ECLI:NL:RBAMS:2026:1780

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
13/158919-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging doodslag met houten balk en vernieling looptelefoon

Op 20 mei 2025 sloeg verdachte een man met een houten balk op het hoofd in Amsterdam-Oost, wat leidde tot ernstig hersenletsel bij het slachtoffer. Verdachte werd vervolgd voor poging tot doodslag en vernieling van een looptelefoon in een cellencomplex op 21 mei 2025.

De rechtbank oordeelde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, gezien de zwaaiende beweging met een zwaar voorwerp gericht op het hoofd, en wees het beroep op noodweerexces af. Deskundigen concludeerden dat verdachte leed aan een psychotische stoornis, wat leidde tot verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 18 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals ambulante behandeling en meldplicht bij de reclassering. Daarnaast werd de houten balk verbeurd verklaard en werd verdachte veroordeeld tot schadevergoeding van in totaal €8.825,- aan het slachtoffer, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk voor poging tot doodslag en vernieling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/158919-25
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] , [woonplaats] ,
momenteel gedetineerd in het [naam Justitieel Complex] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B.C.M. Sprenger, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] , bijgestaan door mr. V.H. Hammerstein.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - samengevat - tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
1. poging tot doodslag van [benadeelde partij] door deze met een houten balk tegen zijn hoofd te slaan op 20 mei 2025 te Amsterdam. Het feit is subsidiair tenlastegelegd als een zware mishandeling en meer subsidiair als poging tot zware mishandeling.
2. vernieling van een looptelefoon in [naam cellencomplex] op 21 mei 2025 te Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van poging tot doodslag en vernieling. Verdachte heeft voorwaardelijk opzet gehad op de dood van [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ). Gelet op het formaat en het gewicht van de balk was dit voorwerp geschikt om dodelijk letsel te veroorzaken. Verdachte heeft een zwaaiende beweging gemaakt richting het meest vitale lichaamsdeel van aangever. Aangever is door de klap direct bewusteloos neergevallen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat verdachte met kracht aangever heeft geslagen en de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zou komen te overlijden.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag, omdat niet kan worden vastgesteld dat door het slaan met de houten balk een aanmerkelijke kans op de dood bestond en dat verdachte deze kans, als die al zou hebben bestaan, heeft aanvaard.
Ten aanzien van feit 2 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Het oordeel ten aanzien van feit 1
Feiten en omstandigheden
Op grond van het dossier stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 20 mei 2025 hebben verdachte en [benadeelde partij] een discussie in de supermarkt waar verdachte op dat moment aan het werk is. Op de beelden is te zien dat er even later aan de voorkant van de supermarkt tussen hen een confrontatie is, waarbij zij door anderen gelijk uit elkaar worden gehaald. [benadeelde partij] fietst vervolgens naar een andere supermarkt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij na ongeveer vijf of tien minuten achter [benadeelde partij] aan is gegaan. Verdachte ziet op straat een houten balk liggen, pakt deze en slaat hiermee op het hoofd van [benadeelde partij] . Op de beelden is te zien dat [benadeelde partij] door de klap voorover op de grond neervalt. Getuige [naam getuige] verklaart dat zij zag dat een man met een houten staaf in zijn hand zijn loop versnelt en een zwaaiende beweging maakt richting het achterhoofd van de andere man. In het ziekenhuis wordt geconstateerd dat [benadeelde partij] twee bloedingen in zijn hersenen heeft en letsel aan zijn neus heeft opgelopen. De houten balk is in beslag genomen, waarbij is vastgesteld dat deze een gewicht heeft van 1,2 kilogram.
Kwalificatie poging tot doodslag
De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat de geweldshandelingen kunnen worden aangemerkt als poging tot doodslag. Zij overweegt hiertoe als volgt.
Voor de bewezenverklaring van een poging tot doodslag moet worden bewezen dat verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer. Verdachte heeft ontkend dat het zijn bedoeling was om aangever van het leven te beroven. Het dossier bevat geen aanwijzingen die het tegendeel doen vermoeden. Er kan daarom niet worden vastgesteld dat er sprake was zogenaamd ‘vol opzet’ op de dood.
Om vast te stellen dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer, moet worden vastgesteld dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangever zou komen te overlijden en dat verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard.
Uit de verklaring van getuige [naam getuige] en de camerabeelden volgt dat verdachte met de houten balk in zijn hand op aangever is afgerend en met een zwaaiende beweging aangever op zijn hoofd heeft geraakt. Dit terwijl de houten balk een gewicht heeft van meer dan één kilogram. Aangever heeft zich hiertegen met geen mogelijkheid kunnen verweren, is hierdoor direct voorover op de grond gevallen en buiten bewustzijn geraakt. Hierbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat aangever een fors gebouwde man is. Om een fors gebouwde grote man te doen vallen moet het een krachtige uithaal met de houten balk zijn geweest. Op basis van deze factoren en het letsel dat aangever heeft opgelopen stelt de rechtbank vast dat verdachte met een aanzienlijke kracht het hoofd van aangever heeft geraakt. Het hoofd is een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam, met vitale levensfuncties. Onder deze omstandigheden levert het slaan tegen het hoofd met een meer dan een kilogram zware balk een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer op. Door zijn handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever zou komen te overlijden en heeft deze kans dan ook aanvaard. De rechtbank acht bewezen dat verdachte door met een houten balk te slaan tegen het hoofd van aangever, zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
3.3.2.
Het oordeel ten aanzien van feit 2
De rechtbank is van oordeel dat de vernieling kan worden bewezen, gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de aangifte.
Omdat verdachte het feit heeft bekend en de raadsman hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit kan op grond van artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1. op 20 mei 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een (zwaar) voorwerp, te weten een houten balk, met kracht tegen het hoofd van die [benadeelde partij] heeft geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. op 21 mei 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een looptelefoon, die aan [naam cellencomplex] toebehoorde heeft vernield.

5.De strafbaarheid van het feit en verdachte

5.1.
Noodweerexces
5.1.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat voor feit 1 een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, omdat verdachte door aangever is uitgescholden en zijn jas door aangever is vernield. Gelet hierop was er sprake van een noodweersituatie. Verdachte heeft zich vervolgens verdedigd nadat de situatie al was geëindigd. Zijn handelen is veroorzaakt door de hevige gemoedsbeweging (mede) als gevolg van de wederrechtelijke aanranding. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van putatief noodweer, omdat verdachte kampt met psychotische klachten en zich verontschuldigbaar heeft ingebeeld dat sprake was van een dreigend gevaar.
5.1.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweerexces dan wel putatief noodweerexces niet kan slagen, omdat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Niet kan worden vastgesteld wie de jas van verdachte heeft stuk gemaakt. Zelfs indien zou komen vast te staan dat de aangever de jas van verdachte heeft vernield, rechtvaardigt dit niet het achtervolgen van de aangever, temeer gelet op de omstandigheid dat de vermeende aanval al lang was beëindigd.
5.1.3.
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van de aangever niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf of goed van aangever, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte en aangever ruzie hadden. Op de beelden is dan ook duidelijk te zien dat zij boos op elkaar zijn. Echter op het moment dat verdachte besluit achter aangever aan te gaan zijn ten minste ruim vijf minuten verstreken, aangezien aangever was weggefietst. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Zijn gedraging is in de kern als aanvallend te kwalificeren. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen. Nu niet aannemelijk is geworden dat op enig moment sprake is geweest van een noodweersituatie, wordt reeds om die reden het beroep op noodweerexces eveneens afgewezen. Ten slotte is evenmin is aannemelijk geworden dat verdachte in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat hij zich moest verdedigen tegen een dreiging van aangever, zodat ook het beroep op putatief noodweerexces wordt afgewezen.
Het onder 1 bewezenverklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Ook is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
5.2.
Het advies van de deskundige omtrent de strafbaarheid van verdachte
De rechtbank moet verder de vraag beantwoorden in hoeverre de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend. Verschillende deskundigen hebben zich over deze vraag uitgelaten en hierover geadviseerd. De rechtbank zal de opgemaakte rapporten hier bespreken.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportages van 10 september 2025 en 31 oktober 2025, respectievelijk opgesteld door GZ-psycholoog M.L. Sikkens en psychiater E. Kiliç.
Beide deskundigen hebben, kort gezegd, geconcludeerd dat betrokkene lijdt aan een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Daarnaast is sprake van middelengebruik. De psychiater concludeert daarnaast dat ook sprake is van een stoornis in het gebruik van cannabis en in alcohol, waarbij het alcoholgebruik in vroege remissie is. Verder is door de psychiater een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling vastgesteld. Volgens de deskundigen waren de door hen vastgestelde stoornissen bij betrokkene aanwezig tijdens de tenlastegelegde feiten en hebben deze zijn gedragskeuzes beïnvloed. Bij betrokkene is sprake van inadequate copingvaardigheden en emotieregulatieproblemen, waardoor ten tijde van het tenlastegelegde een gevoel van onrechtvaardigheid en boosheid bij betrokkene overheerste en hij moeilijk empathisch kon reflecteren op zijn eigen aandeel, aldus de psychiater. Betrokkene had hierdoor de behoefte om het slachtoffer te achtervolgen en hem iets te laten voelen. Hoewel niet is vastgesteld dat sprake was van een acute psychotische episode, heeft zijn dagelijks cannabisgebruik in de periode rondom het tenlastegelegde gezorgd voor een verstoring van zijn impulsregulatie en normvervaging.
Al met al is het advies van beide deskundigen om het tenlastegelegde in verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusies uit de Pro Justitia rapportages over en volgt het advies in zoverre dat naar het oordeel van de rechtbank het tenlastegelegde verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

6.Motivering van de straf

6.1.
De strafeis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, zal worden opgelegd, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd.
6.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen tot 9 februari 2026, zodat verdachte aanwezig kan zijn bij een intake gesprek bij HVO Querido. Subsidiair heeft de raadsman verzocht verdachte voor één dag, te weten 9 februari 2026, te schorsen.
Verder heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte is geschrokken van zijn eigen impulsiviteit en zelfinzicht en berouw toont. Verdachte staat open voor een gesprek met het slachtoffer en heeft hierom tweemaal zonder succes gevraagd. Ook is verdachte medicatietrouw en staat hij open voor begeleiding van de reclassering.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft aangever geheel onverwachts van achteren met een houten balk op zijn hoofd geslagen. Door zijn handelen heeft hij het risico genomen dat aangever hieraan zou komen te overlijden. Na een korte confrontatie tussen verdachte en aangever, heeft verdachte aangever achtervolgd en heeft hij hem midden op straat geslagen. Aangever heeft ernstig letsel overgehouden aan de klap, onder meer twee bloedingen in zijn hoofd. Hij ondervindt dagelijks nog last van het handelen van verdachte en voelt zich angstig en onveilig op straat. Hij is nog niet volledig in staat zijn werkzaamheden als chauffeur uit te voeren. Verder zijn ook omstanders geconfronteerd met een zeer onveilige situatie en heftig geweld.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een vernieling van een looptelefoon, waarmee hij overlast heeft veroorzaakt voor het gevangenispersoneel, en de andere gedetineerden en het eigendom van anderen niet heeft gerespecteerd.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 30 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar eerder is veroordeeld voor vernieling en een geweldsdelict.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 18 december 2025. De reclassering concludeert dat verdachte op verschillende leefgebieden problemen ondervindt, maar dat verdachte sinds zijn detentie een positieve ontwikkeling doormaakt. Verdachte is abstinent van middelen, heeft ziekte-inzicht en staat open voor behandeling en begeleiding. Hij krijgt medicatie voorgeschreven en lijkt psychisch stabiel. Het recidiverisico is ingeschat op gemiddeld. Gelet hierop acht de reclassering een drangkader noodzakelijk en adviseert de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen, dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening en meewerken aan middelencontrole.
Zoals onder rubriek 5.2 beschreven zal de rechtbank de bewezenverklaarde feiten verminderd aan verdachte toerekenen.
Strafoplegging
Gezien de ernst van de het onder 1 bewezenverklaarde feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de positieve ontwikkeling die verdachte doormaakt en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd.

7.Beslag

Onder verdachte is een houten balk (G6658886) inbeslaggenomen en niet teruggegeven.
De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, dient te worden verbeurd verklaard, omdat met behulp van dat voorwerp het onder 1 bewezenverklaarde is begaan.

8.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 25,- aan vergoeding van materiële schade en
€ 25.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De immateriële schade is onderverdeeld in de volgende posten:
  • Hersenletsel (€ 20.000,-),
  • Fatische stoornis (€ 3.000,-),
  • Wond aan knie en neus (€ 2.000,-).
8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om de gevorderde materiële schade volledig toe te wijzen en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde immateriële schade.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de gevorderde materiële schade onvoldoende is onderbouwd en een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman verzocht om de post ‘Fatische stoornis’ af te wijzen dan wel niet ontvankelijk te verklaren. De raadsman heeft verzocht de schadepost ‘Hersenletsel’ te matigen naar € 3.000,-.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde materiële schade bestaat uit vergoeding van de jas van de benadeelde.
De vordering is betwist. De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade geheel zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en acht de gevorderde € 25,- voor de jas redelijk.
Immateriële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn lichamelijke integriteit.
Uit de vordering en de overlegde medische gegevens blijkt dat de benadeelde partij lang klachten heeft ervaren van de hersenbloedingen, maar dat het sinds eind juli 2025 beter met de benadeelde gaat. Op zitting heeft de benadeelde bevestigd dat hij voldoende is hersteld om zijn normale leven weer op te pakken, maar elke dag nog last heeft van hoofdpijn. Wel zou hij nog af en toe last hebben tijdens zijn werk als chauffeur.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.
Gezien de onderliggende onderbouwing van de vordering en de medische gegevens gaat de rechtbank uit van gering hersenletsel, waarbij nog steeds sprake is van aanhoudende klachten. Voor de schadepost ‘Hersenletsel’ acht de rechtbank, rekening houdend met de geldbedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegerekend en de uitgangspunten van de Rotterdamse Schaal 2025, een vergoeding van € 8.500,- billijk. Temeer er geen sprake is van een medische eindsituatie en de rechtbank op basis van enkel de onderliggende stukken een inschatting dient te maken, zal de rechtbank de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren.
De benadeelde partij zal voor de schadepost ‘Fatische stoornis’ niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De schadepost is onvoldoende onderbouwd, omdat de rechtbank uit de overgelegde stukken een overlap ziet tussen deze schadepost en de schadepost ‘Hersenletsel’. De behandeling van dit deel van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van zijn
vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voor wat betreft de schadepost ‘Wonden aan de knie en neus’ acht de rechtbank een bedrag van € 300,- billijk. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering tot betaling van materiële schade toewijzen tot een bedrag van
€ 25,-en van immateriële schade toewijzen tot een bedrag van
€ 8.800,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (20 mei 2025).
Verdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
poging tot doodslag;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat
een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter anders mocht gelasten.
Stelt daarbij
een proeftijd van 2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de
proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt of de hierna te noemen voorwaarden niet
heeft nageleefd.
Stelt als
bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen vijf werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Inforsa op het adres Vlaardingenlaan 5, 1059 GL te Amsterdam. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door de Forensisch Ambulante Zorg (FAZ) van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Meewerken aan schuldhulpverlening
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Meewerken aan middelencontrole
Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en cannabis om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14e, zesde lid, van het
Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de
veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beslag
Verklaart verbeurd:1 STK Houten balk (G6658886).
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij] , toe tot € 25,- (vijfentwintig euro) als vergoeding voor materiële schade en € 8.800,- (achtduizend achthonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag van de voldoening.
Verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de schadepost ‘Hersenletsel’ voor het overige niet ontvankelijk.
Verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de schadepost ‘Fatische stoornis’ niet ontvankelijk.
Wijst de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de schadepost ‘Wonden knie en neus’ voor het overige af.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 8.825,- (achtduizend achthonderdvijfentwintig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag van de voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 69 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. van Galen, voorzitter,
mrs. R. van de Water en N.T. Arnoldussen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold en M. Pathuis, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2026.