ECLI:NL:RBAMS:2026:2110

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
13/289068-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor bezit wapen en harddrugs

Op 1 oktober 2025 werden in een woning in Amsterdam een pistool, munitie en aanzienlijke hoeveelheden cocaïne en MDMA aangetroffen. Verdachte, die op de zolderkamer sliep waar de goederen lagen, werd beschuldigd van het voorhanden hebben van deze verboden middelen en wapens.

De officier van justitie stelde dat verdachte wetenschap en beschikkingsmacht had over de goederen, onder meer vanwege een factuur op zijn naam in een tas met drugs en een vingerafdruk op het wapen. De verdediging betoogde dat verdachte niets wist van de goederen, regelmatig elders verbleef en dat het bewijs onvoldoende was om wetenschap en macht aan te tonen.

De rechtbank oordeelde dat de wetenschap en feitelijke macht van verdachte niet konden worden bewezen. De factuur was te oud en het dactyloscopisch spoor niet geïndividualiseerd. Ook kon niet worden vastgesteld dat verdachte op de dag van aantreffen aanwezig was. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten.

De in beslag genomen goederen werden onttrokken aan het verkeer. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 30 januari 2026.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van wetenschap en beschikkingsmacht over het wapen en de harddrugs.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13/289068-25
Datum uitspraak: 30 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] .

1.Onderzoek op de zitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Leuven, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P. Figge, naar voren hebben gebracht.

2.Beschuldiging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 1 oktober 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
het voorhanden hebben van een wapen (pistool) en munitie van categorie III;
het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van 108 gram cocaïne en 199,82 gram MDMA.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de
bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Beoordeling of verdachte schuldig is aan het tenlastegelegde

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
De drugs, het wapen en de munitie zijn aangetroffen op de slaapkamer op de zolder van de woning aan de [adres] . Uit onderzoek naar de drugs, het wapen en de munitie volgt dat het bezit van deze goederen strafbaar is.
Verdachte heeft op de zitting verklaard een van de hoofdbewoners te zijn en toegang te hebben gehad tot de slaapkamer op de zolder. In die slaapkamer zijn een paspoort, zorgpas en in de sporttas met drugs een factuur op naam van verdachte aangetroffen. Daaruit volgt dat hij wetenschap en beschikkingsmacht had over de goederen die in de slaapkamer zijn aangetroffen. Dat verdachte niets van de goederen wist, is niet aannemelijk. In de slaapkamer op de zolder is zijn paspoort aangetroffen, terwijl in de andere slaapkamer een paspoort is aangetroffen van het broertje van verdachte. Daaruit kan worden afgeleid dat verdachte op de zolder sliep.
Het resultaat van het dactyloscopisch onderzoek, namelijk dat een dactyloscopisch spoor op verdachte “treft” is geen op zichzelf staand bewijsmiddel, want het spoor is niet geïndividualiseerd op verdachte. Maar het laat de mogelijkheid dat het om de vingerafdruk van verdachte gaat open. In het licht van de andere bewijsmiddelen kan het daarom worden beschouwd als een indicatie dat verdachte het vuurwapen heeft vastgehad en daarbij een afdruk heeft achtergelaten.
3.2.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich – onder verwijzing naar haar op schrift gestelde pleitnota – op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte wetenschap van en beschikkingsmacht over het wapen, de munitie en de drugs heeft gehad.
Verdachte heeft vanaf het begin verklaard dat hij niets van de strafbare goederen af wist en dat deze niet van hem zijn. De goederen zijn op 1 oktober 2025 in de woning aangetroffen, terwijl het broertje van verdachte kort daarvoor is aangehouden met verdovende middelen. Daarnaast sliep verdachte regelmatig bij zijn vriendin, waardoor hij regelmatig niet thuis was. Het is niet bekend wanneer en door wie de goederen in de slaapkamer op zolder zijn neergelegd.
Ten aanzien van het dactyloscopische spoor dat op het wapen is aangetroffen, heeft geen individualisatie op verdachte plaatsgevonden en er is geen nader onderzoek gedaan. Daarom kan er geen bewijswaarde aan het spoor worden gehecht. Bovendien geldt dat zelfs als het spoor al aan verdachte zou kunnen worden gelinkt, dat niets zegt over wetenschap en beschikkingsmacht van verdachte over het wapen en de munitie op 1 oktober 2025.
Verder kan uit de factuur van 20 september 2020 op naam van verdachte die in de sporttas met verdovende middelen is aangetroffen niet worden afgeleid dat de inhoud van de tas van verdachte zou zijn en dat hij hiervan wetenschap had.
3.3.
Oordeel van de rechtbank: vrijspraak
De rechtbank acht het tenlastegelegde niet bewezen, zodat verdachte zal worden vrijgesproken. Zij overweegt daartoe als volgt.
Voor een bewezenverklaring voor het opzettelijk aanwezig hebben van de harddrugs is vereist dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs én dat die drugs zich binnen zijn machtssfeer bevond. En voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen en munitie is vereist dat verdachte een meer of mindere mate van bewustheid van de aanwezigheid van het wapen had en dat hij de feitelijke macht over het wapen kon uitoefenen.
Op 1 oktober 2025 zijn in de slaapkamer op de zolder van de woning aan de [adres] verschillende soorten harddrugs, een wapen en munitie aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij af en toe op die slaapkamer slaapt, maar dat hij ook vaak bij zijn vriendin verblijft. De rechtbank gaat uit van het uitgangspunt dat de degene die gebruik maakt van een slaapkamer, geacht wordt weet te hebben van de aanwezigheid van de daar aangetroffen goederen en dat deze zich ook in de machtssfeer van die persoon bevinden, tenzij er omstandigheden aanwezig zijn die dit anders maken. Die omstandigheden kunnen bijvoorbeeld bestaan uit waar en hoe de goederen zijn aangetroffen en hoe lang de goederen op de plek van aantreffen hebben gelegen.
De rechtbank is – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap had van de aangetroffen goederen. De factuur op naam van verdachte, die in de tas waarin ook de drugs zijn aangetroffen, is van 2020 en daarom te oud om daaruit af te leiden dat verdachte wist van de drugs op 1 oktober 2025. Ten aanzien van de drugs die in het kledingrek zijn aangetroffen, kan niet worden uitgesloten dat die daar diezelfde dag zijn neergelegd door een ander dan verdachte. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het broertje van verdachte op dezelfde dag is aangehouden met drugs in zijn bezit. Daarnaast kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte op 1 oktober 2025 in de woning is geweest. Daarbij wordt betrokken dat verdachte heeft verklaard ook regelmatig bij zijn vriendin te overnachten. Op basis van het voorgaande kan niet worden bewezen dat verdachte wetenschap had van de drugs.
Voor het vuurwapen en de munitie gevonden in een afgesloten schoenendoos geldt hetzelfde. Het dactyloscopische spoor dat is aangetroffen op het wapen kan niet aan verdachte worden gekoppeld, omdat geen individualisatie heeft plaatsgevonden.

4.Beslag

In het onderzoek zijn verschillende soorten drugs, een wapen en een patroon in beslag genomen. Het voorhanden hebben daarvan is in strijd met de wet en daarom worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

5.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
- 1 STK Verdovende Middelen (goednr. 6717015);
- 1 STK Verdovende Middelen (goednr. 6717020);
- 395 STK Verdovende Middelen (goednr. 6717026);
- 40 STK Verdovende Middelen (goednr. 6717022);
- 1 STK Wapen (goednr. 6716967);
- 1 STK Patroon (goednr. 6716970).
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Wildeman, voorzitter,
mrs. M. Nieuwenhuijs en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. T. Brouwer en G. Brokkelkamp, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 januari 2026.
[...]