ECLI:NL:RBAMS:2026:195

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
AMS 25/7081 en AMS 25/7149
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent Gedrag voor taxichauffeur wegens recente antecedenten

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen vanwege recente justitiële antecedenten. Eiser is taxichauffeur en heeft zijn werkzaamheden moeten staken nadat zijn chauffeurskaart werd ingetrokken wegens het ontbreken van een geldige VOG. Hij verzocht om een voorlopige voorziening en stelde beroep in tegen de afwijzing.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder terecht het objectieve criterium toepaste, waarbij de recente en zware antecedenten een belemmering vormen voor de functie. Het subjectieve criterium, waarbij persoonlijke omstandigheden worden meegewogen, leidt niet tot een andere uitkomst omdat het tijdsverloop sinds de laatste veroordeling te kort is en het risico voor de samenleving nog onvoldoende is afgenomen.

Hoewel eiser financiële problemen heeft en een spoedeisend belang bij de VOG heeft, weegt het belang van de bescherming van de samenleving zwaarder. De voorzieningenrechter wijst het beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening af. Eiser wordt vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht, maar krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag af vanwege te recente en zware antecedenten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/7081 en AMS 25/7149
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 januari 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. K. Cras),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Spekreijse).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser voor een VOG mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een VOG. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 2 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van
29 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.2.
Verweerder heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Vrijstelling griffierecht
3. Eiser heeft om vrijstelling verzocht van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt. Eiser wordt in deze procedure daarom (definitief) vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Spoedeisend belang
4.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
4.2.
Eiser is sinds april 2022 werkzaam als taxichauffeur binnen zijn eigen onderneming [bedrijf] . Hiervoor is het noodzakelijk dat hij een chauffeurskaart heeft bij KIWA. De chauffeurskaart van eiser is in juli 2025 ingetrokken door KIWA wegens het niet tijdig kunnen overleggen van een nieuwe VOG. Sindsdien kan eiser zijn werkzaamheden niet meer uitvoeren en heeft hij geen inkomsten meer. Ook heeft eiser schulden omdat hij sinds juli 2025 volledig afhankelijk is van leningen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Eiser heeft verschillende leningsovereenkomsten overgelegd waaruit blijkt dat hij de afgelopen maanden van verschillende mensen in zijn omgeving geld heeft geleend. Eiser heeft daarover op de zitting toegelicht dat hij zich daarmee heeft kunnen redden tot de bezwaarfase maar dat zijn omgeving niet bereid is om hem voor langere periode financieel te blijven steunen tot aan de uitspraak in de bodemprocedure. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hij 40 uur per week naar school/stage gaat en dat het daarom lastig is om op een andere manier voldoende inkomsten te generen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met deze omstandigheden er voldoende sprake is van een spoedeisend belang.
4.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser. [1]
Toetsingskader
5. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de minister de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 (de Beleidsregels). In de Beleidsregels is bepaald dat als een aanvrager voorkomt in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) verweerder aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt of de afgifte van een VOG gerechtvaardigd is. Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt verweerder of de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Is daarvan sprake, dan zal de aanvraag in beginsel worden afgewezen. Bij het subjectieve criterium beoordeelt verweerder, als is voldaan aan het objectieve criterium, of de omstandigheden van het geval ertoe moeten leiden dat toch een VOG moet worden afgegeven. Bij het subjectieve criterium wordt beoordeeld of het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het eerdergenoemde risico voor de samenleving. Als dat zo is, wordt de VOG afgegeven, ook al wordt voldaan aan het objectieve criterium. Bij de toepassing van het subjectieve criterium worden in ieder geval als relevante omstandigheden betrokken de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. De aanvraag is beoordeeld op basis van het screeningsprofiel voor de taxibranche; chauffeurskaart.
Het objectieve criterium
6. Tussen partijen is niet in geschil dat de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd.
Het subjectieve criterium
7.1.
Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening houdt met zijn persoonlijke omstandigheden en belangen. Hoewel eiser is veroordeeld tot een relatief zware straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, is dit antecedent in een bijzondere, incidentele context gepleegd, waardoor voor een goede uitoefening van zijn beroep als taxichauffeur, geen vrees voor herhaling aanwezig is. Verder voert eiser aan dat hij slechts twee antecedenten heeft staan in zijn JDS en dat er in geen enkel opzicht sprake is van recidive. Daarnaast heeft het incident waarvoor hij relatief zwaar is gestraft, zich niet tijdens het uitoefenen van de taxiwerkzaamheden afgespeeld en is het van belang om dit delict - in samenhang met het verstreken tijdsverloop én alle relevante persoonlijke ontwikkelingen sindsdien - te beoordelen in het licht van de jeugdige leeftijd van eiser.
7.2.
Ten aanzien van het subjectieve criterium overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verweerder heeft alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging betrokken. Verweerder heeft hierbij groot belang mogen hechten aan de aard en afdoening van de antecenten en het geringe tijdsverloop sindsdien. Eiser is in 2025 tweemaal met justitie in aanraking gekomen voor strafbare feiten die niet te verenigen zijn met de beoogde functie als taxichauffeur. Zo is eiser op 19 maar 2025 in eerste aanleg veroordeeld voor een geweldsdelict tot een gevangenisstraf van 30 dagen waarna hij op 4 juni 2025 weer in aanraking is gekomen met justitie en een strafbeschikking van € 900,- opgelegd heeft gekregen voor het niet gebruiken van de taxameter. Ten tijde van deze delicten was eiser meerderjarig. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de antecedenten te recent zijn om te kunnen vaststellen dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen en daarbij heeft mogen betrekken dat deze antecedenten eiser zwaar zijn aangerekend.
7.3.
Eiser heeft aangevoerd, dat hij zijn verleden achter zich wil laten en zich wil richten op de toekomst zonder contacten met justitie en dat er daarom sprake is van een laag recidiverisico. Eiser heeft ter onderbouwing daarvan verklaringen van zijn oude werkgever en de reclassering overgelegd. De voorzieningenrechter vindt het positief dat eisers oude werkgever en de reclassering aangeven dat eiser goed gedrag laat zien en dat zij de kans klein achten dat eiser opnieuw de fout ingaat. Dat werkt in eisers voordeel maar is in dit geval niet doorslaggevend. De overgelegde verklaringen leggen, gelet op het tijdsverloop, maar beperkt gewicht in de schaal. Ten tijde van het bestreden besluit was nog geen half jaar verstreken sinds de laatste veroordeling waardoor er onvoldoende tijd is verstreken waarin eiser goed gedrag heeft laten zien.
7.4.
Verweerder heeft het persoonlijke belang van eiser, dat hij inkomstenverlies lijdt doordat hij zijn werk als taxichauffeur niet kan doen en nog geen ander werk heeft kunnen vinden, betrokken bij de besluitvorming. Maar gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van het beschermen van de samenleving op dit moment nog zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de VOG-aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.