Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen
[naam 1] , uit [plaats] , eiser
Huis voor Klokkenluiders, verweerder
Samenvatting
Procesverloop
13 augustus 2024.
Opmerkingen vooraf
Beoordeling door de rechtbank
Pfeiffer [2] , Adeneler [3] en
Marleasing [4] .
artikel 17i van de Wbk (niet in werking getreden), omdat het accountantskantoor volgens hem ten onrechte accountantsverklaringen heeft afgegeven en hij vindt dat verweerder hierop moet handhaven. Artikel 17i van de Wbk ziet niet op het afgeven van accountantsverklaringen. Daar komt bij dat artikel 23 van Pro de Richtlijn hier ook niet op ziet. Artikel 23 van Pro de Richtlijn schrijft namelijk voor dat lidstaten er zorg voor moeten dragen dat er sancties staan op – kortgezegd – het intimideren en tegenwerken van melders, als ook op het bewust openbaar maken van onjuiste informatie door melders. De rechtbank ziet daarom niet in hoe artikel 17i van de Wbk conform artikel 23 van Pro de Richtlijn zou kunnen worden geïnterpreteerd op de wijze die eiser voor ogen heeft. Uit de wetsgeschiedenis maakt de rechtbank bovendien ook niet op dat artikel 17i van de Wbk, zoals eiser stelt, zou zijn opgesteld ter implementatie van artikel 23 van Pro de Richtlijn. Dit artikel is op 3 januari 2023 [7] als amendement door leden van de Tweede Kamer voorgesteld. Uit de toelichting bij dit voorstel volgt niet dat dit artikel voortvloeit uit artikel 23 van Pro de Richtlijn of daar op enige andere wijze mee in verband staat.
artikel 23 van Pro de Richtlijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier een prejudiciële vraag over te stellen aan het Hof. De rechtbank legt dat oordeel hieronder uit.
Pfeiffer. In dat arrest kwam het Hof ten aanzien van een richtlijnbepaling tot het oordeel dat deze voldeed aan de criteria voor rechtstreekse werking. De bepaling in kwestie legde de lidstaten namelijk in ondubbelzinnige bewoordingen een nauwkeurige en onvoorwaardelijke resultaatsverplichting op, inhoudende dat voor een gemiddelde wekelijkse arbeidstijd, inclusief overuren, een plafond van 48 uur gold. Dat de lidstaten een zekere beoordelingsmarge hadden ten aanzien van die bepaling, deed niet af aan het nauwkeurige en onvoorwaardelijke karakter daarvan, omdat precies kon worden vastgesteld welke minimale bescherming hoe dan ook geboden moest worden. Zo mocht een bepaalde referentieperiode in ieder geval niet langer dan twaalf maanden omvatten en mocht de bepaling alleen buiten toepassing worden gelaten wanneer voldaan was aan specifieke, in de richtlijn omgeschreven voorwaarden. [8]
13 augustus 2024 geen besluit in de zin van Awb. Er staat om die reden geen bezwaar open tegen deze brief. In het bestreden besluit heeft verweerder zorgvuldig onderzocht en uitgelegd dat eisers bezwaar om die reden niet-ontvankelijk is. Het bestreden besluit is daarom niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel. Eisers stelling dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel omdat er geen belangenafweging is gemaakt, volgt de rechtbank ook niet. Nu het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is, hoefde verweerder niet in te gaan op de inhoudelijke gronden van eiser en hoefde er ook geen belangenafweging te worden gemaakt.
13 augustus 2024 uitgelegd dat hij niet handhavend kan optreden omdat hij daartoe geen wettelijke bevoegdheid heeft. Met het bestreden besluit is verweerder bij dit standpunt gebleven. Verweerder heeft eiser niet belet om melding te doen van misstanden of hem verboden zich daarover uit te laten. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.M.A. Hollander, griffier.