ECLI:NL:RBAMS:2026:1872

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
81.211279.20
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte in witwaszaak onderzoek Kristal wegens ontbreken bewijs wetenschap en redelijk vermoeden

In het onderzoek Kristal werd verdachte verdacht van gewoontewitwassen en schuldwitwassen van ruim €2,6 miljoen, afkomstig uit criminele geldstromen via drie witwasconstructies. De officier van justitie eiste 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 voorwaardelijk. Verdachte ontkende wetenschap van de criminele herkomst en stelde dat zij geen zicht had op de administratie en bankrekeningen van het bedrijf waar het geld vandaan kwam.

De rechtbank stelde vast dat een deel van de geldbedragen uit misdrijf afkomstig was en dat verdachte deze bedragen voorhanden had gehad, onder meer voor de aankoop van onroerend goed en een auto. Echter kon niet worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de criminele herkomst of dat zij redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld uit misdrijf kwam.

De rechtbank oordeelde dat verdachte had voldaan aan haar onderzoeksplicht, mede omdat het geld afkomstig was van het bedrijf waar zij werkte en waarvan haar partner grootaandeelhouder was. Er was geen bewijs dat verdachte bekend was met de brondelicten of grote contante geldbedragen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde witwasfeiten.

Daarnaast werd beslag gelegd op onder meer een Porsche Macan S en onroerend goed, maar de rechtbank gelastte de teruggave van deze voorwerpen aan verdachte nu zij werd vrijgesproken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van gewoontewitwassen en schuldwitwassen wegens onvoldoende bewijs van wetenschap en redelijk vermoeden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.211279.20
Datum uitspraak: 20 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
wonende op het adres [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 12, 13, 17 en 19 november 2025 (inhoudelijke behandeling) en 20 februari 2026 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. F. Bahadin en J.P. Hopman (hierna gezamenlijk: de officier van justitie), en van wat verdachte en haar raadsman, mr. S.C. van Klaveren, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen dan wel schuldwitwassen van een geldbedrag van in totaal € 2.629.373,-.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.

3.Vrijspraak

3.1.
Inleiding
Verdachte is een van de verdachten in het onderzoek Kristal. Dit onderzoek is opgestart naar aanleiding van (anonieme) meldingen, waarbij de verdenking is ontstaan dat [medeverdachte 1] , de levenspartner van verdachte, zich samen met anderen schuldig zou maken aan de handel in ketamine en witwassen. Gedurende het onderzoek zijn drie verschillende witwasconstructies geïdentificeerd, kasontvangsten binnen [bedrijf 1] , geldstromen via Dubai met behulp van ondergrondse bankier [bankier 1] en geldstromen via China en Hongkong met behulp van ondergrondse bankier [bankier 2] . Verdachte is een van de verdachten die in dit dossier in beeld zijn gekomen bij het witwassen, namelijk doordat zij betrokken zou zijn geweest bij het besteden van criminele gelden die via de drie witwasconstructies (uiteindelijk) op de bankrekening van [bedrijf 1] terecht zijn gekomen.
3.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte het tenlastegelegde gewoontewitwassen heeft begaan en vordert een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk.
Verdachte heeft de tenlastegelegde geldbedragen veelal samen met [medeverdachte 1] uitgegeven en/of ontvangen. Verdachte wist dat deze geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren, omdat deze volstrekt niet in verhouding stonden tot het vermeende legale inkomen en vermogen dat verdachte en [medeverdachte 1] bij de Belastingdienst hebben opgegeven.
3.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging vindt niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken. Niet is bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de door haar ontvangen en/of uitgegeven geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren. Verdachte wist dat het geld uit [bedrijf 1] kwam, en zij wist niet meer dan dat dit een goedlopende onderneming was. Verdachte had ook geen zicht op bankrekeningen of de administratie van [bedrijf 1]
Daarnaast blijkt van een aantal onderdelen van de tenlastelegging niet dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn, zodat verdachte ook om die reden moet worden vrijgesproken. Dit geldt voor de aanschaf van de appartementen in Malaga en de overboekingen van eenmanszaak [bedrijf 2] en [bedrijf 3] Ten aanzien van de facturen voor de verbouwing van de woning in Spanje blijkt niet dat zij wetenschap had van deze facturen of de betaling ervan, zodat verdachte ook om die reden moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van de contante betalingen blijkt niet dat verdachte daarbij betrokkenheid heeft gehad, zodat verdachte ook om die reden van dit onderdeel moet worden vrijgesproken.
3.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Daarvoor is het volgende van belang.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van (gewoonte)witwassen of schuldwitwassen van geldbedragen vast moet komen te staan dat verdachte die geldbedragen – al dan niet als medepleger – voorhanden heeft gehad (of hiermee een andere witwasgedraging heeft verricht) en dat dit geldbedrag uit misdrijf afkomstig was. Vervolgens moet ook vast komen te staan dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn.
Criminele herkomst (algemeen)
De rechtbank kan op basis van het dossier vaststellen dat de bankrekeningen van [bedrijf 1] [1] vanaf 2 november 2017 worden gevoed met geldbedragen die een criminele herkomst hebben. Ten aanzien van een groot aantal contante stortingen en bijschrijvingen uit het buitenland is sprake van een vermoeden van witwassen waarvoor geen afdoende verklaringen zijn gekomen. Dat vermoeden van witwassen is hoofdzakelijk gebaseerd op de grote sommen contant geld en de onverklaarbare en niet gebruikelijke geldstromen die aan die bijschrijvingen ten grondslag liggen.
Het is onontkoombaar dat de legale geldstromen binnen [bedrijf 1] vermengd zijn geraakt met deze criminele geldstromen. Er zijn immers geen aanwijzingen dat de criminele geldstromen volstrekt gescheiden zijn gebleven van de legale inkomstenbronnen. Daardoor zijn beide geldstromen op de bankrekening van [bedrijf 1] vermengd geraakt, met als gevolg dat de gehele geldstroom vanaf de bankrekeningen van [bedrijf 1] besmet is geraakt.
Deelbedragen
€ 1.215.791,- ( [adres 2] Volendam)
Op 15 augustus 2019 hebben verdachte en [medeverdachte 1] gezamenlijk het onroerend goed aan de [adres 2] in Volendam geleverd gekregen. In totaal is een bedrag van € 1.215.791,- betaald door [bedrijf 1] in een drietal deelbedragen, te weten een geldbedrag van € 950.000,- dat door [bedrijf 1] is overgemaakt aan de notaris, een bedrag van € 229.650,- dat door [bedrijf 1] is betaald aan [bedrijf 4] en een bedrag van € 36.141,- dat netto aan de notaris is betaald via de en/of-rekening van [verdachte] en [medeverdachte 1] .
Ten aanzien van het bedrag van € 950.000,- stelt de rechtbank vast dat dit geldbedrag aan de notaris is betaald ten behoeve van een gezamenlijke aankoop van verdachte en [medeverdachte 1] en dat dit geldbedrag in 2019 vanaf de rekening [bedrijf 1] is betaald. Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte het geldbedrag (samen met [medeverdachte 1] ) voorhanden heeft gehad en dat dit geldbedrag afkomstig is uit het besmette vermogen van [bedrijf 1] Door de verdediging is een leenovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [medeverdachte 1] voor dit geldbedrag overgelegd. Deze lening is niet afgelost.
Het geldbedrag van € 229.650,- is gebruikt om een door [bedrijf 4] verstrekte lening af te lossen. De betaling is verricht vanuit (het besmette vermogen van) [bedrijf 1] De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte wetenschap van of betrokkenheid bij deze aflossingsbetalingen heeft gehad en daarmee dus niet vaststellen dat zij dat bedrag ook (samen met [medeverdachte 1] ) voorhanden heeft gehad. De omstandigheid dat verdachte samen met [medeverdachte 1] het geld van [bedrijf 4] heeft geleend, maakt dit niet anders. Om die reden kan niet worden vastgesteld dat verdachte dit gelbedrag (als medepleger) heeft witgewassen.
Het geldbedrag van € 36.141,- betreft (afgerond) het verschil tussen het bedrag dat op 14 augustus 2019 vanaf de bankrekening van verdachte en [medeverdachte 1] aan de notaris is betaald (€ 48.874,83) en het bedrag dat op 16 augustus 2019 terug wordt ontvangen van de notaris (€ 12.734,17). Het bedrag van € 48.874,83 komt overeen met het bedrag dat verdachte en [medeverdachte 1] op dezelfde dag hebben ontvangen van [bedrijf 1] en welk bedrag onderdeel is van de hierna nog te bespreken ‘r/c ontvangsten’. Om dubbeltellingen in het totaalbedrag te voorkomen, laat de rechtbank het bedrag bij dit onderdeel van de tenlastelegging verder onbesproken.
€ 230.532,- ( [adres 3] Bussum)
Op 4 juni 2019 hebben verdachte en [medeverdachte 1] gezamenlijk het onroerend goed aan het [adres 3] in Bussum geleverd gekregen. Het totaalbedrag van € 230.532,- ziet op het bedrag dat van [bedrijf 1] (afgerond) is overgemaakt op de bankrekening van de notaris: € 230.531,76. Het geldbedrag is door verdachte en [medeverdachte 1] gezamenlijk geleend van [bedrijf 1]
De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte en [medeverdachte 1] dit geldbedrag gezamenlijk hebben geleend ten behoeve van een gezamenlijke aankoop. Verdachte heeft dit geldbedrag dan ook voorhanden gehad en dit geldbedrag is afkomstig uit het besmette vermogen van [bedrijf 1]
€ 383.850,- ( [adres 4] Malaga)
Op 21 augustus 2018 hebben verdachte en [medeverdachte 1] een drietal appartementen in Malaga gekocht. De totale aankoopwaarde betrof € 718.850,-. Hiervan is € 335.000,- in Spanje hypothecair geleend. Daarnaast hebben verdachte en [medeverdachte 1] € 285.000,- geleend van [persoon 1] . Het resterende bedrag betreft € 98.850,-. Het bedrag op de tenlastelegging ziet op het geld dat van [persoon 1] is geleend en het restbedrag.
Ten aanzien van het geldbedrag dat van [persoon 1] is geleend, kan de rechtbank niet vaststellen dat dit een criminele herkomst heeft. Dit geldt ook voor het restbedrag, omdat over deze betaling(en) niets bekend is. In het bijzonder kan de rechtbank niet vaststellen dat dit geldbedrag te herleiden is tot de bankrekening van [bedrijf 1] Ook voor het overige blijkt uit het dossier niet van omstandigheden die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen voor dit geldbedrag. Daarom kan ten aanzien van deze deelonderdelen van de tenlastelegging niet bewezen worden dat verdachte dit heeft witgewassen.
€ 329.120,- (verbouwing [adres 5] Malaga)
Dit onderdeel van de verdenking ziet op een tweetal facturen die [persoon 2] vanuit zijn bedrijf [bedrijf 5] heeft verstuurd. De eerste factuur ziet op een bedrag van € 159.720,- en wordt door [persoon 2] op 20 mei 2019 per Whatsapp naar [medeverdachte 1] gestuurd. Diezelfde dag stuurt [medeverdachte 1] de afbeelding van de factuur door naar [bankier 1] . In de inbeslaggenomen administratie uit de woning van verdachte en [medeverdachte 1] is daarnaast nog een tweede factuur aangetroffen voor het bedrag van € 169.400,-.
Uit bescheiden die door [persoon 2] zijn overgelegd is af te leiden dat er op 25 juni 2019 een betaling is ontvangen van € 159.191,26 met betrekking tot twee facturen die in relatie staan met de woning aan de [adres 5] . Volgens de transactiegegevens is het geld afkomstig van de ‘ [bedrijf 6] ’. Daarnaast zijn op 15 en 19 februari 2019 twee betalingen ontvangen van ‘ [bedrijf 7] ’ van in totaal € 173.148,27 met betrekking tot facturen die eveneens in relatie staan tot de woning aan de [adres 5] .
Uit de verklaring van [persoon 2] in combinatie met de omstandigheid dat [medeverdachte 1] de van [persoon 2] ontvangen factuur doorstuurt naar [bankier 1] leidt de rechtbank af dat [bankier 1] op verzoek van [medeverdachte 1] vanuit Dubai voor de betaling heeft zorggedragen. Gelet daarop kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte wetenschap van of betrokkenheid bij deze betalingen heeft gehad en daarmee deze bedragen voorhanden heeft gehad. Wetenschap van en betrokkenheid bij de verbouwing waarop de facturen betrekking hebben is daarvoor onvoldoende. Daarom kan van dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen worden dat verdachte dit geldbedrag heeft witgewassen.
€ 142.692,- (Porsche Macan S)
Op 10 april 2019 krijgt verdachte een Porsche Macan S op haar naam. Een week eerder is vanaf de bankrekening van [bedrijf 1] een bedrag van € 142.692,- overgemaakt naar [bedrijf 8] onder vermelding van ‘kenmerk 103956 t.n.v. [verdachte] ’.
Omdat verdachte de auto op haar naam heeft gekregen, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte het geldbedrag dat hiervoor is gebruikt ook (al dan niet samen met anderen) voorhanden heeft gehad. Omdat het geld afkomstig was van een bankrekening van [bedrijf 1] , is het geldbedrag ook uit misdrijf afkomstig.
€ 100.000,- (overboekingen naar Spaanse bankrekening)
Het totaalbedrag ziet op overboekingen naar de Spaanse bankrekening op naam van verdachte en [medeverdachte 1] in de jaren 2017 tot en met 2020. De betalingen zijn afkomstig van de Nederlandse bankrekening van verdachte en [medeverdachte 1] en vóór 2 november 2017 deels ook van de rekeningen van eenmanszaak [bedrijf 2] en van [bedrijf 3]
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen wat de herkomst van de gelden is die vanaf de genoemde rekeningen zijn overgemaakt naar de Spaanse rekening van verdachte en [medeverdachte 1] . In het bijzonder kan de rechtbank niet vaststellen of het geld na 2 november 2017 afkomstig was uit het besmette vermogen van [bedrijf 1] Gelet daarop kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte deze geldbedragen heeft witgewassen.
€ 138.875,- (R/C ontvangsten op Nederlandse bankrekening)
Tussen 14 augustus 2019 en 25 september 2019 wordt in totaal € 138.874,83 overgemaakt vanaf de bankrekening van [bedrijf 1] naar de privérekening van verdachte en [medeverdachte 1] , onder vermelding van ‘r/c’ of ‘r/c directie’. De rechtbank stelt vast dat verdachte deze geldbedragen samen met [medeverdachte 1] voorhanden heeft gehad op hun gezamenlijke rekening en dat dit geld afkomstig is uit het besmette vermogen van [bedrijf 1]
€ 88.513 (contante betalingen)
In de woning van verdachte en [medeverdachte 1] zijn facturen aangetroffen die (deels) contant zijn betaald. In de periode vanaf 2017 ziet het contante deel van de betalingen op een totaalbedrag van € 88.513,-. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld wie de contante betalingen heeft verricht. Voor de rechtbank is het aantreffen van de facturen in de gezamenlijke woning van verdachte onvoldoende om vast te stellen dat verdachte (al dan niet samen met anderen) beschikkingsmacht heeft gehad over de contante geldbedragen die voor deze betalingen zijn gebruikt. Gelet daarop kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte deze geldbedragen heeft witgewassen.
Tussenconclusie
De rechtbank kan van de volgende geldbedragen vaststellen dat deze uit misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte deze geldbedragen (als medepleger) onder meer voorhanden heeft gehad:
€ 950.000,-, gebruikt ten behoeve van de aankoop van het onroerend goed aan de [adres 2] in Volendam;
€ 230.531,76, gebruikt ten behoeve van de aankoop van het onroerend goed aan het [adres 3] in Bussum;
€ 142.692,-, gebruikt ten behoeve van de aankoop van de Porsche Macan S;
€ 138.874,83, afkomstig van [bedrijf 1] en ontvangen op de Nederlandse rekening van verdachte en [medeverdachte 1] .
In totaal heeft verdachte iets meer dan € 1.460.000,- aan geldbedragen voorhanden gehad die uit misdrijf afkomstig waren. Deze geldbedragen zijn tussen april en september 2019 overgemaakt vanaf de bankrekening van [bedrijf 1] Voor wat meer is tenlastegelegd geldt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat deze geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn en/of dat verdachte deze geldbedragen voorhanden heeft gehad (of hier (al dan niet als medepleger) een andere witwashandeling mee heeft verricht).
Weten
Voor de vaststelling dat verdachte wist dat voornoemde geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf is vereist dat kan worden vastgesteld dat verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans op de criminele herkomst bewust heeft aanvaard.
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de aanmerkelijke kans op de criminele herkomst van de geldbedragen bewust heeft aanvaard. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat al het geld in eerste instantie afkomstig was van het bedrijf waar verdachte werkte en waarvan haar partner, [medeverdachte 1] , indirect grootaandeelhouder was. De rechtbank heeft weliswaar vastgesteld dat binnen dit bedrijf sprake was van een criminele geldstroom, maar er was ook sprake van reguliere handel, deels via deelnemingen in het buitenland. Daarnaast kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat verdachte bekend was met de mogelijke betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij brondelicten die aan het witwassen ten grondslag liggen. Tot slot kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte zicht heeft gehad op de grote contante geldbedragen waarover [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij die bij de woning van [medeverdachte 1] heeft opgehaald. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank het primair tenlastegelegde niet bewezen vindt.
Redelijkerwijs moeten vermoeden
Voor de vaststelling dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat voornoemde geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf gaat het erom of verdachte bij enig nadenken had kunnen vermoeden dat het om een uit misdrijf afkomstig voorwerp ging. Als dat zo is dan mag er van verdachte nader onderzoek worden verwacht.
Voor de beantwoording van de vraag of verdachte nader onderzoek moest doen is in de eerste plaats van belang dat het overgrote deel van het uit misdrijf afkomstige geld dat verdachte voorhanden heeft gehad, geld betreft dat van [bedrijf 1] is geleend (of in rekening-courant is ontvangen). Die geldbedragen moeten dus ook aan de vennootschap worden terugbetaald. Daarnaast hadden verdachte en [medeverdachte 1] al een bestaande hypotheek en zijn zij in 2018 en 2019 ook nog andere, substantiële terugbetalingsverplichtingen aangegaan ten behoeve van de aanschaf van onroerend goed.
In dat verband is verder nog van belang dat het bekende privéinkomen van verdachte en [medeverdachte 1] beperkt was. Volgens de belastingaangiften was het gezamenlijk loon in 2017 € 77.440,- en in 2018 was dat € 83.712,-. De bij de Belastingdienst bekende fiscale loongegevens over 2019 en 2020 zijn vergelijkbaar met de eerdere jaren. Daarbij is de rechtbank zich ervan bewust dat in het algemeen de mogelijkheid bestaat dat een ondernemer, zoals [medeverdachte 1] , vermogen ‘in de zaak’ laat zitten en niet alle gegenereerde inkomsten aan hem in privé uitbetaald hoeven te zijn.
Gelet op de grote discrepantie tussen het bekende gezamenlijke privéinkomen van verdachte en [medeverdachte 1] en de door hen in korte tijd aangegane terugbetalingsverplichtingen aan de vennootschap van [medeverdachte 1] , is de rechtbank van oordeel dat zich een situatie voordoet waarbij verdachte onderzoek moest doen naar de herkomst van de aan haar en/of [medeverdachte 1] ter beschikking gestelde gelden en de mogelijkheden om die gelden terug te betalen.
Verdachte heeft verklaard dat zij dacht dat de leningen terugbetaald konden worden uit de te verwachten winstuitkeringen en andere opbrengsten uit [bedrijf 1] en dat het binnen [bedrijf 1] ‘heel erg lekker’ ging. Dat baseerde zij op wat zij zag op de werkvloer en hoorde van mensen binnen [bedrijf 1] , waaronder [medeverdachte 1] . Zij heeft ook verklaard dat zij aan [medeverdachte 1] heeft gevraagd of ze het konden betalen. Als ze het konden betalen, dan deden ze het. Daarbij vroeg [medeverdachte 1] ook aan [medeverdachte 2] of het betaald kon worden. Dat hierover gesproken werd tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vindt steun in de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
De onderzoeksplicht reikt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet zo ver dat verdachte ook nader onderzoek had moeten doen naar de juistheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en/of naar de herkomst van het geld dat bij [bedrijf 1] binnenkwam, in het bijzonder niet naar de vraag of dit geld een legale oorsprong had of niet. Daarvoor is ook van belang dat de rechtbank eerder al niet heeft kunnen vaststellen dat verdachte wetenschap had van mogelijk door [medeverdachte 1] gepleegde brondelicten of van grote contante geldbedragen. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat verdachte heeft voldaan aan de op haar rustende onderzoeksplicht.
De omstandigheid dat achteraf is gebleken dat verdachte en [medeverdachte 1] hun betalingsverplichtingen richting [bedrijf 1] niet zijn nagekomen, maakt het voorgaande niet anders. Ook omdat dit mede veroorzaakt kan zijn door omstandigheden die ten tijde van het aangaan van de betalingsverplichtingen voor verdachte niet voorzienbaar waren (de coronapandemie en de aanhoudingen en beslagleggingen door de FIOD).
Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank op basis van het dossier en de behandeling op zitting evenmin kan vaststellen dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de geldbedragen die zij voorhanden heeft gehad, uit misdrijf afkomstig waren. De rechtbank zal verdachte daarom van al het tenlastegelegde vrijspreken.

4.Beslag

Onder verdachte is beslag gelegd op (de vervreemdingsopbrengst) van de Porsche Macan S en onroerend goed op naam van verdachte. Nu de rechtbank verdachte van het tenlastegelegde zal vrijspreken, bestaat er – in de strafzaak – geen aanleiding om anders te oordelen dan dat de voorwerpen aan verdachte als beslagene moeten worden teruggegeven.
De rechtbank merkt daarbij op dat op de voorwerpen ook conservatoir beslag is gelegd en dat dat beslag aan de feitelijke teruggave in de weg kan staan.

5.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Gelast de teruggave aan verdachte van:
5. Goednummer 143132: Porsche Macan S (vervreemdingsopbrengst € 65.666,-) (beslaglijst onder 2);
6. 1/2 aandeel [adres 3] Bussum (beslaglijst onder 3);
7. 1/2 aandeel [adres 2] (beslaglijst onder 4);
8. 1/2 aandeel [adres 2] (beslaglijst onder 5);
9. 1/2 aandeel [adres 6] (wonen) (beslaglijst onder 6);
10. 1/2 aandeel [adres 6] (berging/stalling) (beslaglijst onder 7);
11. [adres 7] (beslaglijst onder 8).
Dit vonnis is gewezen door
mr. F. Dekkers, voorzitter,
mrs. J.M. van Hall en M. Wiewel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2026.
[(...)]

Voetnoten

1.[bedrijf 1] heette voorheen [bedrijf 9] , maar handelde toen ook al onder de naam [bedrijf 1] . Voor de leesbaarheid schrijft de rechtbank steeds [bedrijf 1] , ook als het gaat over de periode van voor de naamswijziging.