ECLI:NL:RBAMS:2026:2009

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
12002936
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
  • G.J. Boeve
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 139 RvArt. 3 IVRKArt. 2 Besluit Gemeentelijke SchuldhulpverleningArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woonruimte wegens wanbetaling en weigering medewerking renovatie

De zaak betreft een kort geding tussen een verhuurder en huurder over ontruiming van woonruimte aan een adres te Amsterdam. De huurder betaalde de huur en waarborgsom niet tijdig en weigerde medewerking aan noodzakelijke renovatiewerkzaamheden. De verhuurder vorderde ontruiming, betaling van achterstallige huur, waarborgsom, herstelkosten en proceskosten.

De huurder verscheen niet op de zitting, waardoor verstek werd verleend. De kantonrechter stelde vast dat de huurder een betalingsachterstand van ruim drie maanden had en de waarborgsom niet had voldaan. Tevens weigerde de huurder de aannemer toegang tot het gehuurde, waardoor renovatie werd vertraagd. De belangen van de minderjarige zoon van de huurder werden meegewogen, maar er was geen concreet bewijs dat ontruiming tot dakloosheid of scheiding zou leiden.

De kantonrechter oordeelde dat de vordering tot ontruiming en betaling gegrond was en dat de verhuurder spoedeisend belang had. De ontruimingstermijn werd vastgesteld op veertien dagen na betekening. Daarnaast werd de huurder veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, waarborgsom met rente, herstelkosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van achterstallige huur, waarborgsom, herstelkosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12002936 \ KK EXPL 25-846
Vonnis in kort geding van 24 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] (Verenigde Staten ),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. D. Schreurs,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 december 2025;
- de akte vermindering van eis;
- de productie 13 van [eiser] ;
- de dagbepaling mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 10 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, is aan [gedaagde] verstek verleend (zie ook hierna r.o. 4.1) en is alleen de gemachtigde van [eiser] verschenen. Hij heeft spreekaantekeningen overgelegd en vragen van de kantonrechter beantwoord.

2.De uitgangspunten

2.1.
Met ingang van 24 september 2025 huurt [gedaagde] van [eiser] de woonruimte aan de [adres] (hierna: het gehuurde). De overeengekomen kale huurprijs van € 5.200,00 per maand moet uiterlijk op de eerste dag van de betreffende maand zijn betaald. Tevens zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] uiterlijk op de ingangsdatum van de tussen hen gesloten huurovereenkomst aan [eiser] een waarborgsom van € 9.000,00 zal betalen. Ook is in de huurovereenkomst bepaald dat alle door [eiser] aan te wijzen personen het gehuurde na overleg met [gedaagde] mogen betreden op werkdagen tussen 9.00 en 17.00 uur voor werkzaamheden aan het gehuurde.
2.2.
[gedaagde] heeft aanvankelijk geen huurtermijnen betaald en heeft de waarborgsom niet betaald.
2.3.
Onder meer bij e-mail van 14 oktober 2025 heeft [eiser] [gedaagde] aangemaand tot betaling van de huurtermijnen en de waarborgsom, en aangekondigd anders ontruiming van het gehuurde te zullen vorderen. In het kader van de vroegsignalering is [gedaagde] aangemeld bij de gemeente Amsterdam.
2.4.
Ter voorbereiding op renovatiewerkzaamheden aan (het gebouw waarvan) het gehuurde (deel uitmaakt), heeft een vertegenwoordiger van de betrokken Vereniging van Eigenaren bij e-mail van 28 november 2025 aan [gedaagde] gevraagd of de aannemer op 5 en 8 december 2025 tussen 10.00 en 15.00 uur in het gehuurde kon komen kijken. Op dezelfde datum heeft [gedaagde] gereageerd: “
Nee niemand komt er meer in door jullie eigen toedoen.” De in januari 2026 geplande werkzaamheden zijn hierom uitgesteld.
2.5.
In reactie op een e-mail van de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] van 2 december 2025, heeft de heer [naam] – die volgens die gemachtigde de echtgenoot of partner van [gedaagde] is – bij e-mail van 17 december 2025 onder meer geschreven dat tijdens de verhuizing inderdaad een kras op een muur is gekomen en aangeboden de daarvoor gemaakte herstelkosten te betalen. Deze kosten zijn niet betaald.
2.6.
Op 24 december 2025 is vanaf een bankrekeningnummer op naam van Mothership Holding B.V. een bedrag van € 20.800,00 betaald aan [eiser] , met de omschrijving: “
Okt tm Jan Huur [adres] tbv [gedaagde]”. Ten tijde van de mondelinge behandeling was de huur over februari 2026 niet betaald.

3.De vorderingen

3.1.
Samenvattend vordert [eiser] ontruiming van het gehuurde op grond van wanbetaling, weigering medewerking aan renovatiewerkzaamheden en veroorzaking overlast. Ook vordert zij betaling van de waarborgsom vermeerderd met rente, een gebruikersvergoeding voor het gehuurde van € 5.200,00 per 1 februari 2026, herstelkosten van € 555,90 en de proceskosten vermeerderd met rente. [eiser] wil de mogelijkheid krijgen dit vonnis meteen uit te voeren, ook als hoger beroep wordt ingesteld.

4.De beoordeling

Verlening verstek aan [gedaagde]
4.1.
is niet verschenen op de mondelinge behandeling. Uit de dagvaarding blijkt dat zij correct voor deze zitting was opgeroepen. Daarom is aan haar verstek verleend. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van [eiser] dan ook toewijzen, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomen (artikel 139 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering).
Spoedeisend belang
4.2.
[eiser] heeft spoedeisend belang bij haar vorderingen. Zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in financiële problemen komt door de structurele wanbetaling van [gedaagde] en dat zij binnen afzienbare tijd toegang tot het gehuurde moet krijgen om de renovatiewerkzaamheden alsnog uit te kunnen laten voeren.
Ambtshalve onderzoek in verband met het consumentenrecht
4.3.
De voorzieningenrechter heeft ambtshalve (zonder dat partijen daarop een beroep hebben gedaan) onderzocht of sprake is van een huurovereenkomst tussen een handelaar en een consument en is tot de slotsom gekomen dat dit niet het geval is, omdat [eiser] niet handelt in het kader van haar publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit.
Ontruimingsvordering
4.4.
[gedaagde] is verplicht om de huurprijs en de waarborgsom op tijd en volledig te betalen. Op het moment van dagvaarden bedroeg de betalingsachterstand ruim drie maanden. Ten tijde van de mondelinge behandeling was de waarborgsom nog steeds niet betaald en was opnieuw een huurachterstand ontstaan (van een maand). Verder is [gedaagde] gehouden om de bedoelde aannemer in verband met de renovatiewerkzaamheden toe te laten tot het gehuurde, zodat zij met haar weigering om ook maar iemand toe te laten eveneens ernstig tekortschiet in haar verplichtingen onder de huurovereenkomst. Voor zover uit het dossier blijkt dat sprake zou zijn van betalingsonmacht aan de zijde van [gedaagde] , blijft die voor haar risico.
4.5.
De gemachtigde van [eiser] heeft toegelicht dat [gedaagde] in het gehuurde verblijft met haar zoon van 15 jaar. De belangen van minderjarige kinderen moeten een eerste overweging vormen op grond van artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, ook in dit soort verstekzaken. Tot deze belangen behoort onder andere hun recht op huisvesting en hun recht om in beginsel niet gescheiden te worden van hun ouders. Toch betekent dat niet dat een woning waarin kinderen wonen nooit zou mogen worden ontruimd. Hun belangen moeten worden afgewogen tegen de overige belangen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.
4.6.
Het behoeft geen toelichting dat ontruiming van het gehuurde voor [gedaagde] en haar minderjarige zoon nadelige gevolgen zal hebben. Het is echter niet concreet gebleken dat (de kans bestaat dat) de zoon gescheiden zal raken van [gedaagde] na ontruiming en/of dat (een kans op) daadwerkelijk(e) dakloosheid dreigt. De gemachtigde van [eiser] heeft onweersproken aangevoerd dat [gedaagde] een eigen woning in [woonplaats 3] en daarmee alternatieve woonruimte heeft. Ook andere belangen van de zoon zijn niet concreet gebleken. Daarbij komt dat geen concreet zicht bestaat op het inlopen van de betalingsachterstand, terwijl die aanzienlijk en – voor wat betreft de waarborgsom – langdurig te noemen is en blijkbaar verder oploopt. Verder is van belang dat [gedaagde] categorisch medewerking aan renovatiewerkzaamheden weigert en volgens [eiser] overlast veroorzaakt.
4.7.
[eiser] heeft voldaan aan haar de informatie- en meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
4.8.
Op grond van het voorgaande is aannemelijk dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zal worden toegewezen in een bodemprocedure, zodat de ontruimingsvordering niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Daarom zal deze vordering daarop vooruitlopend worden toegewezen. Anders dan gevorderd, wordt de ontruimingstermijn gesteld op de gebruikelijke termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis. [gedaagde] is gehouden om de huurtermijnen tot en met het einde van de maand waarin de ontruiming daadwerkelijk plaatsvindt te betalen.
Betaling waarborgsom en schadevergoeding
4.9.
De vorderingen tot betaling van de waarborgsom en van de reparatiekosten komen niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen.
Proceskosten
4.10.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen, die worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.526,45
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woonruimte aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiser] € 5.200,00 per maand vanaf 1 februari 2026 tot en met het einde van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om als waarborgsom aan [eiser] te betalen het bedrag van € 9.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen het bedrag van € 555,90,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] van € 1.526,45 te vermeerderen met de kosten van betekening van dit vonnis, te betalen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Boeve en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.