ECLI:NL:RBAMS:2026:1950

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
AMS 25/3770 en 25/3966
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1 onder f OmgevingsplanArt. 5.1 lid 1 sub a OmgevingswetArt. 4.10 APVArt. 10 WelstandsnotaArt. 11 Welstandsnota
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging last onder dwangsom wegens onvoldoende motivering bij handhaving omgevingsplan en reclameregels

Eiseres exploiteert twee winkels waar toezichthouders overtredingen constateerden van het omgevingsplan en reclameregels, waaronder de verkoop van headshopartikelen en verboden reclame-uitingen. Verweerder legde lasten onder bestuursdwang en dwangsom op, die eiseres betwistte.

De rechtbank oordeelt dat het gebruik van de panden als headshop in strijd is met het bestemmingsplan en dat verweerder terecht bestuursdwang heeft opgelegd. Het beroep op overgangsrecht faalt omdat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruik als headshop vóór de peildatum bestond.

De rechtbank vernietigt echter de lasten onder dwangsom wegens onvoldoende motivering, met name omdat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de reclame-uitingen ontsierend zijn en geen advies van de welstandscommissie is ingewonnen. Verweerder wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Eiseres krijgt vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Lasten onder dwangsom vernietigd wegens onvoldoende motivering, lasten onder bestuursdwang bevestigd, nieuw besluit binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/3770 en 25/3966

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [persoon 1] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [persoon 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over verschillende lasten onder bestuursdwang en lasten onder dwangsom die verweerder aan eiseres heeft opgelegd voor overtredingen van het omgevingsplan en overtredingen van de reclameregels. Eiseres is het niet met deze besluiten van verweerder eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de besluiten op goede gronden heeft genomen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de lasten onder bestuursdwang heeft kunnen opleggen, omdat er inderdaad sprake is van een overtreding van de gebruiksregels van het bestemmingsplan. De lasten onder dwangsom worden door de rechtbank vernietigd, nu de motivering daarvan deze besluiten niet kan dragen. Eiseres krijgt ten aanzien van de lasten onder dwangsom dan ook gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Achtergrond van het geschil

2. Eiseres exploiteert twee winkels aan de [adres 1] en de [adres 2] .
2.1.
Op 18 april 2024 heeft een toezichthouder van verweerder een controle uitgevoerd in de winkels. Daarbij heeft verweerder verschillende overtredingen vastgesteld. Zo worden er in de winkels headshopproducten verkocht terwijl dat op deze locatie niet is toegestaan en is er verboden reclame aanwezig. In een rapport van bevindingen van 17 mei 2024 heeft hij zijn bevindingen voor [adres 1] neergelegd. In een rapport van bevindingen van 21 juni 2024 zijn de bevindingen voor [adres 2] neergelegd.
2.2.
Naar aanleiding van de controles heeft verweerder op 8 juli 2024 aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om handhavend op te treden, door het opleggen van een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom voor de begane overtredingen op de [adres 1] en de [adres 2] .
2.3.
Op 13 augustus 2024 heeft een toezichthouder van verweerder opnieuw een controle uitgevoerd aan de [adres 2] . Daar heeft hij op 11 september 2024 een rapport van bevindingen van opgesteld, met daarin foto’s. Bij deze controle heeft hij geconstateerd dat de eerder vastgestelde overtredingen niet zijn beëindigd.
2.4.
Op 4 november 2024 heeft een toezichthouder van verweerder ook opnieuw een controle uitgevoerd aan de [adres 1] . Daarvan heeft hij op 13 november 2024 een rapport van bevindingen opgesteld, met daarin foto’s. Bij deze controle is geconstateerd dat ook de overtredingen in deze winkel niet zijn beëindigd.
Besluit I - [adres 1]
2.5.
Met het besluit van 13 december 2024 (besluit 1) heeft verweerder eiseres een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang opgelegd voor het adres [adres 1] .
2.6.
Volgens verweerder is eiseres in overtreding, omdat zij in strijd met artikel 5.1, eerste lid, sub a, van de Omgevingswet heeft gehandeld door zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de onderliggende regelingen in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op de locaties van de winkels van eiseres was voor 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ (het bestemmingsplan) van kracht, aangevuld met het parapluplan ‘ [parapluplan] ’ (het parapluplan). Op de locatie geldt de bestemming ‘ [locatie] ’. Eiseres neemt het pand in strijd met die bestemming in gebruik als minisupermarkt en headshop. [1] In de winkel zijn grinders, bongs, pijpjes, roller trays, jointtubes, tips, cones, lange vloei en aanstekers met stamper voor het aanstampen van joints en meer aangetroffen. Verder zijn verzorgingsproducten aangetroffen, namelijk verschillende flessen drinken, tandenborstels, scheermesjes, haarverzorgingsproducten en meer. Eiseres handelt hiermee in strijd met het omgevingsplan. [2] De last onder bestuursdwang houdt in dat eiseres het gebruik van het pand als headshop en minisupermarkt binnen zes weken moet staken en gestaakt moet houden, op straffe van sluiting van het pand.
2.7.
Eiseres is daarnaast in overtreding omdat zij reclame heeft aangebracht (twee rekken) op of onmiddellijk achter het raam en reclame heeft bevestigd aan de buitenkant op de voorkant van het pand. Dit is in strijd met de welstandsnota ‘De Schoonheid van Amsterdam’ (welstandsnota) [3] en op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) [4] ontoelaatbaar. De last onder dwangsom strekt ertoe dat eiseres binnen zes weken voldoet aan de welstandsnota, door de wand en de reclame achter het raam aan de voorkant van de winkel te verwijderen, daarmee de etalage open te houden en de artikelen hangend aan de ingang van de winkel te verwijderen, op straffe van een dwangsom van in totaal € 3.000,- (€ 1.000,- voor de winkelwaren en € 2.000,- voor de raamfolie/het dichtzetten van de ramen).
Besluit II - [adres 2]
2.8.
Met het besluit van, eveneens, 13 december 2024 (besluit 2) heeft verweerder eiseres een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang opgelegd, voor het adres [adres 2] .
2.9.
Volgens verweerder is eiseres in overtreding omdat zij zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit heeft verricht. Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn op de gronden de regels van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] " en het paraplubestemmingsplan " [parapluplan] " van toepassing. De gronden hebben daarin de bestemming "Centrum -1" en de functieaanduiding “specifieke vorm van centrum: souvenirwinkel toegestaan in de eerste bouwlaag". Eiseres neemt het pand in strijd met die bestemming in gebruik als headshop. [5] In de winkel zijn grinders, bongs, pijpjes, roller trays, jointtubes, tips, cones, lange vloei en aanstekers met stamper voor het aanstampen van joints en meer aangetroffen. De last onder bestuursdwang houdt in dat eiseres binnen zes weken het gebruik als headshop dient te staken en gestaakt te houden, op straffe van sluiting van het pand.
2.10.
Volgens verweerder heeft eiseres daarnaast het raam dichtgezet met winkelwaren en uitstallingen onmiddellijk achter het raam en heeft zij winkelwaren aangebracht aan de gevel, zowel in de deuropening als aan de zijkant. [6] De last onder dwangsom houdt in dat eiseres binnen zes weken dient te voldoen aan de eisen van de APV en de welstandsnota, door de wand en de reclame achter het raam aan de voorkant van de winkel en de artikelen, hangend en uitgestald aan de ingang van de winkel, te verwijderen en verwijderd te houden binnen zes weken, op straffe van een dwangsom van in totaal € 6.000 (€ 500,- per m2 voor winkelwaren als reclame voor en aan het pand € 500,- en € 3.000,
€ 500 per raam, voor raamfolie/dichtzetten ramen).
2.11.
Op 13 januari 2025 heeft eiseres tegen beide besluiten bezwaar gemaakt en de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening. Op de zitting van de voorzieningenrechter op 23 januari 2025, hebben eiseres en verweerder – kort gezegd – afgesproken dat verweerder vier weken de gelegenheid krijgt om haar winkels zodanig aan te passen dat wordt voldaan aan de opgelegde lasten, en verweerder binnen de verlengde beslistermijn (van twaalf weken) een beslissing neemt op de bezwaren van eiseres. Indien tijdens de controle blijkt dat eiseres nog niet (volledig) voldoet aan de lasten, dan zal verweerder eiseres hierover informeren en nog een termijn van één tot twee weken geven om verdere aanpassingen te doen. Tot die tijd zal verweerder niet tot het uitoefenen van bestuursdwang of het verbeuren van een dwangsom overgaan.
2.12.
Op 20 februari 2025 heeft de eerste controle plaatsgevonden. In de rapportage van 21 februari 2025 is onder meer het volgende opgenomen: De reclame is weggehaald van de ramen, behalve een poster van Dubai chocolade. Aan de deur hangt een rooster met mutsen. Er liggen grinders in de etalage en een attribuut voor shisha op een vitrinekast. Op de entresol liggen (card) grinders, cannabis pijpjes, hempwraps, rollertrays, verschillende lengtes vloei, cones, seksstimulerende middelen, aanstekers met stamper om joints aan te stampen, liquids voor vaporisers en zilverpapier om te gebruiken voor shisha en joints.
2.13.
Verweerder heeft eiseres van deze bevindingen op de hoogte gesteld. Bij e-mail van 5 maart 2025 is namens eiseres gereageerd en zijn met een beroep op het gelijkheidsbeginsel foto's overgelegd van de etalages van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in de [adres 3] .
2.14.
Met de beslissingen van 10 juni 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de besluiten ongegrond verklaard. Vervolgens heeft er op 18 juni 2025 nog een controle plaatsgevonden in beide winkels. Hierbij is geconstateerd dat in de winkel aan de [adres 1] werd voldaan aan de opgelegde last onder bestuursdwang, maar in de winkel aan de [adres 2] niet, vanwege de aanwezigheid van lange vloei, filter tips, rolling trays en vier grinders. Hierop is de winkel aan de [adres 2] op 19 juni 2025 gesloten.
2.15.
Tegen de bestreden besluiten heeft eiseres op 20 juni 2025 ( [adres 2] ) respectievelijk 30 juni 2025 ( [adres 1] ) beroep ingesteld.
2.16.
De rechtbank heeft de beroepen op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
2.17.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn verlengd en partijen bericht uiterlijk zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de bestreden besluiten. Dat betekent in deze zaak dat de rechtbank beoordeelt of verweerder de lasten onder bestuursdwang en de lasten onder dwangsom terecht aan eiseres heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Last onder bestuursdwang – Headshop
Is sprake van een overtreding?
3.1.
Eiseres stelt dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 3.1 onder f van het omgevingsplan. Dit, omdat de producten die zij volgens verweerder moet verwijderen kwalificeren als souvenirs. Volgens eiseres gaat verweerder ten onrechte voorbij aan de definitie van souvenirs in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en de de toelichting daarop. In de toelichting wordt geschreven dat bij souvenirs moet worden gedacht aan producten die zijn voorzien van een opdruk met Amsterdamse symbolen. Tot Amsterdamse symbolen worden volgens de toelichting gerekend: “artikelen die appelleren aan de bekendheid van de stad vanwege de eenvoudige beschikbaarheid van drugs en seks. Producten voorzien van afbeeldingen van bijvoorbeeld cannabisblad en artikelen met seksgerelateerde vormen en afbeeldingen kwalificeren daarom eveneens als souvenirs.” Aangezien de producten van eiseres zijn voorzien van dergelijke afbeeldingen, voldoen deze aan deze definitie. Bovendien worden de betreffende artikelen ook daadwerkelijk als souvenirs verkocht aan toeristen. Dit, mede vanwege de locatie en de uitstraling van de winkels. Drugsgebruikers kopen hun middelen elders, nu de producten in de winkels van eiseres duurder en van mindere kwaliteit zijn dan bij headshops. Verder is het te onduidelijk welke artikelen er wel en niet kwalificeren als headshopartikelen en mag die onduidelijkheid niet voor risico van eiseres komen.
3.2.
Verweerder kan zich hierin niet vinden en stelt dat er sprake is van het gebruik van de panden als headshop, nu uit de rapporten van bevindingen blijkt dat er in beide panden producten worden verkocht waarvan voldoende aannemelijk is dat deze gerelateerd zijn aan het roken van cannabis of aan het gebruik van (water)pijpen en verdampers. Dat deze producten wellicht meer dan één toepassing vinden, sluit niet uit dat deze als headshopartikelen zijn aan te merken. Dat deze headshopproducten zijn voorzien van een afbeelding van bijvoorbeeld een cannabisblad of drie andreaskruizen, maakt volgens verweerder niet dat deze headshopproducten niet meer als headshopproducten kunnen worden gekwalificeerd.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat voor beide panden het gebruik als headshop, niet is toegestaan. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
3.4.
Volgens artikel 1.35 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan " [parapluplan] '' is een headshop “een detailhandelsvestiging waarin de hoofdactiviteit of één van de activiteiten wordt gevormd door de handel in artikelen voor het gebruiken van drugs, maar waar geen psychoactieve stoffen worden verkocht.” Een headshop verkoopt dus onder meer artikelen die zijn gerelateerd aan het roken van cannabis of aan het gebruik van (water)pijpen en verdampers.
3.5.
Tijdens de controles op 18 april 2024, 13 augustus 2024 en 4 november 2024 is vastgesteld dat in beide panden artikelen worden verkocht voor het gebruiken van drugs, namelijk grinders, bongs, pijpjes, roller trays, jointtubes, tips, cones, lange vloei en aanstekers met stamper. Hiermee staat volgens de rechtbank vast dat één van de activiteiten in de winkels werd gevormd door de handel in artikelen voor het gebruiken van drugs, zodat de winkels volgens de begripsomschrijvingen van het omgevingsplan als headshop moeten worden aangemerkt.
3.6.
Dat de definitie van een headshop artikel volgens eiseres te onduidelijk is volgt de rechtbank niet. Uit de hiervoor geciteerde definitie volgt dat het gaat om artikelen die zijn gerelateerd aan het roken van cannabis of aan het gebruik van (water)pijpen en verdampers. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een duidelijke, objectieve definitie. Dat geen sprake is van een limitatieve opsomming doet daar niet aan af. Verweerder heeft navolgbaar toegelicht dat daar bewust niet voor is gekozen. Bij een limitatieve opsomming zou immers het omgevingsplan telkens moeten worden gewijzigd indien er een nieuw headshop product op de markt komt.
3.7.
De omstandigheid dat sommige artikelen volgens eiseres meer dan één toepassing vinden, volgens de toelichting bij het omgevingsplan ook onder de definitie van souvenir vallen en dat deze producten voornamelijk door toeristen worden gekocht, neemt niet weg dat deze artikelen nog steeds gerelateerd zijn aan het gebruik van drugs waarmee ze in elk geval ook als headshopartikelen kwalificeren. Dat de winkels de ruimtelijke uitstraling hebben van een souvenirwinkel, zoals eiseres stelt, maakt dit ook niet anders. Uit de definitie blijkt namelijk dat de enkele verkoop van een headshopartikel al voldoende is om als headshop aangemerkt te worden.
3.8.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat sprake is van het gebruik als headshop, wat in strijd is met het omgevingsplan.
Overgangsrecht
4. Verder stelt eiseres dat haar een beroep op het overgangsrecht toekomt. In de panden werden vóór de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘ [parapluplan] ’ namelijk al headshopartikelen verkocht en nadat zij de winkels in september 2017 overnam, heeft eiseres dit gebruik ongewijzigd voortgezet. Dit blijkt uit de inkoopfacturen over de periode 2011 tot en met 2023 en zou bovendien bij verweerder bekend moeten zijn, aangezien er dagelijks toezichthouders door de [adres 3] lopen, aldus eiseres. Daarbij heeft eiseres verwezen naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 mei 2019, waaruit volgens haar blijkt dat het gebruik van het pand aan de [adres 2] door de jaren heen is gewijzigd van een tabakswinkel met rokersbenodigdheden, naar een winkel met ook souvenirs. Ook om deze reden komt eiseres een beroep op het overgangsrecht toe.
4.1.
Verweerder stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruik van de panden ten behoeve van de ondergeschikte verkoop van headshopartikelen al bestond ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Alleen inkoopfacturen zijn hiervoor onvoldoende. Het arrest van het gerechtshof Amsterdam kan eisers ook niet baten. Het arrest ziet alleen op [adres 2] en bovendien blijkt daaruit slechts dat de rechtsvoorganger van eiseres tabak en rokersbenodigdheden verkocht. Er wordt gesproken over sigaren, pijptabak en pijpen. Headshopartikelen, waarop deze procedure ziet, worden nergens genoemd, aldus verweerder.
4.2.
De rechtbank overweegt dat het planologisch strijdig gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, op grond van het overgangsrecht van het paraplubestemmingsplan mag worden voortgezet. Daarvoor is dan wel vereist dat het gebruik niet is geïntensiveerd, niet langer dan een jaar onderbroken is geweest en niet in strijd is met het voorheen geldende bestemmingsplan. [7] Het onderhavige bestemmingplan trad in werking op 13 september 2018 (hierna: de peildatum). Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de hoogste bestuursrechter, hierna: de Afdeling) is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat het overgangsrecht op haar van toepassing is. [8]
4.3.
Tussen partijen is in geschil of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de winkels vóór 13 september 2018 werden gebruikt voor de (ondergeschikte) verkoop van headshopartikelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de inkoopfacturen van eiseres alleen worden afgeleid dat (de rechtsvoorganger van) eiseres in de periode van 2011 tot 2023 kleine hoeveelheden headshopartikelen heeft ingekocht en heeft laten leveren aan het adres [adres 2] . Dat deze producten daadwerkelijk in beide winkels aan de [adres 1] en 78 te koop zijn aangeboden, blijkt daar echter niet uit. Het standpunt van eiseres dat zij geen andere winkels of webshops heeft, doet hieraan niet af omdat dit niets zegt over de andere verkoopmogelijkheden van de rechtsvoorganger van eiseres, die de winkels tot kort voor de peildatum exploiteerde. De uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 28 mei 2019 maakt dit ook niet anders. Zoals verweerder terecht aanvoert, blijkt uit het arrest niet dat er vóór 13 september 2018 headshopartikelen zoals bijvoorbeeld grinders en bongs in het betreffende pand werden verkocht. Eiseres heeft ook niet onderbouwd dat toezichthouders van verweerder wisten dat er voor de peildatum headshopartikelen in de winkels werden verkocht. Het beroep op het overgangsrecht slaagt dan ook niet.
Tussenconclusie
4.4.
Omdat sprake is van overtredingen van het omgevingsplan was het college bevoegd, en in beginsel gehouden, daartegen handhavend op te treden. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Zo kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
Zijn er bijzondere omstandigheden?
Evenredigheid
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de last onder bestuursdwang voor het pand [adres 2] onevenredig bezwarend is. Dat er tijdens de controle op 18 juni 2025 nog headshopproducten in dat pand aanwezig waren, was niet de bedoeling en eiseres heeft die producten tijdens het controlebezoek alsnog verwijderd. Volgens eiseres is het daarom onterecht dat verweerder de winkel de volgende dag alsnog heeft gesloten. Aangezien de producten toen al waren verwijderd, is er van een herstelmaatregel geen sprake. Bovendien heeft de sluiting voor eiseres vergaande (financiële) gevolgen, nu er geen omzet meer kan worden gegenereerd, terwijl de meeste vaste lasten doorlopen. Volgens eiseres zou een last onder dwangsom voor beide panden passender zijn en veel minder verstrekkende gevolgen hebben. Bovendien is eiseres bereid om een vergunning aan te vragen om de geconstateerde overtredingen te legaliseren.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure de oplegging van de last onder bestuursdwang ter beoordeling voorligt en niet de uitvoering van die last. Voor zover de beroepsgronden van eiseres zich richten tegen de uitvoering van de last, zijn deze dus ongegrond.
5.2.
Ten aanzien van de wijze van handhaving, overweegt de rechtbank dat een bestuursorgaan een ruime mate van vrijheid heeft om te kiezen voor een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. [9] Uit vaste rechtspraak volgt dat de keuze van het bestuursorgaan voor een last onder bestuursdwang in plaats van een last onder dwangsom, in beginsel niet afzonderlijk hoeft te worden gemotiveerd. [10] Verweerder heeft op de zitting bovendien toegelicht dat het handhaven van dergelijke overtredingen van het onderhavige omgevingsplan gezien de ruimtelijke impact van die overtredingen, een hoge prioriteit heeft en bestuursdwang effectiever is. De rechtbank kan dit volgen.
5.3.
Verder geldt dat eiseres de gestelde financiële gevolgen niet heeft onderbouwd. Wat hier ook van zij, de omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene, ten laste van wie wordt gehandhaafd, vormt in beginsel geen grond voor het oordeel dat dit optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het bestuursorgaan daarvan om die reden behoorde af te zien. [11] Dat eiseres van de last onder bestuursdwang financiële schade ondervindt en een last onder dwangsom minder ingrijpend zou zijn is de rechtbank duidelijk, maar dit betekent niet dat handhaving onder deze omstandigheden onevenredig is. Om het met handhavend optreden beoogde doel te bereiken, moet daar immers juist een voldoende sterke prikkel vanuit gaan.
5.4.
Ook deze beroepsgrond kan eiseres daarom niet baten.
Lasten onder dwangsom – reclame
Is sprake van een overtreding?
6. Ten aanzien van de opgelegde lasten onder dwangsom stelt eiseres dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 4.10 van de APV of strijdigheid met de welstandsnota. In de etalages van [adres 1] en [adres 2] worden artikelen geëtaleerd die in de winkels worden verkocht. Bovendien is het raam bij de winkel op nummer 78 niet dichtgezet, maar voor het overgrote deel open. Van een reclamebord of reclametekst is geen sprake. Er kan daarom ook niet gesproken worden van reclame of reclame-uitingen, aldus eiseres. Verder zijn de entrees van de winkels en de overkappingen onderdeel van de winkels zelf, waarmee uitstalling daar ook is toegestaan. Tot slot is het volgens eiseres onbegrijpelijk waarom de reclame volgens verweerder ontsierend zou zijn voor het stadsbeeld, nu er in de [adres 3] tal van winkels zijn waarbij de etalage is dichtgezet. Eiseres ziet niet wat het relevante verschil is met haar winkels. Verwezen wordt bijvoorbeeld naar de [bedrijf 2] -winkel en kledingwinkel [bedrijf 1] , in de directe nabijheid van de winkels van eiseres.
6.1.
Volgens verweerder is er wel sprake van reclame zoals bedoeld in artikel 4.10 van de APV, aangezien eiseres de artikelen in de etalage heeft liggen om daarop de aandacht te vestigen. Reclame is volgens verweerder niet toegestaan als de reclame afbreuk doet aan de kwaliteit van de openbare ruimte of ontsierend is voor het stadsbeeld. Om te bepalen of hiervan sprake is gelden er een aantal absolute criteria. [12] Overige situaties zijn ter beoordeling van verweerder. Nu er hier geen sprake is van een absoluut criterium dat van toepassing is, stelt verweerder zich in dit geval op het standpunt dat de reclame ontsierend is voor het stadsbeeld, omdat er sprake is van dichtgezette ramen. Verder is er volgens verweerder sprake van overtreding van artikel 14 van Pro de Nadere regels voor winkeluitstallingen en reclameborden in stadsdeel centrum, nu eiseres een deel van de artikelen niet in de winkel, maar voor de deur van de winkel heeft uitgestald.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat er sprake is van reclame. Artikel 4.10, eerste lid van de APV bepaalt dat onder reclame wordt verstaan: het aanprijzen van of de aandacht vestigen op diensten, goederen, activiteiten, doelstellingen of namen. Eiseres heeft de artikelen in de etalage liggen om hierop de aandacht te vestigen. Dat het pand zoals eiseres heeft aangevoerd nou eenmaal een grote pui heeft, doet hieraan niet af.
6.3.
De vraag die dan aan de orde is, is of deze wijze van reclame maken toelaatbaar is. Op grond van artikel 4.10, derde lid, van de APV is reclame niet toegestaan als deze ontsierend is voor het stadsbeeld of afbreuk doet aan de kwaliteit van de openbare ruimte. De criteria voor de toetsing daarvan staan in de welstandsnota “De schoonheid van Amsterdam 2016”.
6.4.
Volgens paragraaf 1, artikel 1, onder a van de welstandsnota is reclame niet toegestaan indien en voor zover deze naar het oordeel van het bevoegd gezag ontsierend is voor het stadsbeeld of afbreuk doet aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Voor reclame op of onmiddellijk achter het raam geldt artikel 10. Op grond van dat artikel is reclame op of onmiddellijk achter het raam toegestaan als deze bestaat uit één onverlichte tekst in losse letters van maximaal 60 cm hoog. Dit is een absoluut criterium dat zich hier niet voordoet. Overige situaties zijn ter beoordeling van verweerder.
6.5.
Artikel 18 van Pro de welstandsnota bepaalt dat reclame die weliswaar niet voldoet aan de absolute criteria uit paragraaf 2 van de welstandsnota, toch toelaatbaar is indien die reclame niet ontsierend is voor het stadsbeeld en geen afbreuk doet aan de kwaliteit van de openbare ruimte, nadat hierover advies is gewonnen bij de welstandscommissie. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de reclame van eiseres ontoelaatbaar is, omdat er sprake is van dichtgezette ramen. Het standpunt dat dichtgezette ramen altijd ontsierend zijn voor het stadsbeeld, onderbouwt verweerder echter niet. Ook heeft verweerder hierover geen advies ingewonnen van de welstandscommissie. Daar komt bij dat er in de [adres 3] , zoals eiseres heeft toegelicht, tal van winkels zijn waarbij de etalage met reclame is dichtgezet. De rechtbank begrijpt dat verweerder een beperkte handhavingscapaciteit heeft en niet op elke overtreding kan handhaven, maar los daarvan onderbouwt verweerder niet of en waarom de reclame van eiseres in het licht van de vele andere voorbeelden in de [adres 3] ontoelaatbaar is en wat de relevante verschillen met de reclame van eiseres zijn. Daar komt bij dat de etalage van de winkel aan de [adres 2] niet volledig is dichtgezet en verweerder ook hiermee geen rekening heeft gehouden in de motivering van de last. Het standpunt van verweerder dat de reclame ontsierend is voor de openbare ruimte, louter omdat de etalage is dichtgezet, acht de rechtbank daarom onvoldoende gemotiveerd.
6.6.
Ook is er volgens de rechtbank geen sprake van een overtreding van artikel 14 van Pro de nadere regels voor winkeluitstallingen en reclameborden, althans dit is door verweerder onvoldoende onderbouwd. Dit artikel reguleert het plaatsen van winkeluitstallingen en reclameborden op en aan de openbare weg, om een veilige, begaanbare en esthetisch aantrekkelijke openbare ruimte te waarborgen. Aangezien eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de producten zich niet op straat maar in de winkels bevinden, dit ook volgt uit de foto’s bij de constateringsrapporten en verweerder ook anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt dat de producten en de reclame van eiseres zich voor de deur van de winkel bevinden, is van een overtreding van deze regelgeving niet gebleken.
6.7.
Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn gegrond voor zover deze zijn gericht tegen het deel van de bestreden besluiten dat ziet op de lasten onder dwangsom. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten op deze onderdelen. Voor het overige zijn de beroepen ongegrond.
7.1.
De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten voor zover die worden vernietigd in stand te laten of hier zelf een beslissing over te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
7.2.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 10 juni 2025 voor zover deze betrekking hebben op de opgelegde lasten onder dwangsom;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Mulder, voorzitter, en mr. C.M. Delstra en mr. M.W. Speksnijder, leden, in aanwezigheid van mr. M.M. Mazurel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.
buiten staat mede
te ondertekenen
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit is in strijd met artikel 3.1, onder f, van het
2.In artikel 2.3, tweede lid, van het
3.Artikel 10 en Pro artikel 11 van Pro hoofdstuk 7 van de
4.Artikel 4.10, derde lid, van de
5.Dit is in strijd met artikel 3.1, onder f, van het bestemmingsplan [bestemmingsplan] .
6.Dit is in strijd met artikel 10 en Pro 11 van hoofdstuk 7 van de welstandsnota.
7.Zie artikel 4.2 van de regels van het paraplubestemmingsplan.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1559.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4142.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2009, ECLI:NL:2009:BJ4622.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 6 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7708 en 27 december 2018 in ECLI:NL:RVS:2018:4249
12.Zoals bijvoorbeeld artikel 10 van Pro de welstandsnota, waarin de maximale hoogte van de letters wordt voorgeschreven.