Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Geen straf voor bezit munitie vanwege gelijktijdige straf in economische zaak
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte wegens het voorhanden hebben van een groot aantal patronen en twee slagpinnen. Tijdens de terechtzittingen in november 2025 en februari 2026 werd vastgesteld dat het bezit van de munitie bewezen is, mede op basis van een bekennende verklaring en proces-verbalen van doorzoekingen. Het bezit van de slagpinnen werd echter niet bewezen verklaard, omdat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat het daadwerkelijk om slagpinnen ging.
De rechtbank oordeelde dat het bewezen verklaarde feit strafbaar is en dat verdachte strafbaar is, zonder dat er sprake is van een rechtvaardigingsgrond of omstandigheden die strafuitsluiting rechtvaardigen. De officier van justitie had een geldboete van € 2.500,- gevorderd, terwijl de verdediging een boete van maximaal € 1.000,- verzocht.
Echter, vanwege de gelijktijdige behandeling van een andere strafzaak tegen verdachte, waarin een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf werd opgelegd, besloot de rechtbank op grond van artikel 63 SrPro geen aanvullende straf op te leggen voor deze zaak. De in beslag genomen munitie werd onttrokken aan het verkeer, terwijl de vermeende slagpinnen aan verdachte werden geretourneerd omdat niet bewezen was dat het daadwerkelijk slagpinnen betrof.
De rechtbank baseerde haar beslissing op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht en sprak verdachte vrij van de niet-bewezen tenlasteleggingen. Het vonnis werd uitgesproken op 20 februari 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van bezit van slagpinnen en krijgt geen straf voor bezit van munitie vanwege gelijktijdige onvoorwaardelijke gevangenisstraf in andere zaak.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.191180.25
Datum uitspraak: 20 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,
wonende op het adres [woonadres] .
1.Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 12, 17 en 18 november 2025 (inhoudelijke behandeling) en 20 februari 2026 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. F. Bahadin en J.P. Hopman (hierna gezamenlijk: de officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.W. Dirkzwager, naar voren hebben gebracht.
De zaak tegen verdachte is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met een andere strafzaak tegen verdachte onder parketnummer 81.211291.20.
2.Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een groot aantal patronen en twee slagpinnen.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.
3.Waardering van het bewijs
3.1.
Standpunten Openbaar Ministerie en verdediging
De officier van justitie en de verdediging vinden bewezen dat verdachte de munitie voorhanden heeft gehad. Zij vinden beiden niet bewezen dat verdachte twee slagpinnen voorhanden heeft gehad.
3.2.
Oordeel van de rechtbank
Net als de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte twee slagpinnen voorhanden heeft gehad. Op basis van het dossier kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat sprake was van slagpinnen of voorwerpen die als zodanig gebruikt kunnen worden.
De rechtbank acht, mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte, wel bewezen dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde munitie voorhanden heeft gehad. De rechtbank baseert deze bewezenverklaring op de volgende bewijsmiddelen:
De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting van 12 november 2025.
Een proces-verbaal van doorzoeking van 1 september 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] ( [nummer 1] , digitaal dossier p. 2907-2917).
Een proces-verbaal van bevindingen van 21 december 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] ( [nummer 2] , digitaal dossier p. 5028-5049).
4.Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.2 opgesomde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in de periode van 4 maart 2020 tot en met 27 augustus 2020 te Almere, voorhanden heeft gehad
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
542 scherpe patronen (kaliber .22 LR) en
ongeveer 5 scherpe patronen (kaliber .38 SPL) en
16 scherpe patronen (kaliber 9x19mm) en
20 scherpe patronen (kaliber 9mm Bosquette) en
8 patroonhulzen en projectielen (kaliber 9mm Bosquette) en
35 scherpe (hagel)patronen (kaliber 9mm Flobert R.F.) en
14 scherpe patronen (kaliber 8x57mm).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5.De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6.De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7.Geen straf
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een geldboete van € 2.500,- wordt opgelegd. De verdediging heeft verzocht om een geldboete van maximaal € 1.000,- op te leggen.
De rechtbank houdt bij het bepalen van een passende straf in deze zaak in het bijzonder rekening met de omstandigheid dat de rechtbank in de andere strafzaak tegen verdachte bij vonnis van heden aan verdachte een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt. Tegen de achtergrond van die straf en rekening houdend met artikel 63 vanPro het Wetboek van Strafrecht, ziet de rechtbank aanleiding om in deze zaak geen aanvullende straf aan verdachte op te leggen.
8.Beslag
Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat de in beslag genomen munitie en slagpinnen aan het verkeer worden onttrokken.
De rechtbank zal bepalen dat de in beslag genomen ‘slagpinnen’ aan de beslagene geretourneerd kunnen worden. Zoals hiervoor is overwogen, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze voorwerpen, die in de tenlastelegging worden omschreven als slagpinnen, daadwerkelijk slagpinnen zijn of als zodanig kunnen worden gebruikt. Gelet daarop bestaat er geen aanleiding om de voorwerpen aan het verkeer te onttrekken.
De rechtbank zal de munitie onttrekken aan het verkeer. Het bewezen geachte feit is met betrekking tot deze voorwerpen begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht.
10.Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie