ECLI:NL:RBAMS:2026:2067

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
10823692 CV EXPL 23-15167
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:162 BWArt. 6:203 lid 3 BWArt. 6:210 lid 2 BWArt. 6:212 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing van informatieplichten en oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomst juridische dienstverlening

Eiser vordert betaling van €799,00 voor juridische diensten verleend aan gedaagde in het kader van een verzoek tot voornaamswijziging. Gedaagde is in gebreke gebleven en verstek is verleend. De kantonrechter onderzoekt ambtshalve of eiser heeft voldaan aan de informatieplichten uit afdeling 2b van titel 5 van boek 6 BW en of de bedingen in de overeenkomst, waaronder algemene voorwaarden, oneerlijk zijn volgens Richtlijn 93/13 EG.

De wijze van totstandkoming van de overeenkomst is onduidelijk, waardoor niet kan worden vastgesteld of aan de informatieplichten is voldaan. De prijsafspraak betreft een fixed fee van €799,00 inclusief btw en griffierechten, maar eiser heeft niet aangetoond dat gedaagde vooraf adequaat is geïnformeerd over de totale kosten en werkzaamheden. Dit leidt tot de conclusie dat het prijsbeding niet transparant is en daarom getoetst moet worden op oneerlijkheid.

De kantonrechter oordeelt dat het beding oneerlijk is omdat gedaagde niet in staat werd gesteld de financiële verplichtingen vooraf in te schatten, waardoor zij niet gebonden is aan het kostenbeding en de overeenkomst niet kan voortbestaan. Daarnaast zijn de bedingen over buitengerechtelijke incassokosten in de algemene voorwaarden oneerlijk en binden deze gedaagde niet.

Eiser krijgt de gelegenheid zich uit te laten over de oneerlijkheid, de gevolgen daarvan en de totstandkoming van de overeenkomst. De zaak wordt aangehouden en verwezen naar de rolzitting voor nadere behandeling.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden voor nadere toelichting over informatieplichten en oneerlijke bedingen in de overeenkomst.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 10823692 CV EXPL 23-15167
vonnis van: 19 februari 2026
fno.: 58865

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats 1]
eiser
procederend in persoon
t e g e n

[gedaagde]

wonende in de [gemeente] (geheim adres)
gedaagde
niet verschenen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 24 november 2023, met producties, heeft eiser tegen gedaagde een vordering ingesteld.
Bij e-mail van 16 februari 2024 heeft eiser, in aanvulling op de producties bij dagvaarding, een ingevuld informatieformulier en de toepasselijke algemene voorwaarden in het geding gebracht.
Gedaagde heeft geen uitstel verzocht en evenmin geantwoord. Tegen haar is verstek verleend, waarna vonnis is bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Eiser vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van gedaagde tot betaling van € 799,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert eiser veroordeling van gedaagde tot betaling van € 145,02 wegens buitengerechtelijke kosten en veroordeling van gedaagde in de proceskosten.
2. Eiser heeft gedaagde bijgestaan inzake haar verzoek tot voornaamswijziging en in dat kader de nodige juridische werkzaamheden verricht in opdracht en ten behoeve van gedaagde, welke werkzaamheden middels factuur bij gedaagde in rekening zijn gebracht. Volgens eiser heeft gedaagde, ondanks sommatie, de factuur onbetaald gelaten.
Ambtshalve toetsing
3. In de dagvaarding is gesteld dat gedaagde in haar hoedanigheid van advocaat eiser heeft benaderd, doch onduidelijk is gebleven in welke hoedanigheid gedaagde de overeenkomst met eiser is aangegaan. Uit de dagvaarding en de opdrachtbevestiging blijkt dat de door eiser verleende juridische bijstand betrekking heeft op een verzoek van gedaagde tot voornaamswijziging. De overeenkomst tussen gedaagde en eiser wordt daarom aangemerkt als een consumentenovereenkomst, zodat ambtshalve moet worden onderzocht of eiser heeft voldaan aan zijn informatieplichten van afdeling 2b van titel 5 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en of in de overeenkomst die tussen partijen is gesloten oneerlijke bedingen zijn opgenomen in de zin van Richtlijn 93/13 EG (de richtlijn oneerlijke bedingen). In dat kader is ook het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023 van belang (ECLI:EU:C:2023:14).
Informatieplichten
4. Afhankelijk van de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen moeten (onder meer) de desbetreffende informatieplichten worden getoetst. Hoe de overeenkomst tussen partijen is gesloten – mondeling of schriftelijk, binnen of buiten de verkoopruimte of op afstand (bijvoorbeeld online) – is in de dagvaarding echter niet gesteld. Eiser heeft wel de opdrachtbevestiging in het geding gebracht, maar daaruit blijkt niet hoe de overeenkomst tot stand is gekomen. Eiser krijgt nog de gelegenheid dit toe te lichten, waarbij hij voorts kan toelichten of, en zo ja, hoe hij heeft voldaan aan de betreffende informatieplichten.
Oneerlijke bedingen
5. Naast de toets van de informatieplichten moet ambtshalve worden beoordeeld of de bedingen in de tussen partijen gesloten overeenkomst (waaronder eventuele algemene voorwaarden) eerlijk zijn. Bij die beoordeling gaat het erom of een beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of de diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Voor het toetsingsmoment moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Irrelevant voor deze toets is daarom de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg. Verder moet rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen geen regeling zouden hebben getroffen.
6. Bedingen die zien op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, zoals de prijs, hoeven alleen ambtshalve te worden getoetst op oneerlijkheid als ze niet transparant zijn (zie artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen).
7. Voor de beoordeling of het prijsbeding voldoende transparant is, is het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 12 januari 2023 van belang (ECLI:EU:C:2023:14). In die zaak speelde de vraag of een beding in een overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten, waarin de kosten alleen zijn vastgelegd op basis van een uurtarief, zonder verdere precisering, voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen. Het HvJEU heeft geoordeeld dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Verder is overwogen dat de advocaat, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van de diensten te schatten.
8. De opdrachtbevestiging en de algemene voorwaarden, waar in de opdrachtbevestiging met een directe link naar verwezen wordt, zijn overgelegd. De kantonrechter heeft deze getoetst en is van oordeel dat de prijsafspraak tussen partijen niet voldoende duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd in de zin van de richtlijn oneerlijke bedingen. Uit de opdrachtbevestiging blijkt dat inzake de voornaamswijziging van gedaagde een vast tarief (fixed fee) is afgesproken van € 799,00 inclusief btw en griffierechten (€ 314,00). Echter, gesteld noch gebleken is dat eiser voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst gedaagde heeft geïnformeerd over de prijs en welke werkzaamheden daar tegenover staan. Gelet op het hiervoor genoemde arrest is het vermelden van de prijs in de opdrachtbevestiging – dus na het sluiten van de overeenkomst – niet genoeg.
9. Voor gedaagde was het op deze manier niet mogelijk om de totale kosten vooraf goed in te schatten. Het kostenbeding is dan ook in dit geval niet transparant en moet daarom worden getoetst op oneerlijkheid. Dat een beding niet transparant is, leidt nog niet direct tot het oordeel dat het beding ook oneerlijk is, maar het is een (belangrijk) element binnen die toets. Het gaat om de vraag of het beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen, ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren.
10. Door gedaagde vooraf niet te informeren over de prijs en de te verrichten werkzaamheden heeft eiser niet alleen geen inzicht gegeven in de financiële verplichting die gedaagde aanging, ook is zij hierdoor onthouden om daarop enige controle uit te voeren. De hoogte van het totaalbedrag is daarbij niet relevant, zodat die niet wordt meegewogen bij deze beoordeling. Het beding wordt gezien het voorgaande vooralsnog oneerlijk bevonden.
11. Dat zou betekenen, gelet op artikel 6 lid 1 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen, dat gedaagde niet aan het kostenbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de onderhavige overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in haar belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954).
12. Nu eiser zijn diensten heeft verricht, heeft gedaagde in die zin geen belang bij het voortbestaan van de overeenkomst. Wel komt gedaagde door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eiser de mogelijkheid biedt om op basis van het recht op ongedaanmaking van de prestaties (artikel 6:203 lid 3 jo Pro. 6:210 lid 2 BW) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW Pro) een vergoeding voor de reeds verrichte diensten te vorderen (ECLI:EU:C:2023:14, punt 62).
13. In die wetsartikelen is bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel gedaagde tot schadevergoeding te verplichten, omdat eiser gebruik maakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft gedaagde die waarde voordat zij de overeenkomst aanging juist niet kunnen inschatten, waardoor zij is bevrijd van haar betalingsverplichting (ECLI:EU:C:2023:14, punt 58). Daarbij komt dat niet kan worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder het hanteren van oneerlijke bedingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dergelijk gedrag worden veroorzaakt (ECLI:EU:C:2023:478, punt 81: het “nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (napta) beginsel). Ten slotte zou de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komen wanneer eiser alsnog een vergoeding voor zijn diensten zou kunnen krijgen terwijl hij in zijn overeenkomsten een oneerlijk prijsbeding hanteert.
14. Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door eiser op een andere grond dan de overeenkomst zal derhalve niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt gedaagde dan ook niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor haar, zodat aanvulling van de overeenkomst niet nodig is.
15. Eiser heeft ook wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten gevorderd, op grond van zijn algemene voorwaarden dan wel op grond van de wet. De bedingen in de algemene voorwaarden die betrekking hebben op voornoemde vorderingen, te weten artikelen 8, 9 en 10, zijn getoetst.
16. Het beding in artikel 8 van Pro de algemene voorwaarden wordt ten aanzien van de gevorderde rente niet oneerlijk bevonden, omdat daarin wordt verwezen naar de wettelijke regeling omtrent rente.
17. Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten wordt in artikel 9 en Pro 10 van de algemene voorwaarden vermeld dat gedaagde de ‘gemaakte incassokosten’ verschuldigd is en dat die kosten ten minste 15% belopen over de eerste € 3.000,-, met een minimum van € 150,-. Dit artikel verplicht de consument de gemaakte buitengerechtelijke kosten aan eiser te vergoeden waarbij een minimum is gesteld van € 150,00. Op grond van dit artikel kan eiser bij het uitbrengen van een sommatie (of ingebrekestelling of exploot) alle in dat verband gemaakte kosten bij de consument in rekening brengen. Dit terwijl een consument slechts de kosten als bedoeld in het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is, voor zover is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:96 BW Pro. Het beding heeft aldus een aanzienlijk bredere strekking dan wat aan de consument op grond van de wet in rekening mag worden gebracht.
18. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de bedingen in artikelen 9 en 10 van de algemene voorwaarden als oneerlijk moeten worden aangemerkt en dat deze de consument dan niet binden en dat dit tot gevolg heeft dat de vorderingen die daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden niet toewijsbaar zijn.
19. Eiser wordt in de gelegenheid gesteld zich over de geconstateerde oneerlijkheid en (de gevolgen van) vernietiging van het prijsbeding en de bedingen in artikelen 9 en 10 van de algemene voorwaarden uit te laten. Ook dient hij zich uit te laten over de totstandkoming van de overeenkomst en hoe hij heeft voldaan aan de betreffende informatieplichten. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rol.
20. De zaak wordt naar de rol verwezen waar eiser zich bij akte kan uitlaten zoals hiervoor is overwogen. Hij dient de gevraagde toelichting en eventuele stukken, inclusief dit vonnis en de door hem genomen aanvullende akte, tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting aan gedaagde te sturen, met de mededeling dat en hoe zij daarop op die rolzitting kan reageren dan wel daarvoor uitstel kan vragen. Eiser wordt in dat kader verzocht naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
21. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rolzitting van
19 maart 2026 om 10.00 uurvoor het nemen van akte door eiser, waarin hij zich kan uitlaten zoals hiervoor is omschreven;
bepaalt dat eiser de akte tenminste twee weken vóór deze rolzitting aan gedaagde moet sturen, zoals onder rov. 20 hiervoor is bepaald;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 in tegenwoordigheid van mr. H. El-Falah, griffier.