ECLI:NL:RBAMS:2026:1931

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/13/781216 / FA RK 25-10174
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming inschrijving basisschool en wijziging zorgregeling voor minderjarige

Partijen, ouders van een minderjarige, zijn in geschil over de inschrijving van hun kind op een basisschool en de zorg- en vakantieregeling. De vrouw verzoekt vervangende toestemming voor inschrijving op basisschool [school 1] en wijziging van de zorgregeling. De man verzoekt inschrijving op basisschool [school 2] en aanpassing van de vakantieregeling.

De rechtbank weegt het belang van het kind en oordeelt dat inschrijving op [school 1] het meest passend is vanwege de nabijheid tot de woning van de vrouw, de sociale ontwikkeling van het kind en de beschikbaarheid van een BSO. De wekelijkse zorgregeling wordt aangepast conform de tussen partijen overeengekomen regeling. Het verzoek tot wijziging van de vakantieregeling wordt afgewezen omdat er geen gewijzigde omstandigheden zijn die dit rechtvaardigen.

Verder wordt bepaald dat bij afwezigheid van een ouder langer dan een week het kind twee keer per week videobelcontact heeft met die ouder, waarbij de partner van de ouder niet actief deelneemt aan het gesprek. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en partijen dragen elk hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor inschrijving op basisschool [school 1], wijzigt de wekelijkse zorgregeling en wijst het verzoek tot wijziging van de vakantieregeling af.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/781216 / FA RK 25-10174
Beschikking van 20 februari 2026 over vervangende toestemming inschrijving school en wijziging zorgregeling
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. K. van der Meij te Amsterdam.
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. O. Sener te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 31 december 2025;
  • het F9-formulier met bijlage van de vrouw, ingekomen op 4 februari 2026;
  • het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift, van de man, ingekomen op 9 februari 2026;
  • het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 9 februari 2026;
  • het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 11 februari 2026.
1.2.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting met gesloten deuren van 12 februari 2026. Verschenen en gehoord zijn:
- partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het thans minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] .
2.2.
[minderjarige] is erkend door de man. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
2.3.
Bij beschikking van 18 oktober 2024 van deze rechtbank is het verzoek van de vrouw voor vervangende toestemming tot verhuizing naar [plaats 1] afgewezen en is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij beide partijen bepaald. Daarnaast is een co-ouderschapsregeling vastgelegd, waarbij [minderjarige] tot het moment dat zij naar de basisschool gaat bij de man verblijft:
  • in de even weken: van dinsdagochtend, de vrouw brengt [minderjarige] naar man, tot vrijdagochtend, naar de opvang;
  • in de oneven weken: van dinsdagochtend 09:00 uur, de vrouw brengt [minderjarige] naar de man, tot woensdagochtend naar de opvang en vanaf vrijdagmiddag na de opvang tot maandagochtend, de man brengt [minderjarige] naar de vrouw.
Vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat verblijft zij bij de man:
  • in de even weken: van maandagmiddag uit school tot woensdagochtend naar school, en van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school;
  • in de oneven weken: van woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school.
Als vakantieregeling is bepaald, vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat:
  • herfstvakantie: in de even jaren bij moeder en de oneven jaren bij vader;
  • kerstvakantie: in de even jaren eerste week bij moeder en tweede week bij vader, waarbij [minderjarige] Tweede Kerstdag bij de vader is en tijdens Oud en Nieuw, en in de oneven jaren eerste week bij vader en de tweede week bij moeder, waarbij [minderjarige] op Tweede Kerstdag bij de moeder is en tijdens Oud en Nieuw;
  • voorjaarsvakantie: in de even jaren bij vader en de oneven jaren bij moeder;
  • meivakantie: in de even jaren de eerste week bij vader en de tweede week bij moeder en in de oneven jaren de eerste week bij moeder en de tweede week bij vader. Als de meivakantie één week duurt, dan in de even jaren bij moeder en de oneven jaren bij vader;
  • zomervakantie:
o tot [minderjarige] 11 jaar oud is: volgens een 1-2-2-1 weken schema waarbij [minderjarige] in de even jaren de eerste week bij de vader, daarna twee weken bij de moeder, dan twee weken bij de vader, en de laatste week bij de moeder is; gedurende de oneven jaren is [minderjarige] de eerste week bij moeder, daarna twee weken bij vader, dan twee weken bij moeder en de laatste week bij vader;
o vanaf dat [minderjarige] 11 jaar oud is: volgens een 3-3 weken schema: in de even jaren de eerste drie weken bij vader en de laatste drie weken bij moeder en in de oneven jaren de eerste drie weken bij moeder en de laatste drie weken bij vader;
 waarbij:
o de feitelijke schoolvakanties van [minderjarige] de vakantieregeling bepalen;
o de schoolvakanties beginnen op de laatste schooldag om 17.30 uur en eindigen op de laatste vrijdag van de vakantie om 17:30, waarna de reguliere zorgregeling weer wordt hervat;
o partijen hiervan in onderling overleg kunnen afwijken in het geval zij met [minderjarige] op vakantie willen;
o de verdeling van de verdere feestdagen en bijzondere dagen in overleg tussen partijen plaatsvindt.
2.4.
Bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 16 september 2025 is de beschikking van deze rechtbank van 18 oktober 2024 bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof is onderworpen.

3.Het verzoek

3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op de [school 1] in [plaats 2] en haar te machtigen alle (rechts)handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor een tijdige plaatsing van [minderjarige] op deze school zoals onder meer de intake;
II. de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 18 oktober 2024 te wijzigen en de volgende zorgregeling vast te stellen:
 elke maandag en dinsdag verblijft [minderjarige] bij de vrouw, de vrouw brengt [minderjarige] woensdagochtend naar school;
 elke woensdag en donderdag verblijft [minderjarige] bij de man, de man haalt [minderjarige] woensdag uit school en brengt haar vrijdagochtend naar school;
 de ene week vrijdag, zaterdag en zondag verblijft [minderjarige] bij de man, de man haalt [minderjarige] op vrijdag uit school en brengt haar maandag naar school;
 de andere week vrijdag, zaterdag en zondag verblijft [minderjarige] bij de vrouw, de vrouw haalt [minderjarige] vrijdag uit school waarna zij tot woensdagochtend bij de vrouw verblijft.
3.2.
De man voert verweer en verzoekt – bij zelfstandig verzoek – de rechtbank, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [school 2] te [plaats 2] ;
II. II. de zorgregeling vast te stellen conform het voorstel van de vrouw, met dien verstande dat de vakantieregeling vanaf het moment dat [minderjarige] vijf jaar oud is wordt aangepast conform het door de man voorgestelde schema:
 meivakantie: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man, ongeacht of de meivakantie één of twee weken duurt;
 zomervakantie:
 in de even jaren volgens een 1-3-2-weekschema, waarbij [minderjarige] de eerste week bij de man verblijft, vervolgens drie weken bij de vrouw en daarna twee weken bij de man;
 in de oneven jaren volgens een 2-3-1-weekschema, waarbij [minderjarige] de eerste twee weken bij de man verblijft, vervolgens drie weken bij de vrouw en daarna één week bij de man
III. te bepalen dat [minderjarige] bij afwezigheid van één van partijen van meer dan vijf aaneengesloten dagen recht heeft op regelmatig videobelcontact (eens per twee à drie dagen) met die ouder en diens partner, en dat dit contact door de andere ouder actief wordt gefaciliteerd;
IV. althans ten aanzien van het verzochte onder II en III een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie zal vernemen te behoren;
V. kosten rechtens.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4.De beoordeling

Vervangende toestemming inschrijving basisschool
De standpunten
4.1.
De vrouw stelt dat partijen drie basisscholen op de lotingslijst hebben geplaatst, waarvan de [school 1] de derde keuze was. Ook de vrouw was teleurgesteld dat [minderjarige] niet op de eerste of tweede keuze geplaatst is, deze scholen spraken partijen immers meer aan en liggen tussen de huizen van partijen in. Desondanks kan de vrouw berusten in de uiteindelijke plaatsing. De [school 1] past in de beleving van de vrouw qua kwaliteit, beleid, diversiteit en type onderwijs goed bij [minderjarige] en heeft sinds 2023 weer een goede reputatie. Er is plek voor [minderjarige] op de school en ook op de BSO die aan de school gekoppeld is.
Op verzoek van de man is de vrouw gaan kijken op zowel de [school 3] als de [school 2] . De [school 3] heeft echter geen plek voor [minderjarige] . De vrouw had bij de [school 2] totaal geen goed gevoel. De school is weinig divers en enorm prestatiegericht. De vrouw wil voor [minderjarige] een school die meer gemêleerd is, waarop alle verschillen tussen kinderen, zoals in niveau, afkomst en religie, welkom zijn. Om die reden heeft de vrouw aangegeven niet met de inschrijving van [minderjarige] op deze school te kunnen instemmen.
In de eerste plaats heeft de man ingestemd met een plaatsing van [minderjarige] op de [school 1] , van inhoudelijke bezwaren of bezwaren over de ligging heeft de man destijds geen blijk gegeven. Daarbij komt dat de school op loopafstand van het huis van de vrouw is. Dat is in het belang van [minderjarige] , zodat zij ook met nieuwe vriendjes en vriendinnetjes van school kan afspreken. Voorkomen moet worden dat partijen allebei op een andere plek wonen en [minderjarige] zich als enige in een wijk begeeft waar zij niet bekend is en vanuit beide woningen lang moet reizen. Tenslotte speelt ook mee dat het niet zeker is dat de man op zijn huidige adres blijft wonen. Eerder heeft hij aangegeven in verband met een gewenste gezinsuitbreiding naar [plaats 3] te gaan verhuizen. Uitgaande van een eventuele verhuizing, zou het niet logisch zijn nu een school te kiezen die tussen de woningen van partijen in ligt en uiteindelijk op grote afstand van beide adressen ligt.
4.2.
De man voert aan dat de vrouw expliciet heeft bevestigd dat het invullen van de lotingslijst geen definitieve plaatsing betreft. Onder tijdsdruk en uit zorg dat [minderjarige] anders mogelijk zonder schoolplaatsing zou blijven, heeft de man ingestemd met opname van alle bezochte scholen op de lotingslijst. Volgens de man was dit uitsluitend procedureel, en niet als inhoudelijke of definitieve instemming met plaatsing op de [school 1] . Partijen beoogden na de loting gezamenlijk een definitieve keuze te maken. Pas na de loting heeft de vrouw haar standpunt gewijzigd en zich uitsluitend gericht op de [school 1] .
De man benadrukt dat zijn standpunt ten aanzien van de schoolkeuze van [minderjarige] sinds het eerste overleg ongewijzigd is gebleven. Hij houdt vast aan de afspraak tussen partijen, waaruit volgt dat de school tussen de woningen van partijen gelegen moet zijn, concreet: [plaats 4] en [plaats 5] . Dit met het oog op gelijkwaardig ouderschap en praktische uitvoerbaarheid. Alleen onder die voorwaarde is de man ermee akkoord gegaan dat de vrouw naar [plaats 2] is verhuisd. Indien [minderjarige] naar de [school 1] zou gaan, zal zij daar vriendjes en vriendinnetjes maken en wordt het lastiger om mee naar de man te gaan. De man zal dan worden beperkt in zijn vaderrol. Daarnaast sluit de [school 1] niet aan bij de onderwijskundige en praktische uitgangspunten die de man in het belang van [minderjarige] acht. Zo heeft de school een lagere vwo-uitstroom dan de [school 2] . Daarnaast is de [school 1] in het recente verleden negatief beoordeeld door de Onderwijsinspectie.
De stelling van de vrouw dat de [school 2] onvoldoende divers of inclusief zou zijn, is onjuist. Op de website profileert de [school 2] zich expliciet als een diverse en inclusieve school, wordt er een actief gedrag- en pestprotocol gehanteerd en heeft de school een diverse leerlingenpopulatie. De [school 2] beschikt over aantoonbaar sterke onderwijskundige resultaten, is goed bereikbaar voor beide partijen en ligt binnen het afgesproken gebied. De [school 2] heeft bevestigd dat er een plek beschikbaar is voor [minderjarige] .
De vrouw baseert haar verzoek mede op aannames over een mogelijke toekomstige verhuizing van de man. De wens om te verhuizen was misschien eerder bij de man en zijn nieuwe partner wel aanwezig, maar thans niet. De aannames zijn aldus speculatief en onjuist. Er dient uit te worden gegaan van de huidige situatie en de feitelijke zorgverdeling, waarbij de zorg voor [minderjarige] gelijkelijk tussen partijen is verdeeld.
Bij de beoordeling van het belang van [minderjarige] neemt de man tevens mee dat hij een kinderwens heeft. Het is in het belang van [minderjarige] dat eventuele toekomstige broertjes en/of zusjes dezelfde school kunnen bezoeken.
De rechtbank
4.3.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag – waaronder begrepen een geschil over de inschrijving van de minderjarige op een school – aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank dient in dergelijke geschillen een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Bij deze beoordeling dient de rechter de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en tegen elkaar af te wegen. Het belang van de minderjarige dient daarbij een overweging van de eerste orde te zijn. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, kunnen andere belangen zwaarder wegen.
4.4.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat de intake op 19 februari 2026 op de [school 1] kan plaatsvinden. Deze is immers schooloverstijgend.
4.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn akkoord gegaan met de plaatsing van de [school 1] op de lotingslijst. Hoewel dit voor beide partijen niet hun eerste keuze was, is [minderjarige] uiteindelijk ingeloot op deze school. Partijen verschillen van mening over de inhoud van de door hen gemaakte afspraak met betrekking tot de definitieve inschrijving. Zo stelt de man dat er een strikte afspraak ligt, waaruit volgt dat de school van [minderjarige] tussen de woningen van partijen gelegen dient te zijn. Volgens de vrouw zou de ligging van de school een wens zijn van partijen, maar geen concreet vereiste. Op meerdere scholen is inmiddels geen plek meer voor [minderjarige] . Nu partijen het niet eens kunnen worden over waar [minderjarige] het beste naar school kan gaan, zal de rechtbank daarover een beslissing nemen.
4.6.
Alle belangen in aanmerking nemend acht de rechtbank de inschrijving van [minderjarige] op de [school 1] het meest in haar belang. Doorslaggevend voor deze beslissing zijn de volgende aspecten. Het is van belang dat [minderjarige] naar een basisschool gaat op een plek waar zij zich op sociaal en cognitief vlak kan ontwikkelen. De basisschooltijd is de fase waarin de wereld van een kind steeds groter wordt, een kind zelfstandigheid ontwikkelt en zich sociaal-emotioneel steeds verder ontplooit. Kinderen maken nieuwe vriendjes en vriendinnetjes, krijgen naschoolse activiteiten en moeten, vanuit de veiligheid die de ouders het kind bieden, steeds verder losgelaten worden. Indien wordt gekozen voor een basisschool die tussen de woningen van partijen in is gelegen, waar inschrijving op de [school 2] op neerkomt, brengt dit met zich mee dat [minderjarige] gedurende de komende acht jaar in belangrijke mate afhankelijk zal blijven van partijen om haar – met de auto – naar school te brengen en haar weer op te halen. Dit geldt tevens voor sociale (naschoolse) activiteiten. De rechtbank is van oordeel dat [minderjarige] hierdoor in haar sociaal-emotionele ontwikkeling geremd zou kunnen worden. Dit is anders op het moment dat [minderjarige] , in ieder geval vanuit een van haar woningen, lopend of fietsend naar school kan en gemakkelijk uit school met haar vriendjes en vriendinnetjes kan spelen. Nu er een co-ouderschapregeling geldt tussen partijen, hoeft [minderjarige] op de dagen dat zij bij de vrouw verblijft in ieder geval niet onnodig in de auto te zitten. De woning van de vrouw bevindt zich immers op 5 minuten loopafstand van de [school 1] .
Daarnaast dient ook voor [minderjarige] duidelijk te worden naar welke school zij zal gaan, zodat zij zich daar, samen met partijen, op kan voorbereiden. De man heeft onvoldoende duidelijkheid en zekerheid kunnen geven met betrekking tot de inschrijving op de [school 2] en geen informatie gegeven over de benodigde BSO. De vrouw heeft daarentegen tevens een plek voor [minderjarige] kunnen bemachtigen op de BSO, behorend bij de [school 1] .
De kwaliteit van beide scholen is door de Onderwijsinspectie beoordeeld met een voldoende. Daarin verschillen de scholen dus niet. Aan dat argument van de vader gaat de rechtbank dan ook voorbij.
4.7.
Tot slot zal de rechtbank de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing direct geldt , ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank acht het van belang dat [minderjarige] , zonder uitstel, direct vanaf haar vierde levensjaar op school kan beginnen. Volgens partijen is [minderjarige] een slim en ver ontwikkeld meisje. Onderhavige discussie tussen partijen zou haar inschrijving op een basisschool, en de daaruit voortvloeiende verdere ontwikkeling en de gewenste uitdaging voor [minderjarige] , niet in de weg moeten staan.
4.8.
Gelet op het voorgaande, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen voor het inschrijven van [minderjarige] op de [school 1] toe. Het verzoek van de man wordt dan ook afgewezen.
Zorgregeling
Overeenstemming wekelijkse zorgregeling
4.9.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen de volgende definitieve wekelijkse zorgregeling overeengekomen:
  • [minderjarige] verblijft elke maandag en dinsdag bij de vrouw. De vrouw brengt [minderjarige] woensdagochtend naar school;
  • [minderjarige] verblijft elke woensdag en donderdag bij de man. De man haalt [minderjarige] woensdag uit school en brengt haar vrijdagochtend naar school;
  • [minderjarige] verblijft de ene week vrijdag, zaterdag en zondag bij de man. De man haalt [minderjarige] vrijdag uit school en brengt haar maandag naar school;
  • [minderjarige] verblijft de andere week vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw. De vrouw haalt [minderjarige] vrijdag uit school, waarna zij tot woensdagochtend bij de vrouw verblijft.
4.10.
De rechtbank zal deze zorgregeling in de beslissing vastleggen, nu de rechtbank deze regeling in het belang van [minderjarige] voorkomt.
Vakantieregeling
De standpunten
4.11.
De man stelt dat de huidige vakantieregeling onuitvoerbaar is, waardoor deze gewijzigd dient te worden. Uit de overgelegde communicatie blijkt dat verzoeken van de vrouw tot wijziging of overname van zorgmomenten door de man doorgaans zonder discussie en met flexibiliteit worden gehonoreerd. Verzoeken van de man in het kader van vakanties, zoals een langere reis naar [plaats 6] om familie te bezoeken, leiden daarentegen veelal tot langdurige afstemming, uitstel van besluitvorming en herhaaldelijke inhoudelijke discussies. Deze wijze van communiceren maakt het plannen van vakanties onnodig complex en belastend en leidt tot herhaalde spanningen tussen partijen. Dit komt de rust, voorspelbaarheid en het welzijn van [minderjarige] niet ten goede. De man acht het in het belang van [minderjarige] dat hierover meer duidelijkheid en voorspelbaarheid wordt gecreëerd.
4.12.
De vrouw stemt niet in met een wijziging van de vakantieregeling zoals vastgelegd bij beschikking van 18 oktober 2024 van deze rechtbank, en zoals bekrachtigd bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 16 september 2025. Gezien de leeftijd van [minderjarige] acht de vrouw het in haar belang dat zij niet te lang zonder de andere ouder hoeft te zijn. Partijen zijn al eerder overeengekomen dat de vakantieregeling vanaf het elfde levensjaar van [minderjarige] zal wijzigen.
De rechtbank
4.13.
Op grond van artikel 1:253a lid 2 onder a, BW kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling), alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.
4.14.
De rechtbank neemt vervolgens een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat het van belang is voor een evenwichtige ontwikkeling van minderjarigen dat zij een relatie onderhouden met beide ouders en dat zij regelmatig contact hebben met de niet verzorgende ouder.
4.15.
Op grond van artikel 1:253a lid 4 BW, in samenhang met artikel 1:377e lid 4 BW, kan de rechtbank de zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.16.
De rechtbank overweegt als volgt. Relevant is de vraag of zich, na 16 september 2025, de datum van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam, een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan voormelde beschikking dient te worden gewijzigd. De man stelt dat, nu de vrouw geen flexibiliteit toont in de verzoeken van de man met betrekking tot de vakanties, de huidige vakantieregeling onuitvoerbaar is. Volgens de man is dit een reden tot wijziging van de vakantieregeling.
De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De vakanties zijn bij helfte verdeeld en daartoe is een weloverwogen regeling bepaald in de beschikking van 18 oktober 2024 van deze rechtbank. In de aanloop naar het hoger beroep hebben partijen op 2 september 2025 het gerechtshof Amsterdam verzocht de zorgregeling, mede houdende de vakantieregeling, te bekrachtigen. Op dat moment werd de vakantieregeling al bijna een jaar uitgevoerd. De rechtbank acht de vakantieregeling dan ook uitvoerbaar. Dat partijen tegen een aantal problemen aanlopen met betrekking tot flexibiliteit, levert geen zodanige wijziging van omstandigheden op die een wijziging van de huidige vakantieregeling rechtvaardigt. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.
Contactmoment tijdens vakanties
De standpunten
4.17.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige] bij afwezigheid van één van partijen van meer dan een week, zoals tijdens de vakanties, recht heeft op videobelcontact met de afwezige ouder. [minderjarige] heeft twee keer per week videobelcontact met de afwezige ouder, voor de duur van tien minuten om 18:30 uur in de tijdzone waar [minderjarige] op dat moment verblijft.
4.18.
Partijen zijn het niet eens geworden over de vraag of de partner van de ouder aanwezig mag zijn tijdens deze videobelmomenten. Daartoe voeren partijen het volgende aan.
4.19.
De man stelt dat zijn partner een belangrijke rol speelt in het leven van [minderjarige] . Zij is immers de helft van de tijd bij de man en zijn partner. Op het moment dat aan de vrouw wordt gevraagd om een videobelmoment tot stand te brengen, verbindt zij daar continue voorwaarden aan. Zo mag de partner van de man niet deelnemen aan het gesprek, en zelfs niet op de achtergrond aanwezig zijn. De partner van de man hoort bij het gezin. Volgens de man geeft het een negatief beeld af aan [minderjarige] als de partner geen onderdeel mag zijn van deze gesprekken, terwijl zij wel een aanwezige rol vervult in het leven van [minderjarige] .
4.20.
De vrouw voert aan dat een videobelmoment tussen een ouder en kind dient te zijn. Dat heeft volgens de vrouw ook met privacy te maken. Het contact dat de partner en [minderjarige] met elkaar hebben, vindt plaats op het moment dat [minderjarige] bij de man verblijft. De vrouw ziet geen grondslag voor het videobelcontact tussen [minderjarige] en de partner van de man.
De rechtbank
4.21.
De rechtbank overweegt als volgt. Op het moment dat [minderjarige] , dan wel een van partijen, voor langere tijd op vakantie is, acht de rechtbank het in haar belang dat zij videobelcontact heeft met de afwezige ouder. Het uitgangspunt is immers dat een kind regelmatig contact heeft met de ouders. Naar het oordeel van de rechtbank dient het gesprek dan ook plaats te vinden tussen [minderjarige] en de afwezige ouder. Dat is een fijn moment voor [minderjarige] .
Nu de partner van de man bij hem woont, kan zij wel aanwezig zijn in de ruimte waar wordt gebeld, of even gedag zeggen tegen [minderjarige] . Zij hoeft niet volledig buiten beeld te blijven. Niet is gebleken dat [minderjarige] dat immers zou wensen of anderszins in haar belang zou zijn. Het gesprek blijft echter tussen [minderjarige] en de afwezige ouder.
De rechtbank zal daarom geen regeling vastleggen voor het contact tussen [minderjarige] en de partners van partijen.
Proceskosten
4.22.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van partijen de eigen kosten draagt.
4.23.
Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verleent de vrouw toestemming om de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] , in te schrijven op basisschool de [school 1] in [plaats 2] en alle (rechts)handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor een tijdige plaatsing van voornoemde minderjarige op deze school, welke toestemming die van de man vervangt;
5.2.
wijzigt de door het gerechtshof Amsterdam op 16 september 2025 bekrachtigde beschikking van 18 oktober 2024 van deze rechtbank in die zin dat de onder rechtsoverweging 4.9. vastgelegde regeling als definitieve wekelijkse zorgregeling geldt;
5.3.
handhaaft de beschikking van 18 oktober 2024 van deze rechtbank, voor zover bekrachtigd in de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 16 september 2025, voor het overige;
5.4.
bepaalt dat bij langere afwezigheid van één van partijen, te weten langer dan een week, [minderjarige] twee keer per week videobelcontact heeft met de afwezige ouder, voor de duur van tien minuten om 18:30 uur in de tijdzone waar [minderjarige] zich op dat moment begeeft;
5.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt;
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. A.B. Sluijs, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hulskes als griffier, op 20 februari 2026. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).