Lariwo Beheer B.V. en FSH B.V. zijn partijen in een geschil over een overeenkomst van opdracht waarbij Lariwo als interim commercieel directeur werkzaamheden zou verrichten voor FSH. De overeenkomst liep van 1 november 2024 tot 30 april 2025 met mogelijkheid tot verlenging en opzegging met een maand opzegtermijn.
Lariwo stelt dat FSH de overeenkomst onrechtmatig heeft beëindigd door hem op 17 juni 2025 te verbieden verdere werkzaamheden te verrichten, terwijl volgens Lariwo geen rechtsgeldige opzegging heeft plaatsgevonden. Lariwo vordert in de hoofdzaak nakoming van de overeenkomst en betaling van openstaande facturen.
In het incident vordert Lariwo een voorlopige voorziening om per direct toegang te krijgen tot de werkzaamheden en systemen van FSH, met een dwangsom bij niet-nakoming. De rechtbank oordeelt dat de beoordeling van deze voorlopige voorziening zodanig verweven is met de hoofdzaak dat deze niet zonder nadere mondelinge behandeling kan worden beslist.
Daarom wijst de rechtbank de vordering in het incident af en veroordeelt Lariwo in de proceskosten. De hoofdzaak wordt voortgezet met een nieuwe rolzitting op 8 april 2026.