ECLI:NL:RBAMS:2026:2095

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
11831859 \ CV FORM 25-10920
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 EPGV-VerordeningArt. 17 lid 1 sub c Verordening Brussel I bisArt. 18 lid 1 Verordening Brussel I bisArt. 3 Verordening Rome IArt. 20 lid 2 EPGV-Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consument vordert terugbetaling na niet-levering lamp bij Duitse webshop

De consument heeft via de website van Inwohn een lamp besteld en betaald, maar de levering bleef uit. Na herhaalde navraag en ontbinding van de koopovereenkomst door de consument, betaalde Inwohn het bedrag niet terug. De consument startte een Europese procedure voor geringe vorderingen (EPGV) bij de rechtbank Amsterdam.

Inwohn heeft niet gereageerd op de vordering, waarop de kantonrechter verstek verleende. De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd was op grond van de Verordening Brussel I bis, omdat Inwohn commerciële activiteiten richt op Nederland en de consument in Nederland woonachtig is. Het toepasselijke recht is Nederlands recht, aangezien de consument zich daarop beroept en Inwohn geen verweer voert.

De rechtbank veroordeelde Inwohn tot betaling van het volledige bedrag van €694,20 plus proceskosten van €226,00, en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tevens werd een Engelstalig certificaat van de beslissing toegekend.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Duitse webshop tot betaling van €694,20 en proceskosten wegens niet-levering van een lamp.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11831859 \ CV FORM 25-10920
Beschikking van 26 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
INWOHN A1 GMBH,
gevestigd te [locatie] (Duitsland),
verwerende partij,
hierna te noemen: Inwohn.

1.De procedure

1.1.
Op grond van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (hierna: de EPGV-Verordening) heeft [verzoeker] door middel van het vorderingsformulier A als bedoeld in artikel 4 lid 1 van Pro de EPGV-Verordening een vordering ingesteld, ontvangen op 8 augustus 2025.
1.2.
[verzoeker] is bij brief van 27 augustus 2025 in de gelegenheid gesteld om het Vorderingsformulier A te ondertekenen. Op 24 september 2025 is van [verzoeker] het ondertekende formulier, met bewijsstukken, ontvangen.
1.3.
Inwohn is bij brief van 15 oktober 2025 in de gelegenheid gesteld op de vordering te reageren door formulier C in te vullen en met eventuele bewijsstukken binnen 30 dagen na ontvangst van deze brief te retourneren. De brief is op 20 oktober 2025 bij Inwohn bezorgd. De brief is op 15 oktober 2025 ook per e-mail naar Inwohn gestuurd.
1.4.
Bij brieven van 13 januari 2026 is aan partijen bericht dat van Inwohn geen reactie is ontvangen en dat de rechtbank binnen 30 dagen uitspraak zal doen.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] heeft via de website van Inwohn een lamp besteld voor een bedrag van
€ 694,20. [verzoeker] heeft deze bestelling op 19 februari 2025 betaald.
2.2.
Vanaf 23 maart 2025 heeft [verzoeker] bij Inwohn geïnformeerd naar de status van de levering van zijn bestelling. Omdat levering uitbleef, heeft [verzoeker] op 22 april 2025 aangegeven dat hij de koopovereenkomst wil ontbinden.
2.3.
Inwohn heeft de ontbinding op 24 april 2025 bevestigd, maar heeft het door [verzoeker] betaalde bedrag niet terugbetaald.

3.Het verzoek

3.1.
[verzoeker] vordert - samengevat - veroordeling van Inwohn tot betaling van € 694,20, vermeerderd met proceskosten.
3.2.
[verzoeker] legt aan de vordering ten grondslag dat Inwohn in gebreke is gebleven met de levering van de lamp. Om die reden heeft [verzoeker] de koopovereenkomst ontbonden en om restitutie verzocht. Inwohn heeft echter niet uitbetaald.
3.3.
Inwohn heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid op het vorderingsformulier te reageren.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
De bevoegdheid van de kantonrechter in deze zaak moet worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: de Verordening Brussel I bis).
4.2.
De kantonrechter maakt uit de stellingen van [verzoeker] op dat het in deze zaak gaat om een overeenkomst gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd. Op grond van artikel 17 lid 1 sub c van Pro de Verordening Brussel I bis is de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam bevoegd om de vordering te beoordelen, omdat uit de door [verzoeker] overgelegde bewijsstukken blijkt dat Inwohn commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in Nederland, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op Nederland, of op meerdere staten met inbegrip van Nederland, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.
4.3.
Op grond van artikel 18 lid 1 van Pro de Verordening Brussel I bis kan de rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst, worden gebracht hetzij voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die partij woonplaats heeft, hetzij, ongeacht de woonplaats van de wederpartij, voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft.
4.4.
[verzoeker] heeft woonplaats in [woonplaats] , zodat de Nederlandse rechter bevoegd is en de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam relatief bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Toepasselijk recht
4.5.
Het onderhavige geschil betreft een vordering die voortvloeit uit een verbintenis uit overeenkomst. Om die reden is op het geschil van toepassing de Verordening (EG) nr. 593/2008 betreffende het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: de Verordening Rome I).
4.6.
Op grond van artikel 3 van Pro de Verordening Rome I wordt een overeenkomst beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. Uit de stellingen van [verzoeker] leidt de kantonrechter af dat hij zich beroept op Nederlands recht. Nu Inwohn daartegen geen verweer heeft gevoerd, zal het geschil naar Nederlands recht worden beoordeeld.
De vordering
4.7.
Inwohn heeft de vordering niet weersproken. De vordering is toewijsbaar, nu deze niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt.
4.8.
Inwohn is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op € 226,00 aan griffierecht.
4.9.
[verzoeker] heeft verzocht om een Engelstalig certificaat van de beslissing te verstrekken. Dat verzoek is toewijsbaar. De rechtbank zal daarom het in artikel 20 lid 2 van Pro de EPGV-Verordening voorgeschreven certificaat afgeven. Deze wordt met de beschikking meegezonden.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Inwohn om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € € 694,20,
5.2.
veroordeelt Inwohn in de proceskosten van € 226,00, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking,
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Kuiken en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
33806