ECLI:NL:RBAMS:2026:2034

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
774200
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 202 RvArt. 282 lid 4 RvArt. 3:303 BWArt. 7:464 lid 2 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking tot voorlopig deskundigenbericht medische aansprakelijkheid bevalling met hersenschade

Op 29 augustus 2017 vond de bevalling plaats van de zoon van [verweerder 1] en [verweerder 2], begeleid door verloskundige [verzoeker 1]. Door een vertraagd verloop en asfyxie bij de geboorte ontstond hersenschade bij het kind, [verweerder 3]. De ouders stelden zowel het Amsterdam UMC als de verloskundige aansprakelijk voor medisch verwijtbaar handelen.

De rechtbank ontving verzoeken tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht ex artikel 202 Rv Pro en een zelfstandig verzoek ex artikel 282 lid 4 Rv Pro. De deskundigen moeten beoordelen of het handelen van de verloskundige en het ziekenhuis volgens de professionele standaard was en wat de gevolgen daarvan zijn.

De rechtbank benoemt verloskundige M.E.A. Bartels en gynaecoloog dr. S.V. Koenen als deskundigen. Partijen verschillen over de vraagstellingen, die de rechtbank na overleg vaststelt. De deskundigen voeren onafhankelijk onderzoek uit zonder overleg. De rechtbank regelt de procedure, het dossier, het voorschot op kosten, het blokkeringsrecht van [verweerder 3] en de rapportageverplichtingen.

De beschikking benadrukt de wettelijke medewerkingsplicht van partijen en de mogelijkheid voor de rechtbank om nadelige conclusies te trekken bij niet-naleving. De deskundigen rapporteren binnen drie maanden en partijen krijgen gelegenheid tot commentaar. De procedure is gericht op het verkrijgen van feitelijke informatie voor een latere aansprakelijkheidsbeoordeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopig deskundigenbericht toe en benoemt twee deskundigen voor onafhankelijk onderzoek naar het medische handelen tijdens de bevalling.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/774200 / HA RK 25-273
Beschikking van 26 februari 2026
in de zaak van

1.[verzoeker 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
2.
VVAA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Utrecht,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: [verzoekers] en afzonderlijk [verzoeker 1] en de VvAA,
advocaat: mr. E.J.C. de Jong,
tegen

1.[verweerder 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,
2.
[verweerder 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
beiden zowel voor zichzelf als in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van hun zoon
3.
[verweerder 3],
wonende te [woonplaats 2] ,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: [verweerder 3] en afzonderlijk [verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerder 3] ,
advocaat: mr. M.F. Hartman,
en

4.4. STICHTIING AMSTERDAM UMC,

gevestigd te Amsterdam,
belanghebbende en zelfstandig verzoekende partij,
hierna te noemen: Amsterdam UMC,
advocaat: mr. M.S.E. van Beurden,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [verzoekers] tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 15 augustus 2025;
- de tussenbeschikking van 23 oktober 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- het verweerschrift in het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht tevens houdende zelfstandig verzoek van het Amsterdam UMC, binnengekomen ter griffie op 24 oktober 2025;
- het verweerschrift van [verweerder 3] , binnengekomen ter griffie op 8 december 2025;
- de reactie op het verweerschrift van Amsterdam UMC van [verweerder 3] , binnengekomen ter griffie op 8 december 2025;
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de akte uitlating deskundigen en vraagstelling van [verweerder 3] , binnengekomen ter griffie op 13 januari 2026;
- de akte uitlaten van Amsterdam UMC, binnengekomen ter griffie op 15 januari 2026;
- de akte uitlaten van [verzoekers] , binnengekomen ter griffie op 15 januari 2026.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
In de vroege ochtend van 29 augustus 2017 begon de bevalling van [verweerder 1] . Aangezien zij aanvankelijk thuis wilde bevallen, was omstreeks 01:00 uur [verzoeker 1] als dienstdoende verloskundige aanwezig om de bevalling te begeleiden.
2.2.
Omdat de uitdrijving onvoldoende vorderde, besloot [verzoeker 1] na overleg met [verweerder 1] en [verweerder 2] de bevalling voort te zetten in het Amsterdam UMC. Zij arriveerden daar omstreeks 06:20 uur. [verzoeker 1] was als eerstelijnsverloskundige eveneens aanwezig en heeft [verweerder 1] overgedragen aan de tweedelijnsverloskundige van het ziekenhuis, waarna de verdere begeleiding door het ziekenhuispersoneel is overgenomen.
2.3.
[verweerder 3] is uiteindelijk om 07:41 uur in het Amsterdam UMC geboren met tekenen van asfyxie, een toestand waarbij een baby vóór, tijdens of kort na de geboorte onvoldoende zuurstof krijgt, hetgeen kan leiden tot ernstige schade aan de hersenen en andere organen.
2.4.
Na de bevalling is gebleken dat bij [verweerder 3] sprake is van hersenschade. Hij is verbaal niet communicatief en volgt speciaal onderwijs vanwege zijn cognitieve beperkingen.

3.De aanleiding van de verzoeken

3.1.
[verweerder 3] heeft het Amsterdam UMC op 12 september 2019 aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het feit dat [verweerder 3] rondom de bevalling hersenschade heeft opgelopen.
3.2.
Daarnaast heeft [verweerder 1] op 15 april 2020 ook [verzoeker 1] aansprakelijk gesteld voor diezelfde schade vanwege (volgens [verweerder 1] c.s) het medisch verwijtbaar handelen voorafgaand en tijdens de bevalling van [verweerder 3] .
3.3.
Zo verwijt [verweerder 3] [verzoeker 1] dat er niet tijdig is gereageerd op het abnormaal trage verloop van haar bevalling, zeker gelet op het feit dat zij al eerder meerdere kinderen heeft gekregen. Daarnaast had er eerder vastgesteld kunnen en moeten worden dat er sprake was van secundaire weëenzwakte en is de keuze om gedurende ruim een halfuur te stoppen met actief persen onjuist geweest, aldus [verweerder 3] Ook is zij van mening dat [verweerder 1] veel eerder aan het ziekenhuis had moeten worden overgedragen en dat er geen controle van de foetale conditie tussen 05:45 en de overplaatsing heeft plaatsgevonden, terwijl dit wel had gemoeten. Verder is er volgens [verweerder 3] bij de overdracht onjuiste informatie aan het ziekenhuis verstrekt over onder meer de duur van het persen en de foetale conditie. Hierdoor heeft het ziekenhuis de ernst van de situatie niet op een juiste manier kunnen inschatten met vertraging als gevolg. Tenslotte verwijt [verweerder 3] [verzoeker 1] dat er in de fase voor de bevalling geen sprake is geweest van informed consent. Zo zouden [verweerder 1] en [verweerder 2] onvoldoende geïnformeerd zijn over de mogelijke gevolgen en risico’s van de afwijkende hoofdligging die al in de dagen voor de bevalling werd geconstateerd.
3.4.
Bij brief van 13 januari 2022 heeft [verzoekers] aan [verweerder 3] laten weten de aansprakelijkheid niet te erkennen. Bij brief van 7 maart 2022 heeft ook Centramed, de aansprakelijkheidsverzekeraar van het Amsterdam UMC, de aansprakelijkheid namens het ziekenhuis ontkend.

4.De verzoeken en het verweer

4.1.
Om haar rechtspositie in deze kwestie te kunnen bepalen, heeft [verzoekers] de rechtbank verzocht een verloskundige expertise te gelasten.
4.2.
Het Amsterdam UMC heeft daarop een zelfstandig verzoek ingediend op de voet van art. 282 lid 4 Rv Pro tot benoeming van een gynaecoloog als deskundige.
4.3.
[verweerder 3] verzet zich niet tegen toewijzing van de verzoeken. Zij kan zich vinden in de benoeming van deskundigen om de aansprakelijkheid- en de causaliteitsvraag in deze zaak te beantwoorden. Zij heeft overeenstemming bereikt met het Amsterdam UMC tot benoeming van gynaecoloog dr. S.V. Koenen (hierna: Koenen) als deskundige om de gynaecologische expertise te verrichten.
4.4.
[verweerder 3] en [verzoekers] hebben geen overeenstemming kunnen vinden over de benoeming van de persoon om de verloskundige expertise te verrichten en vragen de rechtbank te bepalen wie van de in totaal drie door hen voorgestelde personen zal worden benoemd.
4.5.
Tenslotte voert [verweerder 3] verweer tegen de door [verzoekers] en het Amsterdam UMC voorgestelde vraagstellingen.

5.De beoordeling

De verzoeken van [verzoekers] en het Amsterdam UMC
5.1.
Bij de beoordeling van de verzoeken tot een voorlopig deskundigenonderzoek geldt in principe het volgende. Het doel van zo’n onderzoek is onder andere een partij de mogelijkheid te geven om met een onderzoek door een deskundige zekerheid of duidelijkheid te krijgen over feiten en omstandigheden die voor de beslissing van een geschil van belang kunnen zijn. Zo kan een partij een standpunt bepalen en beoordelen of het wenselijk is een procedure te beginnen of daar mee door te gaan.
5.2.
De rechtbank moet het verzoek in beginsel toewijzen als het ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Dit is alleen anders als [verzoeker 1] en/of het Amsterdam UMC geen belang bij de verzoeken hebben zoals bedoeld in artikel 3:303 BW Pro, of als sprake is van strijd met de goede procesorde, misbruik van bevoegdheid of een ander zwaarwichtig bezwaar dat zich tegen toewijzing van de verzoeken verzet.
5.3.
Met partijen is de rechtbank van oordeel dat zowel [verzoekers] als het Amsterdam UMC in de gegeven omstandigheden recht en belang hebben bij een voorlopig deskundigenbericht over de vraag of het medische handelen, te weten het obstetrische (verloskundig) beleid van [verzoeker 1] en het gynaecologisch beleid van het Amsterdam UMC in aanloop naar de geboorte van [verweerder 3] , voldoende zorgvuldig is geweest en, indien dit niet het geval is geweest, wat daarvan dan de gevolgen zijn. De rechtbank wijst het verzoek dan ook toe, met inachtneming van hetgeen hierna wordt overwogen.
De deskundigen
De verloskundige expertise
5.4.
Omdat [verzoekers] en [verweerder 3] geen overeenstemming hebben bereikt over de persoon van de te benoemen verloskundig deskundige, zal de rechtbank bepalen dat de door [verweerder 3] voorgestelde mevrouw M.E.A. Bartels (hierna: Bartels) als deskundige wordt benoemd om het in deze zaak gevoerde obstetrische (verloskundige) beleid te beoordelen. Bartels is lid van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg en heeft in die hoedanigheid reeds geoordeeld in meerdere medische (tucht)zaken. Hoewel zij niet eerder als deskundige heeft gefungeerd bij de civielrechtelijke beoordeling van medisch handelen, is zij al geruime tijd werkzaam als eerstelijns verloskundige. Deze combinatie van ervaring en expertise maakt dat zij verondersteld wordt te beschikken over de vereiste deskundigheid om het in deze zaak gevoerde eerstelijns obstetrische beleid te beoordelen.
5.5.
Bartels heeft aan de griffer meegedeeld bereid te zijn om het om het deskundigenonderzoek uit te voeren, geen samenwerkingsverband met de maatschap Verloskundigen Vida en de VvAA te hebben en vrij te staan ten opzichte van het [verzoeker 1] en [verweerder 3]
De gynaecologische expertise
5.6.
Het Amsterdam UMC en [verweerder 3] hebben overeenstemming over de benoeming van gynaecoloog Koenen als deskundige. De rechtbank zal Koenen daarom als deskundige benoemen om het in deze zaak gevoerde gynaecologische beleid te beoordelen. Koenen beschikt over de vereiste deskundigheid en heeft aan de griffer meegedeeld bereid te zijn om het om het deskundigenonderzoek uit te voeren, geen samenwerkingsverband met het Amsterdam UMC te hebben en vrij te staan ten opzichte van het Amsterdam UMC en [verweerder 3]
Vraagstellingen
5.7.
Partijen zijn verdeeld over welke vragen aan beide deskundigen moeten worden voorgelegd. Naar aanleiding van hetgeen partijen daartoe ter zitting naar voren hebben gebracht heeft de rechtbank na de zitting een concept-vraagstelling voor beide deskundige aan partijen toegezonden. Zij kregen vervolgens de gelegenheid schriftelijk te reageren. [verzoekers] heeft zich uitgelaten over de concept-vraagstelling voor de verloskundig deskundige en het Amsterdam UMC heeft zich uitgelaten over de concept-vraagstelling voor de gynaecologische deskundige. [verweerder 3] heeft zich uitgelaten over beide concept-vraagstellingen.
5.8.
[verweerder 3] kon zich grotendeels vinden in de door de rechtbank voorgestelde vraagstelling. Zij ziet alleen de vraag over de foetale asfyxie graag anders geformuleerd, waarbij het woord ‘oorzaak’ wordt vermeden. Verder zou zij diezelfde vraag over asfyxie graag ook aan de verloskundig deskundige gesteld zien. De rechtbank zal hierin meegaan.
5.9.
[verzoekers] stelt zich voor wat betreft de vraagstelling in haar akte op het standpunt dat het niet gaat om de vraag of er juist is gehandeld (zoals in de voorgestelde inleiding was opgenomen) maar of er door [verzoeker 1] anno 2017 in strijd is gehandeld met de zorgvuldigheid van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot onder gelijke omstandigheden mocht worden verwacht. De rechtbank zal de zin in de inleiding of er ‘juist’ is gehandeld weghalen. Verder stelt [verzoekers] dat het in casu niet gaat om de medische professionele standaard, maar om de professionele standaard van eerstelijnsverloskundigen. De rechtbank volgt dit standpunt niet, nu de professionele standaard van eerstelijnsverloskundigen onderdeel uitmaakt van de medische professionele standaard en het onderzoek zich bovendien duidelijk richt op het handelen van de eerstelijnsverloskundige. Voorts stelt [verzoekers] dat de voorgestelde vragen 7, 8 en 9 te veel ruimte laten voor nadere invulling. Anders dan [verzoekers] is de rechtbank van oordeel dat deze vragen voldoende helder en concreet zijn en zullen bijdragen aan de beoordeling van het handelen van [verzoeker 1] . Nu [verzoekers] bovendien geen alternatieve vraagstelling heeft voorgesteld, zal de rechtbank deze vragen ongewijzigd laten. Ten slotte stelt [verzoekers] ten aanzien van de voorgestelde vraag 10 dat de overdracht in het ziekenhuis niet heeft plaatsgevonden aan de arts-assistent, maar in eerste instantie aan de tweedelijnsverloskundige. De rechtbank zal de vraag dienovereenkomstig aanpassen.
5.10.
Het Amsterdam UMC is het grotendeels eens met de geformuleerde vraagstelling maar vindt wel dat de belangrijkste vraag voor de behoordeling van het handelen in een medische aansprakelijkheidszaak mist. Namelijk de toets van het medisch handelen aan de medisch professionele standaard. De rechtbank volgt het Amsterdam UMC daarin met dien verstande dat de vraagstelling zich nog steeds moet richten op het verzamelen van feitelijke informatie over de medische praktijk en het handelen van de betrokken hulpverlener(s). Met de antwoorden van de deskundige op de feitelijke vragen en of er voldaan is aan de medische professionele standaard kan de rechter vervolgens toetsen aan de maatstaf “is er gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht?” Het is dus niet nodig en ook niet wenselijk om met zoveel woorden aan de deskundige te vragen of is gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. De rechtbank zal beide vraagstellingen in deze lijn aanpassen.
5.11.
Ook werpt het Amsterdam UMC op dat de vraag of [verweerder 3] eerder geboren had kunnen worden niet relevant is en mogelijk kan leiden tot onnodige discussie. De rechtbank volgt het Amsterdam UMC daarin. Het gaat in deze kwestie of er wel of niet overeenkomstig de professionele standaard gehandeld is. De vraag wat het gevolg is geweest als niet overeenkomstig die geldende norm is gehandeld is voldoende ondervangen met vraag 5c. De rechtbank zal daarom de vraag of [verweerder 3] eerder geboren had kunnen worden uit de vraagstelling halen.
5.12.
Tenslotte stelt het Amsterdam UMC dat de volgorde van de vragen 5 t/m 7 niet logisch is. De rechtbank zal de door het Amsterdam UMC voorgestelde volgorde hanteren.
5.13.
Met inachtneming van het voorgaande, komt de rechtbank tot de vraagstelling voor Bartels en Koenen zoals die in de beslissing is vermeld.
5.14.
Wanneer de deskundigen niet met de vraagstellingen uit de voeten kunnen, dienen zij hierover contact op te nemen met de rechtbank.
Het dossier voor de deskundigen
5.15.
De rechtbank zal bepalen dat [verzoekers] een afschrift van het procesdossier aan Bartels doet toekomen en dat het Amsterdam UMC een afschrift verstrekt aan Koenen. [verweerder 3] ontvangt van beide afschriften gelijktijdig een kopie.
De verhouding tussen de twee expertises
5.16.
[verweerder 3] heeft verzocht om overleg tussen de deskundigen over de vragen met betrekking tot de overdracht en de vraag of het handelen van de verloskundige en gynaecoloog van invloed is geweest op de asfyxie. Amsterdam UMC heeft eveneens aangegeven dat overleg tussen beide deskundigen wenselijk is. [verzoekers] heeft echter laten weten geen overleg te wensen, om op die manier de onderzoeken zo zuiver mogelijk te houden voor wat betreft het handelen van de betrokken hulpverlener(s).
5.17.
De rechtbank zal bepalen dat de deskundigen geen overleg met elkaar hebben en dat zij hun expertise onafhankelijk en afzonderlijk van elkaar zullen uitvoeren. Elk onderzoek moet op zichzelf staan, en de deskundigen dienen hun expertise onafhankelijk van elkaar uit te oefenen.
(Voorschot op de) kosten van het onderzoek
5.18.
Uitgangspunt van de wet is dat het voorschot op de kosten van het onderzoek in beginsel door de verzoekende partij wordt gedeponeerd. [verzoekers] heeft te kennen gegeven bereid te zijn het voorschot voor het verloskundig onderzoek te voldoen en het Amsterdam UMC heeft aangegeven bereid te zijn het voorschot voor het gynaecologisch onderzoek te voldoen. Op die manier zullen zij dan ook in deze beschikking met het te betalen voorschot worden belast.
Blokkeringsrecht
5.19.
De rechtbank overweegt ambtshalve dat, nu de onderzoeken door Bartels een Koenen medische onderzoeken zijn waarvoor geen geneeskundige behandelingsovereenkomst bestaat, [verweerder 3] het inzage- en blokkeringsrecht heeft als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 sub b BW Pro. Dit betekent dat [verweerder 3] als eerste de conceptrapporten van de deskundigen moet ontvangen en vervolgens, als zij bij die rapporten haar blokkeringsrecht niet heeft uitgeoefend, ook als eerste de definitieve rapporten van de deskundigen zal ontvangen. De deskundige zal daarom moeten handelen als hierna in de beslissing is opgenomen. De rechtbank wijst er overigens op dat, als [verweerder 3] van haar blokkeringsrecht gebruik maakt, de rechtbank daaruit de gevolgtrekking kan maken die zij in de gegeven omstandigheden geraden acht.
Slotopmerkingen
5.20.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek van deskundige Bartels en deskundige Koenen. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
5.21.
Wanneer een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan Bartels en/of Koenen doet toekomen, is zij verplicht daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te sturen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
beveelt een onderzoek door twee deskundigen ter beantwoording van de vragen hieronder. De eerste vraagstelling zal worden beantwoordt door de verloskundige-deskundige en de tweede vraagstelling zal worden beantwoordt door de gynaecologische-deskundige.
Voorgestelde vraagstelling verloskundige
Inleiding
In deze zaak staat het handelen van zowel de eerstelijns verloskundige(n) als de behandelaars van het Amsterdam UMC ter discussie. Uw onderzoek(s-rapport) heeft als doel dat partijen (en eventueel de rechter) over het handelen van de eerstelijns verloskundige kunnen oordelen. Het handelen van de betrokken hulpverlener wordt door ons juristen getoetst aan een norm die geduld wordt als de norm van het goed hulpverlenerschap. Die norm vereist kennis van de medisch professionele standaard en de manier waarop de betrokken hulpverlener de verloskundige begeleiding heeft verricht. Om die toets te kunnen doen, is het noodzakelijk dat partijen door u als deskundige worden voorgelicht, om zo voorzien te worden van feitelijke informatie over de verloskundige praktijk en het handelen van de betrokken hulpverlener.
U wordt als deskundige niet gevraagd om te oordelen over de aansprakelijkheid. Bij uw beoordeling moet u dan ook uit gaan van objectieve maatstaven. Leeftijd, rang en ervaring van de hulpverlener zijn voor de toets niet van belang. In dit kader worden u onderstaande vragen gesteld. Het zal niet mogelijk zijn om alle vragen met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te geven. Wel wordt gevraagd of u, vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied, de geformuleerde vragen wilt beantwoorden, naar de stand van de wetenschap op het moment waarop de verloskundige begeleiding plaats had, uw antwoorden te motiveren en zo mogelijk te verwijzen naar relevante literatuur. Het begrip ‘medisch professionele standaard’ moet u steeds opvatten als het geheel van regels en normen waaraan de hulpverlener is gehouden, die blijken uit de opleiding(seisen) voor een eerstelijns verloskundige, inzichten en ervaring uit de verloskundige praktijk, wetenschappelijke literatuur, protocollen en gedragsregels.
U wordt uitdrukkelijk gevraagd om de voorliggende kwestie te beoordelen met uitsluiting van de achteraf verkregen kennis. In dit geval gaat het dus alleen om het handelen van [verzoeker 1] in de nacht van 29 augustus 2017 tot en met het moment van overdracht aan het AMC. U wordt verzocht de volgende vragen te beantwoorden:
Vragen
Vraag 1
Staat het u vrij om deze expertise te verrichten, in die zin dat u niet in een persoonlijke of zakelijke relatie staat tot de betrokken patiënte, de zorgverleners en het ziekenhuis in deze casus?
Vraag 2
Beschikt u over voldoende informatie om de casus te beoordelen? Zo nee, wilt u dan aan partijen laten weten welke informatie u nog wilt ontvangen dan wel deze informatie rechtstreeks opvragen.
Vraag 3
Wat is uw eigen ervaring als verloskundige en als onafhankelijk deskundige?
Hoe hoort het in het algemeen te gaan?
Vraag 4
Kunt u de verschillende stadia van de verloskundige begeleiding in de eerste lijn volgens de medisch professionele standaard anno 2017 beschrijven? Wilt u daarbij in ieder geval ingaan op de volgende aspecten:
- het beluisteren van cortonen in de eerste lijn (hoe vaak, noteren);
- secundaire weeënzwakte (wanneer aan de orde, wat te doen);
- de duur van de uitdrijving (wanneer start deze, hoe gemeten);
- het insturen naar de tweede lijn (wanneer, hoe snel).
Wilt u daarbij zoveel mogelijk verwijzen naar richtlijnen, protocollen en literatuur, en de (digitale) vindplaats daarvan vermelden?
Hoe is het in dit geval gegaan?
Vraag 5
Wilt u op basis van het dossier een beschrijving geven van de obstetrische voorgeschiedenis van patiënte?
Vraag 6
a. Kunt u op basis van het medisch dossier een feitelijke beschrijving geven van verloskundige begeleiding van [verzoeker 1] ? Kunt u daarbij ingaan op:
- het beluisteren van cortonen in de eerste lijn (hoe vaak, noteren);
- secundaire weeënzwakte (wanneer aan de orde, wat te doen);
- de duur van de uitdrijving (wanneer start deze, hoe gemeten);
- het insturen naar de tweede lijn (wanneer, hoe snel);
- de rol van de verloskundige in het ziekenhuis.
Voor zover een handeling niet duidelijk is, wilt u dit dan aangeven onder opgave van redenen?
Vraag 7
Kunt u aangeven of naar uw oordeel de betrokken behandelaar bij de behandeling/begeleiding van de bevalling heeft gehandeld volgens de op dat moment voor hem/haar geldende professioneel standaard?
als er niet volgens de professionele standaard is gehandeld, kunt u dan aangeven in hoeverre dat niet is gebeurd en hoe er anders had moeten worden gehandeld?
als er niet volgens de professionele standaard is gehandeld, kunt u dan aangeven of dat handelen van invloed geweest op de foetale asfyxie?
Zo ja, in welk opzicht?
Vraag 8
Was sprake van een fysiologisch verlopend baringsproces?
Zo neen, kunt u beschrijven in welk opzicht en vanaf welk moment de baring niet (meer) fysiologische verliep en een indicatie kwam te bestaan tot consultatie van de tweede lijn?
Vraag 9
Hoe zou u het verloop van de uitdrijving duiden (in de zin van vlot, normaal, traag)?
Was er op enig moment reden om in dit kader actie te ondernemen?
Zo ja, welke actie en waarom?
Vraag 10
Is er op enig moment sprake geweest van secundaire weeënzwakte?
Zo ja, op welk moment had dat geconstateerd kunnen worden?
Zou dat aanleiding zijn geweest voor nadere actie?
Zo ja welke actie en met welk doel?
Vraag 11
Wat hield de overdracht van [verzoeker 1] in het ziekenhuis in?
Was deze volledig?
Vraag 12
Heeft u nog opmerkingen die van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van deze zaak?
Voorgestelde vraagstelling gynaecologische expertise
Inleiding
In deze zaak staat het handelen van zowel de eerstelijns verloskundige(n) als de behandelaars van het Amsterdam UMC ter discussie. Uw onderzoek(s-rapport) heeft als doel dat partijen (en eventueel de rechter) over het handelen van die behandelaars kunnen oordelen. Het handelen van de betrokken behandelaars wordt door ons juristen getoetst aan een norm die geduid wordt als de norm van het goed hulpverlenerschap. Die norm vereist kennis van de medische professionele standaard en de manier waarop de betrokken behandelaars de medische behandeling hebben verricht. Om die toets te kunnen doen, is het noodzakelijk dat partijen door u als deskundige worden voorgelicht, om zo voorzien te worden van feitelijke informatie over de medische behandeling en het handelen van de betrokken behandelaars.
U wordt als deskundige niet gevraagd om te oordelen over de aansprakelijkheid. Bij uw beoordeling moet u dan ook uit gaan van objectieve maatstaven. Leeftijd, rang en ervaring van de behandelaars zijn voor de toets niet van belang. In dit kader worden u onderstaande vragen gesteld. Het zal niet mogelijk zijn om alle vragen met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te geven. Wel wordt gevraagd of u, vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied, de geformuleerde vragen wilt beantwoorden, naar de stand van de wetenschap op het moment waarop de medische behandeling plaats had, uw antwoorden te motiveren en zo mogelijk te verwijzen naar relevante literatuur. Het begrip ‘medisch professionele standaard’ moet u steeds opvatten als het geheel van regels en normen waaraan de behandelaars zijn gehouden, die blijken uit de opleiding(seisen), inzichten en ervaring uit de betreffende medische praktijk, wetenschappelijke literatuur, protocollen en gedragsregels.
U wordt uitdrukkelijk gevraagd om de voorliggende kwestie te beoordelen met uitsluiting van de achteraf verkregen kennis. In dit geval gaat het dus alleen om het handelen van de behandelaars in de nacht van 29 augustus 2017 vanaf het moment van overdracht aan het AMC. U wordt verzocht de volgende vragen te beantwoorden:
Vraag 1
Staat het u vrij om deze expertise te verrichten, in die zin dat u niet in een persoonlijke of zakelijke relatie staat tot de betrokken patiënte, de zorgverleners en het ziekenhuis in deze casus?
Vraag 2
Beschikt u over voldoende informatie om de casus te beoordelen? Zo nee, wilt u dan aan partijen laten weten welke informatie u nog wilt ontvangen dan wel deze informatie rechtstreeks opvragen.
Hoe hoort het in het algemeen te gaan?
Vraag 3
Kunt u voor de verschillende stadia van de geneeskundige behandeling waar het hier over gaat, een bevalling die vanuit de eerste lijn wordt overgenomen door de tweede lijn, aangeven waaruit deze moet bestaan volgens de binnen de beroepsgroep bestaande professionele standaard anno 2017? Wilt u daarbij in ieder geval ingaan op de volgende aspecten:
- informatieoverdracht van eerste op tweede lijn;
- de conditie van de moeder bij binnenkomst in het ziekenhuis;
- onderzoek en CTG-registratie;
- manieren om de bevalling te beëindigen, waaronder het besluit tot een sectio (wie beslist, wanneer, hoe snel).
Wilt u daarbij zoveel mogelijk verwijzen naar richtlijnen, protocollen en literatuur, en de (digitale) vindplaats daarvan vermelden?
Hoe is het in dit geval gegaan?
Vraag 4
a. Kunt u op basis van het medisch dossier een feitelijke beschrijving geven van het verloop van de bevalling en geboorte van [verweerder 3] en begeleiding in het ziekenhuis? Wilt u daarbij in ieder geval ingaan op de volgende aspecten:
- informatieoverdracht van eerste op tweede lijn;
- de conditie van de moeder bij binnenkomst in het ziekenhuis;
- onderzoek en CTG-registratie;
- het besluit om tot een sectio over te gaan.
Voor zover een handeling niet duidelijk is, wilt u dit dan aangeven onder opgave van redenen?
Vraag 5
Kunt u aangeven of naar uw oordeel de betrokken behandelaar bij de behandeling/begeleiding van de bevalling heeft gehandeld volgens de op dat moment voor hem/haar geldende professioneel standaard?
als er niet volgens de professionele standaard is gehandeld, kunt u dan aangeven in hoeverre dat niet is gebeurd en hoe er anders had moeten worden gehandeld?
als er niet volgens de professionele standaard is gehandeld, kunt u dan aangeven of dat handelen van invloed geweest op de foetale asfyxie?
Zo ja, in welk opzicht?
Vraag 6
Is het voor het moment van de geboorte van [verweerder 3] van belang of de beslissing tot sectio is genomen om 07.01 uur, om 07.14 uur of om 07.22 uur?
Zo ja, in welk opzicht?
Vraag 7
Hoe verklaart u de wijzigingen in het dossier zoals in productie 1 bij reactie op verweerschrift Amsterdam UMC (revisiedocumenten) is weergegeven?
Vraag 8
Hebt u nog opmerkingen die van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van deze zaak?
6.2.
benoemt tot deskundigen:
Mevrouw M.E.A. Bartels
correspondentieadres: [adres 1]
telefoon: [telefoonnummer]
emailadres: [e-mailadres 1]
De heer dr. S.V. Koenen, gynaecoloog
correspondentieadres: [adres 2]
emailadres: [e-mailadres 2]
het voorschot
6.3.
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundigen het volgende:
- de deskundigen dienen ieder binnen drie weken na de datum van deze beslissing een begroting van de kosten op te geven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en eventuele overige kosten;
- de griffie zal de door de deskundigen ingediende begrotingen vervolgens aan partijen toezenden;
- partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen (een of beide) begroting(en);
- indien geen bezwaar wordt gemaakt, dan wel niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundigen reeds nu voor alsdan vastgesteld op de door de deskundigen begrote bedragen;
- indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot op de kosten van de betreffende deskundige(n) worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing.
6.4.
bepaalt dat [verzoekers] het voorschot dat ziet op de expertise van Bartels dient over te maken
binnen twee wekenna de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
6.5.
bepaalt dat het Amsterdam UMC het voorschot dat ziet op de expertise van Koenen dient over te maken
binnen twee wekenna de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
6.6.
draagt de griffier op om de deskundigen onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
6.7.
bepaalt dat de twee expertises uitgevoerd door Bartels en Koenen onafhankelijk van elkaar zullen plaatsvinden. De deskundigen zullen elk hun eigen onderzoek uitvoeren, zonder onderlinge beïnvloeding of overleg,
6.8.
bepaalt dat [verzoekers] het procesdossier en het volledige medisch dossier in afschrift aan Bartels en [verweerder 3] moet sturen,
6.9.
bepaalt dat het Amsterdam UMC het procesdossier en het volledige medisch dossier in afschrift aan Koenen en [verweerder 3] moet sturen,
6.10.
bepaalt dat de deskundigen ieder het onderzoek zelfstandig zullen instellen op een door de betreffende deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats;
6.11.
wijst de deskundigen erop dat:
- de deskundigen vóór aanvang van het onderzoek kennis dienen te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie);
- de deskundigen het onderzoek pas aanvangen nadat zij van de griffier bericht hebben ontvangen dat het voorschot is voldaan;
- de deskundigen het onderzoek onmiddellijk dienen te staken en contact dienen op te nemen met de griffier indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden blijkt dat het voorschot niet toereikend is;
6.12.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen dienen te verstrekken indien daarom wordt verzocht en de deskundigen ook overigens in de gelegenheid dienen te stellen het onderzoek te verrichten;
het schriftelijk rapport
6.13.
draagt de deskundigen op om ieder
uiterlijk drie maandenna het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;
6.14.
schrijft de deskundigen voor dat zij bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk rapport van iedere deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het rapport tevens melding moet worden gemaakt van de inhoud van die opmerkingen en verzoeken;
6.15.
bepaalt dat de deskundigen ieder een concept van hun rapport eerst aan [verweerder 3] zullen toezenden en dat zij het [verzoekers] c.q. het Amsterdam UMC schriftelijk zullen berichten dat het conceptrapport aan [verweerder 3] is verzonden;
6.16.
bepaalt dat de deskundigen, indien [verweerder 3] haar blokkeringsrecht niet binnen veertien dagen, dan wel binnen een door partijen nader overeen te komen termijn, heeft uitgeoefend, hun conceptrapport vervolgens aan [verzoekers] c.q. het Amsterdam UMC zullen toezenden;
6.17.
bepaalt dat de deskundigen partijen vervolgens in de gelegenheid zullen stellen opmerkingen over het concept te maken en dat zij in hun rapport moeten vermelden of aan dit voorschrift is voldaan, waaruit die opmerkingen bestaan en wat hun reactie daarop is;
6.18.
bepaalt dat de deskundigen ieder hun definitieve rapport eerst aan [verweerder 3] zullen toezenden en [verzoekers] c.q. het Amsterdam UMC schriftelijk zullen berichten dat het definitieve rapport aan [verweerder 3] is verzonden;
6.19.
bepaalt dat de deskundigen, indien [verweerder 3] haar blokkeringsrecht niet binnen veertien dagen, dan wel binnen een door partijen nader overeen te komen termijn, heeft uitgeoefend, hun definitieve rapport vervolgens aan de rechtbank zullen toezenden, met afschrift aan [verzoekers] c.q. het Amsterdam UMC;
6.20.
bepaalt dat de deskundigen, indien [verweerder 3] haar blokkeringsrecht wél heeft uitgeoefend, daarvan schriftelijk bericht zullen geven aan de rechtbank, met afschrift aan [verzoekers] c.q. het Amsterdam UMC;
6.21.
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op de conceptrapporten van de deskundigen nadat deze aan de betreffende partijen zijn toegezonden, waarbij geldt dat op het conceptrapport van de verloskundig deskundige uitsluitend [verzoekers] en [verweerder 3] kunnen reageren en op het conceptrapport van de gynaecologisch deskundige uitsluitend het Amsterdam UMC en [verweerder 3] kunnen reageren, en dat partijen bij de deskundigen geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van de conceptrapporten te reageren.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.C. van Harmelen, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.