ECLI:NL:RBAMS:2026:1923

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
13-303148-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks betwisting adres

De rechtbank Amsterdam behandelde op 4 februari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de District Court of Zamość, Polen, gericht op de overlevering van een Poolse verdachte geboren in 1998 zonder vaste verblijfplaats in Nederland. De procedure startte op 15 januari 2026 en kende een tussenuitspraak op 20 januari 2026, waarbij de rechtbank het onderzoek schorste om aanvullende informatie te verkrijgen.

De opgeëiste persoon betwistte dat zij correct was opgeroepen voor de zitting, omdat de oproep was verstuurd naar een adres dat zij niet als haar verblijfplaats erkende. De raadsman voerde aan dat hierdoor haar verdedigingsrechten waren geschonden en dat overlevering geweigerd moest worden op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW). De officier van justitie stelde daarentegen dat de opgeëiste persoon tijdens eerdere verhoren een adres had opgegeven waar de oproep was bezorgd en dat zij op de hoogte was van de procedure.

De rechtbank oordeelde dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen en dat geen van de in artikel 12 OLW Pro genoemde weigeringsgronden zich voordeed. Hoewel de opgeëiste persoon stelde dat zij een ander adres had doorgegeven, was zij tijdens de verhoren geïnstrueerd over haar verplichting om adreswijzigingen door te geven en had zij getekend voor ontvangst van deze instructies. De oproep was aan een volwassen huisgenoot op het opgegeven adres bezorgd, waardoor de rechtbank concludeerde dat de verdedigingsrechten niet waren geschonden. De overlevering werd daarom toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe omdat geen weigeringsgronden zijn vastgesteld en de verdedigingsrechten niet zijn geschonden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-303148-25
Datum uitspraak: 4 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 18 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 oktober 2025 door
the District Court of Zamość, Second Penal
Division (Sąd Okręgowy w Zamościu II Wydział Karny),Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1998,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 15 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 15 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. R.F.M. Gerritsen, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak van 20 januari 2026
Bij tussenuitspraak van 20 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen ten aanzien van de toetsing aan artikel 12 OLW Pro aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
Zitting van 4 februari 2026
De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 4 februari 2026, in aanwezigheid van A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. S. de Goede, die waarneemt voor mr. R.F.M. Gerritsen, beiden advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 20 januari 2026

De rechtbank stelt vast dat bij tussenuitspraak van deze rechtbank op 20 januari 2026 de rechtbank reeds heeft geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (paragraaf 3), de strafbaarheid van de feiten (paragraaf 4) en over de toetsing aan artikel 11 OLW Pro voor wat betreft artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) (paragraaf 5). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 3.1 van de tussenuitspraak van 20 januari 2026. De overwegingen in deze paragraaf worden hier eveneens als herhaald en ingelast beschouwd.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 20 januari 2026 heeft de
Regional Courtvan
Zamośćbij brief van 26 januari 2026 informatie verstrekt afkomstig van de uitvaardigende justitiële autoriteit, de
Sąd Rejonowy [District Court] in Hrubieszów. Daarin staat onder meer het volgende vermeld:
“In the proceedings conducted under reference number RSD-528/24, 4185-0.Ds 1138.2024 concerning offence II, [opgeëiste persoon] was detained on 8 July 2024. On 9 July 2024 she was presented with charges and interrogated as a suspect; she was also instructed on her obligation to appear at every summons and to notify the authorities of any change of residence or place of stay lasting longer than 7 days, including contact details, under penalty of detention and compulsory escort, as well as well as the legal effect of deeming the service of the document effective when delivered to the address indicated for service within the country. The interrogation report, signed personally by [opgeëiste persoon], indicated lack of a permanent address and the place of her residence/longer stay at the address [adres 1].
[..]
According to the report of 9 July 2024 during the interrogation [opgeëiste persoon] stated that she had no permanent address and provided the address of her place of residence/long-term stay as [adres 1]. The report was signed by [opgeëiste persoon] in person.
[..]
Yes, before [opgeëiste persoon] was interrogated as a suspect she had been charged with offence II on 9 July 2024. At that time, she was informed of her rights and obligations, including the obligation to provide her address of residence for service in the country, which she indicated as [adres 1], She was also instructed of the consequences of changing the address, i.e. she was informed that in the event of her failure to indicate another address of residence or stay lasting more than 7 days, the delivery of correspondence to the provided address is deemed effective. The decision to present the charges and the instruction were signed by [opgeëiste persoon] in person.
[…]
Yes, when she was charged with offence I and interrogated as a suspect on 30 June 2024 and when she was charged with offence II and interrogated as the suspect on 9 July 2024, [opgeëiste persoon] indicated the same address of residence/long-term stay, i.e. [adres 1].
[…]
Yes, the arrest report of 8 July 2024, includes the address [adres 2]. However, subsequent operational activities undertaken on 9 July 2024 in the presence of [opgeëiste persoon] revealed the address [adres 1]. The summons to the hearing was not delivered to the address [adres 2], but only to the address [adres 1], where, incidentally, the court correspondence was served on an adult member of the household. The summons to the hearing on 14 October 2024, at which the court proceedings were closed and a judgement was issued in the case, was returned to the Court with a note of two unsuccessful service attempts and was, consequently, considered to have been effectively delivered to [opgeëiste persoon].”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro. De oproep voor de zitting is verstuurd naar het adres [adres 1], terwijl de opgeëiste persoon stelt en ter zitting uiteen heeft gezet dat zij tijdens de verhoren het adres [adres 2] heeft opgegeven bij de Poolse autoriteiten. Doordat de oproep enkel naar het adres [adres 1] is verstuurd, zijn de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon geschonden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Hoewel het vonnis is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW, genoemde omstandigheden voordoet, kan de rechtbank afzien van de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. De opgeëiste persoon is voor beide feiten verhoord en daarbij is in beide verhoren een adresinstructie gegeven. De opgeëiste persoon heeft toen het adres opgegeven waar de oproep voor de zitting naartoe is verstuurd. De enkele stelling dat zij een ander adres heeft opgegeven doet hier niet aan af.
Oordeel van de rechtbank
Zoals de rechtbank in haar tussenuitspraak reeds heeft overwogen strekt het EAB tot de tenuitvoerlegging van een vonnis zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW, genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 worden Pro geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Hiervoor is het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 2 december 2025 en 26 januari 2026 volgt dat de opgeëiste persoon op 30 juni 2024 en 9 juli 2024 is verhoord voor respectievelijk feit één en twee. In beide verhoren heeft de persoon een adresinstructie ontvangen met de verplichting om adreswijzigingen door te geven. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van deze adresinstructies getekend. Tijdens beide verhoren heeft de opgeëiste persoon het adres [adres 1] opgegeven. De oproep voor de zitting is vervolgens verstuurd naar dat adres en aan een volwassen huisgenoot uitgereikt. De enkele stelling van de opgeëiste persoon dat zij het adres [adres 2] had doorgegeven doet hier niet aan af.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen haar op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht op in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is zij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met de betrekking tot haar bereikbaarheid voor officiële correspondentie.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court of Zamość, Second Penal Division (Sąd Okręgowy w Zamościu II Wydział Karny),Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. L. Baroud en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.