Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.MYNN B.V.,
2.
[gedaagde 2],
1.De procedure
2.De feiten
€ 150.000,00;
€ 100.000,00.
‘inkoop eigen aandelen nummers 81 tm 120 MYNN BV cf akk en ovk en’.
3.Het geschil
€ 150.000,00 aan MYNN onverschuldigd is gedaan dan wel dat dit bedrag onrechtmatig is onttrokken omdat er geen met LLZ gesloten overeenkomst aan ten grondslag ligt. Verder is de overeenkomst van 25 november 2025, waarbij LLZ geen partij is, pas op 12 en 13 januari 2026 door [gedaagde 2] en [naam 2] ondertekend, waardoor deze overeenkomst op het moment van de betaling op 31 december 2025 niet bestond. Volgens [naam 1] bestond er bovendien geen overeenstemming over het uittreden van alleen [gedaagde 2] maar uitsluitend over het uittreden van [gedaagde 2] en [naam 2] samen. Tenslotte ligt er volgens [naam 1] ook geen rechtsgeldig genomen besluit ten grondslag aan de betaling door LLZ omdat de bestuurders wegens belangenverstrengeling een dergelijk besluit niet kunnen nemen.
4.De beoordeling
[naam 1] wordt ook niet in zijn standpunt gevolgd dat de betaling door LLZ niet mogelijk zou zijn omdat LLZ geen partij bij de overeenkomst is. Betaling kan immers ook door een derde plaatsvinden, hetgeen hier kennelijk ook de bedoeling van partijen was.
5.De beslissing
mr. B.P.W. Busch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.