ECLI:NL:RBAMS:2026:194

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
AMS 25/7163
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 172a GemeentewetArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen gebiedsverbod wegens openbare ordeverstoring

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een gebiedsverbod dat de burgemeester van Amsterdam aan hem heeft opgelegd voor de periode van 11 december 2025 tot en met 10 februari 2026 in een wijk in Amsterdam. Het gebiedsverbod is opgelegd op grond van artikel 172a van de Gemeentewet vanwege herhaalde ernstige verstoringen van de openbare orde door verzoeker.

De voorzieningenrechter heeft het spoedeisend belang van verzoeker erkend, omdat het gebiedsverbod directe werking heeft en de bezwaarprocedure naar verwachting niet binnen de looptijd van het verbod zal zijn afgerond. De rechter heeft vervolgens getoetst of de burgemeester bevoegd was het gebiedsverbod op te leggen en of dit in redelijkheid is gebeurd.

De rechter acht de bevoegdheid van de burgemeester tot oplegging van het gebiedsverbod gegrond, mede op basis van een bestuurlijke rapportage van de politie met meerdere incidenten waarin verzoeker betrokken was. De rechter vindt dat het gebiedsverbod proportioneel en subsidiariteit is toegepast, gezien de ernst en herhaling van de ordeverstoringen en het onvoldoende effect van eerdere hulpverlening en interventies.

Hoewel de moeder van verzoeker niet eerder op de hoogte was gesteld van de incidenten, acht de rechter dit geen reden om het besluit onrechtmatig te verklaren. De voorzieningenrechter concludeert dat het gebiedsverbod bij bezwaar stand zal houden en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het gebiedsverbod wordt afgewezen omdat het besluit rechtmatig en proportioneel is genomen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/7163

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. G.L.D. Thomas),
en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. M.I. Houben en mr. W. Strebus).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een gebiedsverbod dat door verweerder aan verzoeker is opgelegd. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.
Met het bestreden besluit van 10 december 2025 heeft verweerder aan verzoeker een gebiedsverbod opgelegd van 11 december 2025 tot en met 10 februari 2026 voor een gebied in de omgeving [wijk] te Amsterdam. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat het gebiedsverbod wordt geschorst tot acht weken na de beslissing op bezwaar.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de moeder van verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het gebiedsverbod
3.1.
Verweerder heeft met het bestreden besluit op grond van artikel 172a van de Gemeentewet aan verzoeker een gebiedsverbod opgelegd in de periode van 11 december 2025 tot en met 10 februari 2026. Het verbod geldt voor het gebied in de omgeving [wijk] in Amsterdam dat is aangegeven op de bij het bevel aangehechte kaart. Omdat verzoeker in dit gebied woont en noodzakelijke zorg krijgt, heeft verweerder bij het gebiedsverbod een corridor verleend, zodat verzoeker zich naar zijn woning en de zorglocatie kan begeven zonder dat dit een overtreding van het gebiedsverbod inhoudt.
3.2.
Verweerder heeft het gebiedsverbod opgelegd omdat verzoeker volgens verweerder herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord in de omgeving [wijk] in Amsterdam. Verzoeker heeft volgens verweerder in dit verband verschillende overtredingen van de Algemene Plaatselijke Verordening en/of andere strafbare feiten gepleegd. Verweerder leidt dit af uit het rapport van de politie, Eenheid Amsterdam, van 29 november 2025.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Verzoeker voert in dit kader aan dat sprake is van een onomkeerbare of moeilijk herstelbare situatie. Het gebiedsverbod heeft namelijk directe werking en raakt verzoeker dagelijks terwijl de bezwaarprocedure naar verwachting niet binnen de looptijd van het gebiedsverbod zal worden afgerond. Het spoedeisend belang is niet in geschil tussen partijen en de voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang hiermee aanwezig. Dit brengt met zich mee dat de voorzieningenrechter overgaat tot het geven van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit. In dit verband moet de voorzieningenrechter toetsen of verweerder bevoegd was het gebiedsverbod op te leggen en of verweerder het gebiedsverbod in redelijkheid heeft kunnen opleggen.
Is verweerder bevoegd het gebiedsverbod op te leggen?
5.1.
Verweerder heeft gelet op artikel 172a van de Gemeentewet de bevoegdheid om een gebiedsverbod op te leggen indien een persoon individueel of in groepsverband ernstig of herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord in een gebied en dat ernstige vrees bestaat voor een verdere verstoring van de openbare orde in het betreffende gebied. Deze vrees moet aanwijsbaar zijn; dat wil zeggen dat dit moet blijken uit concrete aanwijzingen. Het feit dat iemand in het verleden betrokken is geweest bij ernstige ordeverstoringen kan zo’n concrete aanwijzing zijn. [1]
5.2.
Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op een op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage van de politie, Eenheid Amsterdam, van 29 november 2025. In deze rapportage zijn de situaties omschreven waarbij de politie in het kader van haar toezichthoudende taak in de openbare ruimte, dan wel naar aanleiding van overlastmeldingen of onderzoek naar strafbare feiten met verzoeker in aanraking is gekomen. In de rapportage is vermeld dat er in afgelopen drie jaar 93 politieregistraties op naam van verzoeker zijn geschreven. Tijdens deze incidenten is verzoeker door de politie aangetroffen, in het overgrote deel van de gevallen samen met andere jongeren en waarbij sprake was van hinderlijk en overlastgevend gedrag in de openbare ruimte. De voorzieningenrechter verwijst in het bijzonder naar een aantal incidenten die in de rapportage worden genoemd:
- 14 augustus 2025, verzoeker is door de politie aangehouden omdat hij na sluitingstijd gebruik maakte van de buitenbaden van het zwembad;
- 2 oktober 2025, naar aanleiding van een melding over vuurwerkoverlast is verzoeker gecontroleerd. De politie heeft verzoeker vuurwerk zien afsteken waarvoor hij een bon kreeg;
- 12 oktober 2025, de politie gaat ter plaatse naar aanleiding van een melding van een vechtpartij. Een persoon had gevochten met andere aanwezigen, waaronder verzoeker. De jongeren die gecontroleerd werden, leken de politie-inzet grappig te vinden en waren niet onder de indruk;
- 21 november 2025, de politie krijgt de melding om naar het [adres 1] te gaan. Aldaar werd opgetreden tegen een ontstoken vuur op het veld en het gooien van flessen en vuurwerken tegen een voertuig van de handhaving. De politie zag tijdens hun optreden dat verzoeker, samen met een andere persoon, op een fatbike rondreed en brandbare spullen naar de vuurplaats bracht en op het vuur gooide. Ook werd de politie door zowel verzoeker als de andere persoon op een provocerende wijze uitgejoeld. De politie controleerde de fatbike en schreef een proces-verbaal uit vanwege de vele gebreken hieraan.
- 29 november 2025, de politie ontvangt de opdracht om naar de [adres 2] te gaan alwaar
ondergrondse containers in brand stonden. De politie heeft camerabeelden terug kunnen kijken en zag twee ambtshalve bekende personen, waaronder verzoeker, vuurwerk afsteken in de omgeving en brandend vuurwerk gebruiken om de ondergrondse container mee in brand te steken. Verzoeker wordt aan de hand van de camerabeelden herkend en wordt een dag later aangehouden, nadat hij zichzelf meldt bij het politiebureau.
5.3.
Gelet op deze incidenten is de voorzieningenrechter van oordeel dat het aannemelijk is dat verzoeker daadwerkelijk overlast heeft veroorzaakt en daarmee ernstig de openbare orde heeft verstoord. De enkele blote ontkenning door verzoeker van een aantal incidenten die in de bestuurlijke rapportage staan beschreven, is onvoldoende om de voorzieningenrechter te laten twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de bestuurlijke op ambtseed opgemaakte rapportage. Ten aanzien van de voorwaarde dat het gebiedsverbod slechts kan worden opgelegd bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde overweegt de voorzieningenrechter dat de vermelde situaties geen op zichzelf staande incidenten zijn maar een reeks van herhaalde structurele overlast die door verzoeker is veroorzaakt. Gezien het feit dat verzoeker in het verleden betrokken is geweest bij ordeverstoringen heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat daarmee sprake is van een ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder op grond van artikel 172a van de Gemeentewet bevoegd was tot het opleggen van het gebiedsverbod.
Heeft verweerder het gebiedsverbod in redelijkheid kunnen opleggen?
6.1.
Verzoeker voert aan dat niet wordt voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het opgelegde gebiedsverbod is onevenredig zwaar in verhouding tot het beoogde doel. Het betreft immers een vergaand vrijheidsbeperkend bevel voor een minderjarige. Volgens verzoeker heeft verweerder ten onrechte niet onderzocht en onvoldoende gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een minder ingrijpend instrument. Er hadden bijvoorbeeld afspraken met hem of met zijn ouders gemaakt kunnen worden. Verzoeker is bereid om hulp en begeleiding te accepteren.
6.2.
Met betrekking tot de proportionaliteit overweegt de voorzieningenrechter dat de beperking van het recht zich vrijelijk te verplaatsen in verhouding moet staan tot het te bereiken doel. Doel van de maatregel is dat het patroon van aanhoudende groepsoverlast voor een langere periode wordt doorbroken en dat wordt voorkomen dat verzoeker in zijn ‘oude gewoonten’ terugvalt. Er moet een evenwicht zijn tussen de bescherming van het algemeen belang bij het voorkomen van een verstoring van de openbare orde enerzijds en het individuele belang van verzoeker anderzijds. Dit betekent dat de maatregel waardoor verzoeker beperkt wordt in zijn bewegingsvrijheid, niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk en dat het gebied waarop het gebod ziet, zo beperkt mogelijk moet worden gehouden.
6.3.
De gemachtigde van verweerder heeft op zitting toegelicht dat verweerder heeft gekozen voor een gebiedsgebod van twee maanden omdat bij verweerder de ernstige vrees voor een verdere verstoring van de openbare orde in het betreffende gebied bestond specifiek voor de jaarwisseling. Verweerder heeft ervoor gekozen om het gebiedsverbod tot 10 februari 2026 te laten gelden omdat het vaak in de maand na de jaarwisseling nog onrustig is. Gelet op deze motivering is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder het gebiedsverbod in redelijkheid heeft kunnen opleggen voor de duur van twee maanden. Een gebiedsverbod korter dan twee maanden zou ook onvoldoende effectief zijn om het patroon van gedragingen door verzoeker te doorbreken.
6.4.
Ten aanzien van de subsidiariteit ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om in dit geval aan te nemen dat met een lichtere maatregel volstaan had kunnen worden. Tijdens de gerapporteerde incidenten is verzoeker herhaaldelijk gewaarschuwd door de politie en heeft hij de kans gehad zijn gedrag te corrigeren. Daarnaast is verzoeker vanaf 2023 bekend bij Jeugd en Veiligheid van de gemeente Amsterdam en heeft in dit kader hulpverlening gehad. Verder is recent een groepsaanpak, genaamd [projectnaam] , gestart die zich richt op het terugdringen van overlast en het voorkomen van crimineel gedrag binnen een vaste jongerenkern, waarbij strak toezicht en gerichte interventies worden ingezet. Ook worden er individuele maatregelen toegepast die aansluiten op de rol en het risiconiveau van elk groepslid. Gezien de ernst en het structurele karakter van de door verzoeker gepleegde feiten, evenals het feit dat verzoeker ondanks verschillende waarschuwingen van de politie blijft volharden in zijn orde verstorende gedrag blijkt dat de hulpverlening en de [projectnaam] onvoldoende effect hebben gehad. Verweerder mocht daarom overgaan tot het opleggen van het gebiedsverbod en mocht daarbij overwegen dat niet gebleken is dat met hulpverlening of afspraken met verzoeker hetzelfde doel bereikt had kunnen worden als met het gebiedsverbod, namelijk het herstellen van de verstoorde openbare orde.
7. Verder heeft de moeder van verzoeker ter zitting nog naar voren gebracht dat zij door de autoriteiten nimmer op de hoogte is gebracht van de door verweerder in het dossier opgenomen incidenten en dat het opgelegde gebiedsverbod voor haar als een verrassing kwam. Hoewel de voorzieningenrechter het onwenselijk vindt dat de ouders van verzoeker niet eerder op de hoogte zijn gesteld van de (vele) incidenten en registraties rondom verzoeker, betekent dit niet dat het besluit onrechtmatig is. Daarbij wijst de voorzieningenrechter er ook op dat er op 30 november 2025 een huisbezoek heeft plaatsgevonden bij verzoeker waardoor de moeder van verzoeker in ieder geval sindsdien op de hoogte was van de incidenten en dat verweerder op 4 december 2025 aan de gemachtigde van verzoeker een afschrift heeft verzonden van het voornemen aan verzoeker een gebiedsverbod op te leggen. Moeder en/of de gemachtigde van verzoeker hebben echter geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid mondeling of schriftelijk een zienswijze in te dienen.
8. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat het bestreden besluit bij de heroverweging in bezwaar stand zal kunnen houden. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Onder deze omstandigheden wordt evenmin aanleiding gezien om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 2007/08, 31467, nr. 3, p. 6.