Art. 6:193e lid 1 BWArt. 6:203 lid 3 BWArt. 6:210 lid 2 BWArt. 6:212 lid 1 BWRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toetsing van oneerlijk prijsbeding in overeenkomst voor juridische diensten tussen consument en advocaat
Eiser heeft een vordering ingesteld tegen gedaagde wegens niet-betaling van facturen voor juridische diensten. Gedaagde is niet verschenen, waardoor verstek is verleend. De rechtbank stelt vast dat de overeenkomst vermoedelijk een consumentenovereenkomst betreft en ambtshalve moet worden getoetst op naleving van informatieplichten en oneerlijke bedingen volgens de Richtlijn 93/13 EG.
De rechtbank constateert dat eiser onvoldoende heeft toegelicht hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en of aan de informatieplichten is voldaan. De prijsafspraak, gebaseerd op een uurtarief exclusief btw en kantoorkosten zonder indicatie van het totaalbedrag, is niet transparant en voldoet niet aan de eisen van het HvJEU-arrest van 12 januari 2023.
Door het ontbreken van een duidelijke kostenraming is het prijsbeding ambtshalve getoetst op oneerlijkheid en voorlopig als oneerlijk beoordeeld. Dit betekent dat gedaagde niet aan het prijsbeding is gebonden en de overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. Eiser wordt in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de totstandkoming van de overeenkomst, de informatieplichten en de gevolgen van de vernietiging van het prijsbeding. De zaak wordt aangehouden voor nadere behandeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het prijsbeding niet transparant en mogelijk oneerlijk, wijst eiser aan om nadere toelichting te geven en houdt verdere beslissing aan.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11079865 CV EXPL 24-4127
vonnis van: 26 februari 2026
fno.: 58865
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam]
wonende / gevestigd te [woonplaats 1]
eiser
procederend in persoon
t e g e n
[gedaagde]
wonende te [woonplaats 2]
gedaagde
niet verschenen.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Bij dagvaarding van 9 april 2024, met producties, heeft eiser tegen gedaagde een vordering ingesteld.
Gedaagde heeft geen uitstel verzocht en evenmin geantwoord. Tegen hem is verstek verleend, waarna vonnis is bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
1. Eiser vordert gedaagde te veroordelen tot betaling van € 3.447,49 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, en € 469,75 aan buitengerechtelijke kosten, alles met veroordeling van gedaagde in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2. Eiser stelt dat tussen partijen twee overeenkomsten van opdracht tot stand zijn gekomen die zien op het verlenen van juridische diensten aan gedaagde. Eiser stelt de verrichte werkzaamheden middels twee facturen in rekening te hebben gebracht bij gedaagde. De eerste factuur d.d. 26 oktober 2023 is gedeeltelijke verrekend met nota 33217 en het restant ad € 1.373,25 is onbetaald gelaten. De tweede factuur d.d. 30 november 2023 ten bedrage van € 2.074,24 is ook onbetaald gelaten. Volgens eiser is gedaagde, ondanks sommaties, in gebreke gebleven met betaling van het openstaande saldo ter hoogte van de hoofdsom.
Ambtshalve toetsing
3. In de dagvaarding is niets gesteld over de hoedanigheid van gedaagde, maar uit de toelichting op de facturen blijkt dat de door eiser verleende juridische bijstand betrekking heeft op een geschil tussen gedaagde en Maastricht University en een geschil tussen gedaagde en een natuurlijk persoon. Gezien het voorgaande wordt vermoed dat gedaagde heeft gehandeld in de hoedanigheid van consument. De overeenkomst tussen eiser en gedaagde wordt daarom aangemerkt als een consumentenovereenkomst, zodat ambtshalve moet worden onderzocht of eiser heeft voldaan aan zijn informatieplichten van afdeling 2b van titel 5 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en of in de overeenkomst die tussen partijen is gesloten oneerlijke bedingen zijn opgenomen in de zin van Richtlijn 93/13 EG (richtlijn oneerlijke bedingen). In dat kader is ook het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023 van belang (ECLI:EU:C:2023:14).
Informatieplichten
4. Afhankelijk van de wijze waarop de overeenkomsten tot stand zijn gekomen (mondeling of schriftelijk, binnen of buiten de verkoopruimte of op afstand (bijvoorbeeld online)) moeten (onder meer) de desbetreffende informatieplichten worden getoetst. De overeenkomsten zijn niet in het geding gebracht en uit de overgelegde stukken blijkt ook niet hoe de overeenkomsten tot stand zijn gekomen. Eiser krijgt nog de gelegenheid dit toe te lichten, waarbij hij voorts kan toelichten of, en zo ja, hoe hij heeft voldaan aan de betreffende informatieplichten.
Oneerlijke bedingen
5. Naast de toets van de informatieplichten, moet ambtshalve worden beoordeeld of de bedingen in de tussen partijen gesloten overeenkomst (waaronder eventuele algemene voorwaarden) eerlijk zijn. Bij die beoordeling gaat het erom of een beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 vanPro de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of de diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Voor het toetsingsmoment moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Irrelevant voor deze toets is daarom de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg. Verder moet rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen geen regeling zouden hebben getroffen.
6. Bedingen die zien op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, zoals de prijs, hoeven alleen ambtshalve te worden getoetst op oneerlijkheid als ze niet transparant zijn (zie artikel 4 lid 2 vanPro de richtlijn oneerlijke bedingen).
7. Voor de beoordeling of het prijsbeding voldoende transparant is, is het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 12 januari 2023 van belang (ECLI:EU:C:2023:14). In die zaak speelde de vraag of een beding in een overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten, waarin de kosten alleen zijn vastgelegd op basis van een uurtarief, zonder verdere precisering, voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 vanPro de richtlijn oneerlijke bedingen. Het HvJEU heeft geoordeeld dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Verder is overwogen dat de advocaat, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van de diensten te schatten, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld.
8. Eiser heeft de aan gedaagde gezonden opdrachtbevestigingen overgelegd, maar daaruit noch uit de dagvaarding blijkt of op de overeenkomsten algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard, terwijl dit veelal bij dit soort overeenkomsten het geval is. De kantonrechter moet hierop toezien en toepasselijke algemene voorwaarden uit eigen beweging toetsen op eventuele oneerlijkheid. Eiser wordt verzocht ook hierover duidelijkheid te geven en, indien van toepassing, de betreffende algemene voorwaarden in het geding te brengen en zich uit te laten over mogelijke oneerlijke bedingen daarin, voor zover die bedingen op de vordering betrekking (zouden kunnen) hebben.
9. De overgelegde overeenkomsten zijn getoetst en de kantonrechter is van oordeel dat de prijsafspraak tussen partijen niet voldoende duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd in de zin van de richtlijn oneerlijke bedingen. Uit de opdrachtbevestigingen blijkt onder andere dat eiser slechts een uurtarief heeft genoemd exclusief BTW en 6% kantoorkosten en dat het uurtarief onderhevig is aan indexering. Gelet op het hiervoor genoemde arrest is dat niet genoeg, omdat geen indicatie is gegeven van de uiteindelijke of te verwachten hoogte van de kosten voor de juridische bijstand. Hoewel begrijpelijk is dat eiser voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten geen exact totaalbedrag kon geven, had hij gedaagde wel meer informatie kunnen geven dan hij heeft gedaan en had hij tenminste een (voorlopige) inschatting van het aantal uren of bedrag kunnen geven. Bovendien is in de overeenkomst een uurtarief exclusief btw opgenomen, terwijl de prijs inclusief btw essentiële informatie is (artikel 6:193e lid 1 onder c van het Burgerlijk Wetboek).
10. Voor gedaagde was het op deze manier niet mogelijk om de totale kosten vooraf goed in te schatten. Het prijsbeding is dan ook niet transparant en moet daarom worden getoetst op oneerlijkheid. Dat een beding niet transparant is, leidt nog niet direct tot het oordeel dat het beding ook oneerlijk is, maar het is een (belangrijk) element binnen die toets. Het gaat om de vraag of het beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen, ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren.
11. Door geen inschatting te geven van het aantal uur dat met de opdracht gemoeid zou (kunnen) zijn heeft eiser niet alleen geen inzicht gegeven in de financiële verplichtingen die gedaagde aanging, ook is hij hierdoor onthouden om daarop enige controle uit te voeren. Gedaagde zal als gemiddelde consument zelf weinig idee hebben van de werkzaamheden die moesten worden verricht ter uitvoering van de opdracht en hoeveel tijd daarmee normaliter gemoeid zou zijn. Eiser heeft daar als handelaar en beroepsbeoefenaar juist wel zicht op en had die uitleg en het aantal uren dat hij waarschijnlijk bezig was aan gedaagde moeten verstrekken. Door vooraf een inschatting te geven verplicht eiser zichzelf voorts om rekening en verantwoording aan gedaagde af te leggen, zonder welke hij in wezen de mogelijkheid creëert om onbeperkt uren te declareren en kosten in rekening te brengen. De hoogte van het uurtarief en het uiteindelijke totaalbedrag zijn daarbij niet relevant, zodat die niet worden meegewogen bij deze beoordeling. Het beding wordt gezien het voorgaande vooralsnog oneerlijk bevonden.
12. Dat zou betekenen, gelet op artikel 6 lid 1 vanPro de richtlijn oneerlijke bedingen, dat gedaagde niet aan het prijsbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de onderhavige overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954).
13. Nu eiser zijn diensten heeft verricht, heeft gedaagde in die zin geen belang bij het voortbestaan van de overeenkomst. Wel komt gedaagde door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eiser de mogelijkheid biedt om op basis van het recht op ongedaanmaking van de prestaties (artikel 6:203 lid 3 joPro. 6:210 lid 2 BW) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BWPro) een vergoeding voor de reeds verrichte diensten te vorderen (ECLI:EU:C:2023:14, punt 62).
14. In die wetsartikelen is bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel gedaagde tot schadevergoeding te verplichten, omdat eiser gebruik maakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft gedaagde die waarde voordat hij de overeenkomst aanging juist niet kunnen inschatten, waardoor hij is bevrijd van zijn betalingsverplichting (ECLI:EU:C:2023:14, punt 58). Daarbij komt dat niet kan worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder het hanteren van oneerlijke bedingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dergelijk gedrag worden veroorzaakt (ECLI:EU:C:2023:478, punt 81: het “nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (napta) beginsel). Ten slotte zou de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 vanPro de richtlijn oneerlijke bedingen – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komen wanneer eiser alsnog een vergoeding voor zijn diensten zou kunnen krijgen terwijl hij in zijn overeenkomsten een oneerlijk prijsbeding hanteert.
15. Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door eiser op een andere grond dan de overeenkomsten zal derhalve niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomsten brengt gedaagde dan ook niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor hem, zodat aanvulling van de overeenkomsten niet nodig is.
16. Eiser wordt in de gelegenheid gesteld zich uit te laten zoals hiervoor is omschreven onder rov. 8. Ook dient hij zich uit te laten over de geconstateerde oneerlijkheid en (de gevolgen van) vernietiging van het prijsbeding. Voorts dient hij zich uit te laten over de totstandkoming van de overeenkomst en hoe hij heeft voldaan aan de betreffende informatieplichten.
17. De zaak wordt naar de rol verwezen waar eiser zich bij akte kan uitlaten zoals hiervoor is overwogen. Hij dient de gevraagde toelichting en eventuele stukken, inclusief dit vonnis en de door hem genomen aanvullende akte, tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting aan gedaagde te sturen, met de mededeling dat en hoe hij daarop op die rolzitting kan reageren dan wel daarvoor uitstel kan vragen. Eiser wordt in dat kader verzocht naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
18. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
BESLISSING
De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rolzitting van 26 maart 2026 om 10.00 uurvoor het nemen van akte door eiser, waarin hij zich kan uitlaten zoals hiervoor is omschreven;
bepaalt dat eiser de akte tenminste twee weken vóór deze rolzitting aan gedaagde moet sturen, zoals onder rov. 17 hiervoor is bepaald;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026 in tegenwoordigheid van mr. H. El-Falah, griffier.