ECLI:NL:RBAMS:2026:207

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
1324004725
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over heropening onderzoek Europees aanhoudingsbevel Polen wegens onduidelijkheden in hoger beroepsprocedure

De rechtbank Amsterdam behandelde op 23 december 2025 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen voor de overlevering van een Poolse verdachte ter uitvoering van twee vrijheidsstraffen. Tijdens de zitting werd vastgesteld dat aanvullende informatie nodig was over de procedurele waarborgen, met name de toetsing aan artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW).

De raadsvrouw van de verdachte verzocht om aanhouding van de behandeling omdat onduidelijk was of de verdachte op de hoogte was van de hoger beroepsprocedures en of hij zijn advocaat had gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen en de verdediging te voeren. De officier van justitie vond dat voldoende informatie was verstrekt, maar de rechtbank oordeelde anders.

De rechtbank constateerde dat het dossier onvoldoende duidelijkheid bood over de kennisgeving en machtiging in de hoger beroepsprocedures met kenmerk XVII Ka 402/21 en II AKa 205/20. Daarom werd het onderzoek gesloten en direct heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.

De rechtbank bepaalde tevens dat de zaak uiterlijk op 20 januari 2026 opnieuw op zitting wordt gepland en beveelt de oproeping van de verdachte en een Poolse tolk. Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank heropent en schorst het onderzoek om nadere informatie te verkrijgen over de hoger beroepsprocedures en bepaalt een nieuwe zittingsdatum.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.240.047-25
Datum uitspraak: 6 januari 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 31 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 juni 2025 door
the Circuit Court in Poznańin Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1972,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 december 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de einduitspraak.
Met instemming van partijen is bepaald dat de rechtbank op de zitting van 13 januari 2026 het onderzoek enkelvoudig zal sluiten waarna direct uitspraak wordt gedaan.
Na de zitting van 23 december 2025 heeft de rechtbank partijen per e-mail van 24 december 2025 meegedeeld dat – anders dan op de zitting van 23 december 2025 is bepaald – het onderzoek op 6 januari 2026 (enkelvoudig) wordt gesloten en bij tussenuitspraak direct zal worden heropend teneinde nadere informatie te verkrijgen van de uitvaardigende justitiële autoriteit in verband met de toets aan artikel 12 OLW Pro.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt
the judgment of 14 September 2020 of the District Court in Grodzisk Wielkopolski (II K 295/18) partially commuted by the judgment of 28 October 2021 of the Circuit Court in Poznań (XVII Ka 402/21) with the custodial sentence of one year and two months for [de opgeëiste persoon] ;
the judgment of 20 December 2019 of the Circuit Court Poznań (III K 76/11) partially commuted by the judgment of 31 October 2024 of the Court of Appeals in Poznań (II AKa 205/20) with the aggregate custodial sentence of two years and four months for [de opgeëiste persoon] .
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze twee vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De straf van vonnis I moet volgens het EAB nog volledig ten uitvoer worden gelegd. Van de straf van vonnis II resteren volgens het EAB nog 7 maanden.
De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde veroordelingen.
Deze veroordelingen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro en heropening

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht om aanhouding van de behandeling omdat het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) namens de officier van justitie op 10 december 2025 terecht nadere vragen heeft gesteld in het kader van de toetsing aan artikel 12 OLW Pro. De aanvullende informatie van 19 december 2025 ziet alleen op – kort gezegd – de veroordeling zoals bedoeld onder I. Over de veroordeling onder II is niets vermeld.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beantwoording van alle door het IRC gestelde vragen niet noodzakelijk is om de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro te kunnen beoordelen. Het EAB en de verstrekte aanvullende informatie van 19 december 2025 bevatten voldoende gegevens om te concluderen dat artikel 12 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat. Er is sprake geweest van een door de opgeëiste persoon gekozen advocaat die in beide procedures in hoger beroep – met kenmerken: XVII Ka 402/21 en II AKa 205/20 – aanwezig is geweest.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw toe. Hoewel duidelijk is geworden dat de opgeëiste persoon in de procedure in eerste aanleg met kenmerk II K 295/18 een gemachtigd advocaat heeft gehad, is onduidelijk of de opgeëiste persoon op de hoogte is geweest (of had moeten zijn) van de procedure in hoger beroep (kenmerk XVII Ka 402/21). Uit het dossier blijkt niet of de opgeëiste persoon zijn advocaat heeft gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen en namens hem zijn verdediging te voeren in de beroepsprocedure.
Ook bij de veroordeling zoals bedoeld onder II is de gang van zaken met betrekking tot de procedure in hoger beroep van belang (kenmerk II AKa 205/20). De door het IRC gestelde vragen met betrekking tot de oproeping voor de procedure in hoger beroep, een eventuele adresinstructie en de reikwijdte van die instructie zijn niet beantwoord. Ook ten aanzien van deze procedure is nog onduidelijk of de opgeëiste persoon hiervan op de hoogte is geweest (of had moeten zijn). Het EAB vermeldt in onderdeel D dat een advocaat van de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing in eerste aanleg. Onduidelijk is echter of de opgeëiste persoon zijn advocaat heeft gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen en namens hem zijn verdediging te voeren in de beroepsprocedure. Ten aanzien van deze procedure in hoger beroep (kenmerk II AKa 205/20) is ook onduidelijk of een advocaat de verdediging daadwerkelijk heeft gevoerd.
De rechtbank zal daarom het onderzoek (sluiten en) heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de vragen zoals geformuleerd door het IRC bij e-mail van 10 december 2025 (nogmaals) voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, aangevuld met de volgende vragen:
  • Was de opgeëiste persoon op de hoogte van het voorgenomen proces in hoger beroep (eindigend in de veroordeling met kenmerk XVII Ka 402/21)? Zo ja, hoe?
  • Was de advocaat die hoger beroep heeft ingesteld (eindigend in de veroordeling met kenmerk XVII Ka 402/21), door de opgeëiste persoon gemachtigd om dit hoger beroep namens hem in te stellen? Was deze advocaat ook door de opgeëiste persoon gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren?
  • Was de opgeëiste persoon op de hoogte van het voorgenomen proces in hoger beroep (eindigend in de veroordeling met kenmerk II AKa 205/20)? Zo ja, hoe?
  • Was de advocaat die hoger beroep heeft ingesteld (eindigend in de veroordeling met kenmerk II AKa 205/20), door de opgeëiste persoon gemachtigd om dit hoger beroep namens hem in te stellen? Heeft de advocaat in deze procedure in hoger beroep de opgeëiste persoon vertegenwoordigd? Zo ja, heeft de opgeëiste persoon deze advocaat ook gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren?
  • Ten aanzien van zowel de procedures onder I als onder II: op welk moment tijdens deze procedures is aan de opgeëiste persoon een adresinstructie gegeven? Zien deze instructies ook op eventuele procedures in hoger beroep en zo ja, hoe was dit kenbaar voor de opgeëiste persoon?

5.Slotsom

Omdat het onderzoek op de zitting van 23 december 2025 nog niet is gesloten zal de rechtbank het onderzoek eerst sluiten en direct heropenen gelet op hetgeen onder 4 is overwogen; aldus wordt de officier van justitie in staat gesteld de onder 4 geformuleerde vragen – en de reeds door het IRC geformuleerde vragen – aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.

6.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 4 geformuleerde vragen – en de reeds door het IRC geformuleerde vragen – voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
BEPAALTdat de zaak in verband met het verstrijken van de beslistermijn op 27 januari 2026, uiterlijk op 20 januari 2026 opnieuw op zitting wordt gepland.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.