een recente KvK te mailen en mededeelt dat zij de volgende betalingen op de rekening van [naam eenmanszaak] zal voldoen, maar dat de betaling van de eerste twee facturen niet teruggehaald kan worden. Na deze betwisting van DCV, heeft [eiser] niet verder onderbouwd dat DCV wel voor 29 januari 2025 op de hoogte was van het feit dat [eiser] de werkzaamheden niet namens [bedrijf] maar namens [naam eenmanszaak] zou uitvoeren.
4.4.
Gelet op het feit dat partijen al eerder in 2023 en 2024 met elkaar samenwerkten, waarbij [eiser] [bedrijf] vertegenwoordigde, mocht DCV er op vertrouwen dat [eiser] in december 2024 ook handelde vanuit [bedrijf] , nu niet is vast komen te staan dat [eiser] DCV heeft geïnformeerd dat deze werkzaamheden vanuit [naam eenmanszaak] zouden worden verricht. Dat [eiser] de indruk heeft gewekt dat hij nog steeds [bedrijf] vertegenwoordigde en dat DCV daarop mocht vertrouwen, wordt verder onderbouwd door het feit dat [eiser] bij de facturen de oude overeenkomst van 3 februari 2023 tussen DCV en [bedrijf] heeft meegestuurd.
4.5.
Het feit dat [eiser] bij verzending van de facturen in de begeleidende e-mail heeft vermeld “Let op: onze rekeningnummer is gewijzigd”, doet hier niet aan af. Daaruit had DCV niet hoeven afleiden dat zij zaken deed met een andere onderneming dan waar zij gebruikelijk zaken mee deed. Een dergelijke waarschuwing kan namelijk net zo goed afkomstig zijn van [bedrijf] in het geval er bij [bedrijf] intern een rekeningwijziging had plaatsgevonden.
4.6.
Ook het feit dat de facturen een ander logo hebben en vanaf een ander e-mailadres werden verstuurd, verandert dit oordeel niet. De logo’s en e-mailadressen lijken zo veel op elkaar, dat het begrijpelijk is dat DCV daarin niet direct een verschil heeft gezien en in de veronderstelling bleef dat de werkzaamheden uitgevoerd werden door [bedrijf] .
4.7.
Tot slot heeft [eiser] aangevoerd dat het aan DCV is om de facturen goed te controleren en, als dat nodig is, vragen te stellen aan de onderneming van wie de facturen afkomstig zijn. Omdat DCV de facturen van [eiser] niet goed heeft gecontroleerd, heeft zij de bedragen overgemaakt op het verkeerde rekeningnummer, waarvan [eiser] nu nadeel ondervindt, aldus [eiser] . Ook deze stelling wordt niet gevolgd. Gelet op het voorgaande, mocht DCV erop vertrouwen dat de werkzaamheden werden uitgevoerd door [bedrijf] , waardoor er geen aanleiding was om het rekeningnummer op de factuur strikt te controleren. DCV heeft de bedragen zoals daarvoor gebruikelijk overgemaakt op de rekening van [bedrijf] en zij mocht erop vertrouwen dat zij daarmee het geld overmaakte op de juiste rekening.
Proceskosten
4.8.
DCV vordert de werkelijke proceskosten. Die vordering wordt afgewezen. Een volledige proceskostenveroordeling is alleen denkbaar in buitengewone omstandigheden, waarbij gedacht dient te worden aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Van dergelijk misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Van dergelijke buitengewone omstandigheden is in dit geval niet gebleken. DCV heeft onvoldoende onderbouwd dat de vordering van [eiser] evident ongegrond is en geen kans van slagen had, dan wel gebaseerd was op feiten of omstandigheden waarvan [eiser] de onjuistheid kende.
4.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DCV worden begroot op:
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.008,00
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.

Voetnoten

1.HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615.