ECLI:NL:RBAMS:2026:2073

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
11425232 CV EXPL 24-15206
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:193e lid 1 onder c BWArt. 6:203 lid 3 BWArt. 6:210 lid 2 BWArt. 6:212 lid 1 BWRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing oneerlijkheid en transparantie van prijsbeding in advocatendienstenovereenkomst

Eiseres, een besloten vennootschap, vordert betaling van openstaande facturen voor juridische diensten aan gedaagde, die niet is verschenen en verstek is verleend. De overeenkomst tussen partijen wordt aangemerkt als een consumentenovereenkomst, waardoor ambtshalve toetsing plaatsvindt op naleving van informatieplichten en de aanwezigheid van oneerlijke bedingen.

De kantonrechter beoordeelt dat het prijsbeding, dat enkel een uurtarief exclusief btw vermeldt zonder verdere specificatie of raming, niet voldoet aan de transparantievereisten van de richtlijn oneerlijke bedingen en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023. Hierdoor is het beding niet transparant en moet het worden getoetst op oneerlijkheid.

De rechter concludeert dat het beding oneerlijk is omdat eiseres geen indicatie gaf van het aantal uren of de totale kosten, waardoor gedaagde niet kon inschatten waaraan hij zich financieel verbond. Dit leidt ertoe dat gedaagde niet aan het prijsbeding is gebonden en de overeenkomst niet kan voortbestaan. De kantonrechter wijst erop dat eiseres zich nog kan uitlaten over deze bevindingen en wijst de zaak aan voor een rolzitting waar zij een nadere akte kan indienen.

Uitkomst: De kantonrechter verklaart het prijsbeding niet transparant en mogelijk oneerlijk, wijst de zaak aan voor nadere toelichting en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11425232 CV EXPL 24-15206
vonnis van: 24 februari 2026
fno.: 58865

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap [eiseres] B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats]
eiseres
gemachtigde: mr. I.M. Mos-Bolier
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde
niet verschenen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 15 november 2024, met producties, heeft eiseres tegen gedaagde een vordering ingesteld.
Gedaagde heeft geen uitstel verzocht en evenmin geantwoord. Tegen hem is verstek verleend, waarna vonnis is bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Eiseres vordert gedaagde te veroordelen tot betaling van € 1.355,20 aan hoofdsom en € 203,28 wegens buitengerechtelijke kosten. Voorts vordert eiseres primair veroordeling van gedaagde tot betaling van € 102,44 wegens vervallen wettelijke rente tot 23 oktober 2024, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 24 oktober 2024 tot de dag van voldoening en subsidiair veroordeling van gedaagde tot betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de vervaldatum van de vordering tot de dag van voldoening. Tot slot vordert eiseres veroordeling van gedaagde in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2. Eiseres stelt dat op 5 juli 2023 de overeenkomst tussen partijen is bevestigd aan gedaagde en dat de gesloten overeenkomst ziet op het verlenen van juridische diensten aan gedaagde. Op die overeenkomst zijn volgens eiseres de algemene voorwaarden van eiseres van toepassing verklaard (hierna: de algemene voorwaarden). Eiseres stelt de verrichte werkzaamheden middels factuur in rekening te hebben gebracht bij gedaagde. Volgens eiseres is gedaagde, ondanks sommaties, in gebreke gebleven met betaling van het openstaande saldo ter hoogte van de hoofdsom.
Ambtshalve toetsing
3. In de dagvaarding is niets gesteld over de hoedanigheid van gedaagde. Wel is daarin toegelicht dat aan gedaagde rechtsbijstand is verleend ter zake een aangifte wegens mishandeling door de politie. Bovendien heeft eiseres ook gesteld dat zij heeft voldaan aan de (pre)contractuele informatieplichten, zodat aangenomen wordt dat ook eiseres van mening is dat gedaagde gehandeld heeft in hoedanigheid van consument en zij daarom moest voldoen aan de informatieplichten. De overeenkomst tussen partijen wordt daarom aangemerkt als een consumentenovereenkomst, zodat ambtshalve moet worden onderzocht of eiseres heeft voldaan aan haar informatieplichten van afdeling 2b van titel 5 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en of in de overeenkomst die tussen partijen is gesloten oneerlijke bedingen zijn opgenomen in de zin van Richtlijn 93/13 EG (richtlijn oneerlijke bedingen). In dat kader is ook het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023 van belang (ECLI:EU:C:2023:14).
Informatieplichten
4. Afhankelijk van de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen (mondeling of schriftelijk, binnen of buiten de verkoopruimte of op afstand (bijvoorbeeld online)) moeten (onder meer) de desbetreffende informatieplichten worden getoetst. Eiseres heeft in de dagvaarding gesteld dat zij heeft voldaan aan de (pre)contractuele informatieplichten. In het eindvonnis zal, voor zover nodig, daarop nader worden ingegaan.
Oneerlijke bedingen
5. Naast de toets van de informatieplichten, moet ambtshalve worden beoordeeld of de bedingen in de tussen partijen gesloten overeenkomst (waaronder de algemene voorwaarden) oneerlijk zijn. Bij die beoordeling gaat het er om of een beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn). Bedingen die zien op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, zoals de prijs, hoeven alleen ambtshalve te worden getoetst op oneerlijkheid als ze niet transparant zijn (zie artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen).
6. Voor de beoordeling of het prijsbeding voldoende transparant is, is het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 12 januari 2023 van belang (ECLI:EU:C:2023:14). In die zaak speelde de vraag of een beding in een overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten, waarin de kosten alleen zijn vastgelegd op basis van een uurtarief, zonder verdere precisering, voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen. Het HvJEU heeft geoordeeld dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Verder is overwogen dat de advocaat, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van de diensten te schatten, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld.
7. Eiseres heeft de tussen partijen gesloten overeenkomst en de daarin van toepassing verklaarde algemene voorwaarden overgelegd en de kantonrechter heeft deze getoetst en is van oordeel dat de prijsafspraak tussen partijen niet voldoende duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd in de zin van de richtlijn oneerlijke bedingen. Uit de opdrachtbevestiging en de algemene voorwaarden blijkt dat eiseres slechts een uurtarief heeft genoemd exclusief btw, met het voorbehoud dit jaarlijks per 1 januari, ook in lopende zaken, te kunnen wijzigen en dat kosten voor onder andere koeriersdiensten, vertaalkosten en reiskosten separaat in rekening kunnen worden gebracht. Gelet op het hiervoor genoemde arrest is dat niet genoeg, omdat geen indicatie is gegeven van de uiteindelijke of te verwachten hoogte van de kosten voor de juridische bijstand. Hoewel begrijpelijk is dat eiseres voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst geen exact totaalbedrag kon geven, had zij gedaagde wel meer informatie kunnen geven dan zij heeft gedaan en had zij tenminste een (voorlopige) inschatting van het aantal uren of bedrag kunnen geven. Bovendien is in de opdrachtbevestiging het uurtarief exclusief btw opgenomen, terwijl de prijs inclusief btw essentiële informatie is (artikel 6:193e lid 1 onder c BW). Voor gedaagde was het op deze manier niet mogelijk om de totale kosten vooraf goed in te schatten. Het prijsbeding is dan ook niet transparant en moet daarom worden getoetst op oneerlijkheid.
8. Dat een beding niet transparant is, leidt nog niet direct tot het oordeel dat het beding ook oneerlijk is, maar het is een (belangrijk) element binnen die toets. Het gaat om de vraag of het beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen, ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren.
9. Door geen inschatting te geven van het aantal uur dat met de zaak gemoeid zou (kunnen) zijn heeft eiseres niet alleen geen inzicht gegeven in de financiële verplichtingen die gedaagde aanging, ook is hij hierdoor onthouden om daarop enige controle uit te voeren. Gedaagde zal als gemiddelde consument zelf weinig idee hebben van de werkzaamheden die moesten worden verricht ter uitvoering van de opdracht en hoeveel tijd daarmee normaliter gemoeid zou zijn. Eiseres heeft daar als handelaar en professional juist wel zicht op en had die uitleg en het aantal uren dat zij waarschijnlijk bezig was aan gedaagde moeten verstrekken. Door vooraf een inschatting te geven verplicht eiseres zichzelf voorts om rekening en verantwoording aan gedaagde af te leggen, zonder welke zij in wezen de mogelijkheid creëert om onbeperkt uren te declareren en kosten in rekening te brengen. De hoogte van het uurtarief en het uiteindelijke totaalbedrag zijn daarbij niet relevant, zodat die niet worden meegewogen bij deze beoordeling. Het beding wordt gezien het voorgaande vooralsnog oneerlijk bevonden.
10. Dat zou betekenen, gelet op artikel 6 lid 1 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen, dat gedaagde niet aan het prijsbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de onderhavige overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954).
11. Nu eiseres haar diensten heeft verricht, heeft gedaagde in die zin geen belang bij voortbestaan van de overeenkomsten. Wel komt gedaagde door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eiseres de mogelijkheid biedt om op basis van het recht op ongedaanmaking van de prestaties (artikel 6:203 lid 3 jo Pro. 6:210 lid 2 BW) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW Pro) een vergoeding voor de reeds verrichte diensten te vorderen (ECLI:EU:C:2023:14, punt 62).
12. In die wetsartikelen is bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel gedaagde tot schadevergoeding te verplichten, omdat eiseres gebruik maakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft gedaagde die waarde voordat hij de overeenkomsten aanging juist niet kunnen inschatten, waardoor hij is bevrijd van zijn betalingsverplichting (ECLI:EU:C:2023:14, punt 58). Daarbij komt dat niet kan worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder het hanteren van oneerlijke bedingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dergelijk gedrag worden veroorzaakt (ECLI:EU:C:2023:478, punt 81: het “nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (napta) beginsel). Ten slotte zou de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komen wanneer eiseres alsnog een vergoeding voor haar diensten zou kunnen krijgen terwijl zij in haar overeenkomsten een oneerlijk prijsbeding hanteert.
13. Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door eiseres op een andere grond dan de overeenkomst zal derhalve niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomsten brengt gedaagde dan ook niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor hem, zodat aanvulling van de overeenkomsten niet nodig is.
14. De kantonrechter heeft ook artikel 3.9 van de algemene voorwaarden, die betrekking heeft op wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, getoetst. Dat artikel is niet oneerlijk bevonden omdat daarin ten aanzien van consumenten wordt verwezen naar de wettelijke regelingen inzake rente en buitengerechtelijke incassokosten bij wanbetaling.
15. Eiseres mag zich over het voorgaande, met name de oneerlijkheid van het prijsbeding, nog uitlaten.
16. De zaak wordt naar de rol verwezen waar eiseres zich bij akte kan uitlaten zoals hiervoor is overwogen. Zij dient de gevraagde toelichting en eventuele stukken, inclusief dit vonnis en de door haar genomen aanvullende akte, tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting aan gedaagde te sturen, met de mededeling dat en hoe hij daarop op die rolzitting kan reageren dan wel daarvoor uitstel kan vragen. Eiseres wordt in dat kader verzocht naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
17. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rolzitting van
24 maart 2026 om 10.00 uurvoor het nemen van akte door eiseres, waarin zij zich kan uitlaten zoals hiervoor is omschreven ten aanzien van de oneerlijkheid;
bepaalt dat eiseres de akte tenminste twee weken vóór deze rolzitting aan gedaagde moet sturen, zoals onder rov. 16 hiervoor is bepaald;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 in tegenwoordigheid van mr. H. El-Falah, griffier.