Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende op 2 januari 2026 een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een woonwagen op een perceel. Verzoekers maakten bezwaar tegen dit besluit en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de uitvoering van de vergunning te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de technische werkzaamheden en plaatsing van de woonwagen technisch ongedaan gemaakt kunnen worden, maar dat het gebruik van de woonwagen de facto moeilijk omkeerbaar is vanwege het ontbreken van alternatieve standplaatsen en het belang van vergunninghouder om de huidige locatie vrij te maken voor stadsontwikkeling.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er een spoedeisend belang is en dat het belang van verzoekers bij het treffen van de voorziening zwaarder weegt dan het belang van het college. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen, het besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar, en het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.