ECLI:NL:RBAMS:2026:1956

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
26/765
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening referendum betaald parkeren Haarlem

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om een referendum te gelasten over het ontwerp-raadsbesluit 'Ruimte voor mensen en mobiliteit. Parkeren in Haarlem'. De gemeenteraad had de aanvraag tot het houden van het referendum afgewezen en dit besluit gehandhaafd na bezwaar.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het parkeerbeleid inmiddels is vastgesteld en dat een eventueel referendum slechts een raadgevend karakter heeft. De uitvoering van het beleid zal over meerdere jaren plaatsvinden, zonder dat op korte termijn onomkeerbare stappen worden gezet.

Verzoeker heeft onvoldoende onderbouwd waarom de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht en waarom een uitspraak vóór de gemeenteraadsverkiezingen noodzakelijk is. Daarom is er geen sprake van onverwijlde spoed.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek kennelijk ongegrond en wijst het af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor het houden van een referendum over het parkeerbeleid in Haarlem wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/765

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. L.C.A.C. Hoogewerf),
en

de gemeenteraad van de gemeente Haarlem, de raad

(gemachtigde: mr. M.F.A. Dankbaar).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het verzoek ziet op een besluit van de raad op de aanvraag van verzoeker tot het houden van een referendum over het ontwerp-raadsbesluit ‘Ruimte voor mensen en mobiliteit. Parkeren in Haarlem’. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De raad heeft de aanvraag tot het houden van een referendum met het besluit van 28 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 oktober 2025 op het bezwaar van verzoeker is de raad bij de afwijzing gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem. Ook heeft hij om een voorlopige voorziening verzocht.
3. De rechtbank Noord-Holland heeft het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening doorgezonden aan de rechtbank Amsterdam.
4. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
6. Verzoeker vindt dat de ‘onverwijlde spoed’ is gelegen in het volgende. Verzoeker stelt dat de Haarlemse inwoners het recht hebben op informatie omtrent de status van een eventueel te houden referendum over het invoeren van betaald parkeren zodat zij daarmee rekening kunnen houden bij de aankomende gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart 2026. Verder heeft de gemeente Haarlem aangegeven in 2026 te starten met invoeren van betaald parkeren in diverse wijken van Haarlem. Aannemelijk is dat de gemeente al diverse werkzaamheden heeft uitgevoerd en zal uitvoeren om het betaald parkeren in te voeren. Uit de ‘Nota Ruimte voor mens en Mobiliteit’ blijkt dat in het najaar van 2025 wordt gestart met de voorbereidingen voor de invoering van gereguleerd parkeren. De besluitvorming over de concretisering van de uitvoering door het college vindt plaats in het voorjaar van 2026 waarna de uitvoering in gang wordt gezet. Het college heeft de raad medegedeeld dat er naar aanleiding van moties in de raad, het college in komende maanden onderzoek doet naar de mogelijkheden, consequenties en financiële gevolgen om de uitvoering te versnellen of uit te breiden. Ook liggen er allerlei raadsvoorstellen vast om de omgeving aan te passen. Verzoeker wil met zijn verzoek voorkomen dat er onnodige kosten worden gemaakt en een onomkeerbare situatie dreigt te ontstaan.
7. De raad heeft aangegeven dat het beroep van verzoeker ziet op de beslissing op bezwaar ten aanzien van de weigering om over het ontwerp-raadsbesluit ‘Ruimte voor mensen en mobiliteit’ een referendum te gelasten. Het verzoek ziet op het schorsen van deze beslissing op bezwaar, met het oogmerk om alsnog een referendum te gelasten. De betreffende nota, nota ‘Ruimte voor mensen en mobiliteit’, is eind mei 2025 vastgesteld waarmee het gewijzigde parkeerbeleid ook is vastgesteld. Deze nota is in de afgelopen periode omgezet in nadere regelgeving. Zo is er onder meer een wijziging van de Parkeerverordening gerealiseerd en zijn er wijzigingen gekomen in de parkeerbelastingverordening 2026, de aanwijzingsbesluiten en de nadere regels Parkeerverordening. Ook is een beleidsregel ‘Parkeren op eigen terrein’ (POET) vastgesteld. Deze nadere regelgeving is tot stand gekomen in de periode juni tot en met december 2025 door vaststelling van desbetreffende stukken door het college wat betreft de wijzigingen van de nadere regels en de beleidsregel POET en door de raad wat betreft de wijzigingen van de parkeerverordening.
8. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat een referendum plaats dient te vinden. Verzoeker wil een referendum dat ziet op het gewijzigde parkeerbeleid. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit beleid inmiddels al is vastgesteld. Het beleid zal komende jaren worden uitgevoerd. Daarbij is een eventueel referendum slechts raadgevend en niet bindend. Het is namelijk de raad die, nadat een eventueel referendum is gehouden, beslist over de consequenties van de uitkomst van een referendum. Het parkeerbeleid dat nu is vastgesteld zal dus niet direct veranderen door het houden van een referendum.
9. Verzoeker heeft niet onderbouwd waarom de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht. Het uitvoeren van het vastgestelde parkeerbeleid zal enige jaren duren. Verzoeker heeft niet aangevoerd dat op korte termijn onomkeerbare stappen zullen worden gezet. Nog los van de vraag of toewijzing van het verzoek tot het houden van een referendum een voorlopig karakter heeft, heeft verzoeker niet onderbouwd waarom het voor hem van belang is om nog voor de gemeenteraadsverkiezingen een uitspraak van de voorzieningenrechter te hebben over het referendum. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van onverwijlde spoed om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

10. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.