ECLI:NL:RBAMS:2026:2120

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
13/119435-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a SrArt. 37b SrArt. 57 SrArt. 285 SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdachte veroordeeld voor mishandeling en bedreiging van zijn moeder met TBS-maatregel

Op 16 april 2025 mishandelde verdachte zijn moeder door haar meerdere keren te slaan en tegen haar knie te schoppen. Tevens bedreigde hij haar met de woorden dat hij haar zou vermoorden, wat de rechtbank als strafbare bedreiging heeft aangemerkt. De rechtbank verwierp het noodweer- en noodweerexcesverweer omdat geen bewijs was voor een aanval door de moeder.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat zijn bedreiging zijn moeder zou bereiken, mede gelet op de ernst van de uitlatingen en eerdere veroordelingen. Psychiatrische rapportages toonden aan dat verdachte leed aan schizofrenie, middelenmisbruik en zwakbegaafdheid, waardoor hij sterk verminderd toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 30 dagen op met aftrek van voorarrest en een ongemaximeerde TBS-maatregel met verpleging van overheidswege, gezien het hoge recidiverisico en de noodzaak van langdurige behandeling. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen vanwege de opgelegde TBS-maatregel.

De uitspraak benadrukt de ernst van het geweld binnen de thuissituatie en de noodzaak van bescherming van zowel moeder als maatschappij. De TBS-maatregel biedt een passend kader voor behandeling en toezicht, gezien de complexe problematiek van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 30 dagen gevangenisstraf en een ongemaximeerde TBS-maatregel met verpleging van overheidswege wegens mishandeling en bedreiging van zijn moeder.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/119435-25
Parketnummer vordering tul: 13/070792-23
Datum uitspraak: 14 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,
post- of correspondentieadres:
[adres] ,
gedetineerd in [Penitentiaire Inrichting] .

1.Onderzoek op de zitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 31 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.D. Polat, naar voren hebben gebracht.

2.Beschuldiging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij op 16 april 2025 in Amsterdam:
zijn moeder [slachtoffer] heeft mishandeld door tegen haar hoofd of lichaam te slaan en tegen haar knie of lichaam te schoppen;
zijn moeder [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door te zeggen: “Ik denk dat ik mijn moeder ga vermoorden. Ik haat haar echt heel erg”.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide feiten.
Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het noodweer(exces) verweer niet kan slagen. Op basis van het dossier is niet aannemelijk geworden dat verdachte door zijn moeder zou zijn aangevallen.
Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitlating zijn moeder te willen vermoorden, bij zijn moeder zou terechtkomen. Hij heeft de uitlating immers gedaan tegenover verbalisanten nadat hij is aangehouden voor mishandeling van zijn moeder.
3.2.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde heeft gehandeld uit noodweer, zodat verdachte van de ten laste gelegde mishandeling moet worden vrijgesproken. Verdachte moest zich verdedigen tegen een aanval van zijn moeder met een pan. Het handelen van verdachte was noodzakelijk en proportioneel. Subsidiair is een beroep gedaan op noodweerexces.
Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw ook bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Primair had verdachte geen opzet op het op de hoogte raken door zijn moeder van zijn uitlating tegenover de verbalisanten. Verdachte heeft de uitlating in een afgesloten voertuig gedaan tegenover twee opsporingsambtenaren. Op dat moment bestond er geen aanmerkelijke kans dat zijn uitlating bij zijn moeder zou terechtkomen, althans die kans heeft verdachte niet bewust aanvaard. Subsidiair is de bedreiging niet van dien aard dat er redelijke vrees bij zijn moeder kon ontstaan. Een verzuchting van frustratie is geen strafbare bedreiging.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewezenverklaring feit 1
Op grond van de bewijsmiddelen is bewezen dat verdachte zijn moeder heeft mishandeld door haar tegen het lichaam te slaan en tegen haar knie te schoppen. Verdachte en zijn moeder hebben beiden verklaard dat verdachte meerdere keren tegen het lichaam van zijn moeder heeft geslagen. De verklaring van de moeder dat verdachte tegen haar knie heeft geschopt, wordt ondersteund door de foto’s van haar knie. Daarop is een rode plek te zien.
De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die aan het noodweer(exces) verweer ten grondslag liggen niet aannemelijk zijn geworden. Dat de moeder van verdachte hem met een pan tegen zijn hoofd heeft geslagen of een hete pan tegen hem aan heeft geduwd, wordt niet ondersteund door de inhoud van het dossier en is evenmin op andere wijze aannemelijk geworden.
Nu er geen sprake was van een noodweersituatie, kan een beroep op noodweer of noodweerexces daarom niet slagen.
3.3.2.
Bewezenverklaring feit 2
Daarnaast is bewezen dat verdachte zijn moeder heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Voor een strafbare bedreiging is vereist dat het opzet erop moet zijn gericht dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte raakt van de bedreiging. In dit geval heeft verdachte de uitlating “Ik denk dat ik mijn moeder ga vermoorden. Ik haat haar echt heel erg” gedaan tegenover verbalisanten. Uit jurisprudentie blijkt dat in geval van een indirecte bedreiging, zoals in deze zaak, ook aan het opzetvereiste is voldaan als sprake is van voorwaardelijk opzet.
Verdachte heeft de bedreiging geuit, nadat hij door de verbalisanten is aangehouden in verband met de verdenking dat hij zijn moeder heeft mishandeld. Het is dan, mede gelet op de ernst van de bewoordingen en omdat het gaat om medewerkers van overheidsinstanties, ondenkbaar dat zij niet de verantwoordelijkheid zouden nemen om de moeder van verdachte op de hoogte te brengen van de door verdachte gedane uitlatingen. Bovendien is verdachte eerder veroordeeld voor een bedreiging en mishandeling van zijn moeder. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak de kans dat de moeder van verdachte van de bedreiging op de hoogte zou raken aanmerkelijk is en dat verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard.
De rechtbank is ook van oordeel dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Anders dan de raadsvrouw vindt de rechtbank niet dat sprake is van een verzuchting van frustratie. De gebruikte bewoordingen, in samenhang met de omstandigheden waaronder deze zijn geuit, zijn van dien aard dat bij de moeder van verdachte de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte haar zou vermoorden. Daarbij betrekt de rechtbank ook de hiervoor genoemde voorgeschiedenis tussen verdachte en zijn moeder. De rechtbank verwerpt het verweer. Het is in dit kader voldoende dat de bedreiging in het algemeen geschikt is om de vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
op 16 april 2025 te Amsterdam zijn moeder, [slachtoffer] , heeft mishandeld door
- die [slachtoffer] meermalen tegen haar lichaam te slaan en;
- die [slachtoffer] tegen haar knie te schoppen;
2.
op 16 april 2025 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen “Ik denk dat ik mijn moeder ga vermoorden. Ik haat haar echt heel erg”.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. De rechtbank verwijst naar hetgeen daarover bij de bespreking van het noodweer(exces) verweer is opgemerkt.

6.Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft bij haar oordeel over de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de Pro Justitia rapportages, opgemaakt door GZ-psycholoog J. Yntema op 27 november 2025,en door psychiater M.C. Heus op 14 november 2025. Hieruit volgt dat bij verdachte sprake is van schizofrenie en een stoornis in gebruik van cannabis en alcohol. Daarnaast is (waarschijnlijk) sprake van een cognitief functioneren op zwakbegaafd niveau. Uit de rapportages volgt dat er aanwijzingen zijn dat verdachte psychotisch ontregeld was en mogelijk onder invloed van cannabis en alcohol. Door de psychische problematiek was verdachte niet goed in staat om zijn boosheid en gedrag te beheersen, nadat zijn moeder hem geld had geweigerd. Dat maakt dat de deskundigen adviseren om de feiten in sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel van de deskundigen ten aanzien van de bij verdachte aanwezige stoornissen. Daarnaast neemt de rechtbank de conclusie over dat de stoornissen ook ten tijde van de delicten aanwezig waren. Verdachte was vanuit de combinatie van schizofrenie en het middelengebruik minder goed in staat zijn wil en handelen te bepalen. De verdachte wordt daarom sterk verminderd toerekeningsvatbaar geacht ten aanzien van het bewezenverklaarde. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf en maatregel

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder de feiten 1 en 2 bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 272 dagen, met aftrek van voorarrest, en tot de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met verpleging van overheidswege.
De officier van justitie heeft met betrekking tot de tbs-maatregel aangevoerd dat aan alle voorwaarden voor oplegging is voldaan. De psycholoog en psychiater hebben geconcludeerd dat, gelet op het persoonlijkheidsbeeld bij verdachte en het hoge recidiverisico, zij geen ander kader mogelijk achten dan de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege. Zonder behandeling is verdachte een groot gevaar voor de maatschappij.
7.2.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de ernst van de verdenkingen niet in verhouding staat tot oplegging van een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege. Zij heeft verzocht om minder ingrijpende alternatieven in overweging te nemen, zoals de maatregel tbs met voorwaarden.
Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat bedreiging niet zonder meer kan worden aangemerkt als een geweldsmisdrijf. Er is geen sprake van een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, zodat verzocht wordt om de duur van de tbs-maatregel te maximeren.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
7.3.1.
Overwegingen ten aanzien van de straf
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het mishandelen en bedreigen van zijn moeder. Hij wilde geld van haar en toen zij hem dat niet gaf, heeft hij haar mishandeld. De mishandeling heeft plaatsgevonden in het huis waar verdachte en zijn moeder wonen. Dit zou bij uitstek de plek moeten zijn waar zijn moeder zich veilig zou moeten voelen. Zij heeft echter haar huis moeten verlaten om zich aan verdachte te onttrekken. Verdachte heeft vervolgens tegen de politie gezegd dat hij zijn moeder wilde vermoorden, omdat hij haar echt heel erg haat. Voor de moeder van verdachte moet dit een beangstigende situatie zijn geweest. Niet alleen is zij fysiek door verdachte mishandeld, waarbij hij een inbreuk heeft gemaakt op haar lichamelijke integriteit, maar zij moest later ook van de politie horen dat verdachte haar wil vermoorden. Verdachte heeft haar hierdoor bang gemaakt, zo verklaart zij bij de politie.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 24 juni 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor bedreiging en mishandeling van zijn moeder.
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, het strafblad van verdachte en het feit dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht, vindt de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen met aftrek van voorarrest passend en geboden.
7.3.2.
Overwegingen ten aanzien van de maatregel
Advies Pro Justitia
Uit de onder rubriek 6 genoemde rapportages blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende.
Bij verdachte is sprake van schizofrenie en een stoornis in gebruik van cannabis en alcohol. Daarnaast is (waarschijnlijk) sprake van een cognitief functioneren op zwakbegaafd niveau. Vanuit zijn schizofrenie is verdachte wantrouwend en heeft hij last van paranoïde gedachtes, waardoor hij overtuigd is van het feit dat iedereen tegen hem is. Zijn agressie heeft aan de ene kant een instrumentele kant en aan de andere kant is hij als gevolg van zijn problematiek beperkt in zijn manier van redeneren. Dat maakt dat verdachte flink beperkt is in zijn keuzemogelijkheden. Vanuit de combinatie van schizofrenie en het middelengebruik is verdachte minder goed in staat tot het reguleren van zijn emoties. Daarnaast is hij vooral gericht op korte termijn behoeftebevrediging en vertoont hij van daaruit agressief gedrag.
Het risico op agressief gedrag bij een onbehandelde terugkeer in de maatschappij wordt als hoog ingeschat. Volgens de psycholoog is er sprake van enkele externe beschermende factoren in het leven van verdachte. Zo heeft verdachte een hechte band met zijn moeder, is er sprake van professionele hulpverlening en van intensief toezicht. Het lukt verdachte echter onvoldoende hier gebruik van te maken. Er zijn verder geen beschermende factoren aanwezig. De psychiater ziet de woonsituatie met zijn moeder als risicoverhogende factor. De voornaamste risicofactoren zijn de schizofrenie in combinatie met het middelenmisbruik. Dit zorgt ervoor dat hij psychotisch ontregeld raakt en als gevolg daarvan agressief gedrag vertoont. De sociale context vormt een extra risicofactor waarbij hij zijn moeder onder druk zet om aan financiële middelen te komen om zijn verslavingen te kunnen bekostigen. Verder heeft verdachte geen ziekte-inzicht en geen motivatie voor behandeling. Daardoor blijft hij middelen gebruiken, ondanks zijn psychotische kwetsbaarheid. Indien hier geen verandering in komt, zal het risico op recidive onverminderd hoog blijven.
Vanwege het gebrek aan overzicht, zelfsturing, ziektebesef en motivatie bij verdachte is het niet mogelijk om een interventieadvies op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Ondanks zijn uitgebreide hulpverleningsgeschiedenis is verdachte er onvoldoende in geslaagd hiervan te profiteren. Een opname op basis van een zorgmachtiging is ook onvoldoende passend. Een nadeel van deze route is namelijk dat de duur en intensiteit van de geboden zorg vaak beperkt zijn, terwijl verdachte gezien zijn chronische en complexe problematiek langdurige (klinische) behandeling en toezicht nodig heeft. Bovendien bestaat het risico dat hij na een dergelijke opname opnieuw terugkeert naar de thuissituatie, waar het gevaar voor herhaling van agressief gedrag groot is. Zo heeft de moeder van verdachte aangegeven dat verdachte weer thuis zou kunnen gaan wonen als er geen andere optie is en ook toen hij bij beschermd wonen terecht kon, heeft moeder verdachte bij haar laten wonen. Moeder is bang voor verdachte en is vanuit deze angst geneigd om verdachte zijn zin te geven. Op die manier kan er wederom een gevaarlijke interactie tussen hen ontstaan waarvoor beiden beschermd zouden moeten worden.
De beïnvloedingsmogelijkheden zijn bij schizofrenie en de mogelijk aanwezige zwakbegaafdheid, gezien het chronische ziektebeeld, zeer beperkt. De verwachting is dat, om tot daadwerkelijke gedragsverandering te komen en het risico op herhaling te verkleinen, verdachte een langdurig en intensief traject nodig heeft met veel begeleiding en toezicht. Een klinische opname in een forensische (verslavings-)kliniek lijkt daarom het meest passend.
Tegen deze achtergrond is een tbsmaatregel met verpleging van overheidswege het meest passend en noodzakelijk. Een tbsmaatregel met verpleging van overheidswege biedt een stevig juridisch kader waarin verdachte langdurig kan worden behandeld en begeleid, ook bij gebrek aan motivatie of ziekte-inzicht. Voordelen van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege zijn dat deze maatregel zowel beveiliging van de maatschappij als behandeling van verdachte waarborgt, flexibel kan worden verlengd zolang het risico op herhaling aanwezig is, en mogelijkheden biedt om – indien de situatie stabiliseert – geleidelijk over te gaan naar minder beveiligde zorgvormen en beschermd wonen. De psychiater ziet geen ruimte voor de maatregel tbs met voorwaarden. Bij verdachte is geen sprake van motivatie en inzicht voor behandeling of het stoppen van middelen en er ontbreekt zelfsturing, waardoor verdachte niet in staat is om zich voor langere tijd aan voorwaarden te houden.
Tbs-maatregel met verpleging van overheidswege
De rechtbank concludeert dat het noodzakelijk is dat verdachte ter beschikking gesteld wordt met verpleging van overheidswege en dat aan de formele vereisten voor oplegging van die maatregel is voldaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat er bij verdachte tijdens het begaan van het bewezenverklaarde sprake was van schizofrenie, zwakbegaafdheid en van stoornissen in middelengebruik. De bewezenverklaarde mishandeling van zijn moeder is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De bewezenverklaarde bedreiging wordt apart genoemd in artikel 37a, lid 1 sub 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), waardoor het opleggen van de tbs-maatregel ook voor dat feit mogelijk is. Daarnaast vereist de veiligheid van anderen, gelet op het hoge recidiverisico als verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij, het opleggen van de maatregel.
De rechtbank komt tot de conclusie dat alleen de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege een passend kader is voor de behandeling van verdachte. De maatregel van tbs met voorwaarden biedt een onvoldoende strikt kader, waardoor deze maatregel niet volstaat. Verdachte is – gelet op de ernstige problematiek, die gepaard gaat met een beperkt ziekte-inzicht – niet in staat zich langdurig aan voorwaarden te houden. Daarbij komt dat de behandeling van verdachte naar verwachting langdurig zal zijn. Gelet op al het voorgaande legt de rechtbank aan verdachte ten aanzien van beide feiten een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege op.
Ongemaximeerde tbs
De rechtbank is tot slot van oordeel dat de bewezen verklaarde mishandeling van de moeder van verdachte kan worden aangemerkt als een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. De bewezen verklaarde bedreiging is echter niet zonder meer aan te merken als een geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 38e Sr. Onder omstandigheden kan echter ook bij bewezenverklaring van bedreiging een ongemaximeerde tbs-maatregel worden opgelegd.
Gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, de vaststelling met betrekking tot de uitlating van verdachte en de reële mogelijkheid dat verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan een geweldsmisdrijf, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde bedreiging is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Daarmee is zowel bij de mishandeling als bij de bedreiging sprake van een geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 38e Sr. De totale duur van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege is daarom niet beperkt tot de duur van vier jaren.

8.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 24 juni 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/070792-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 23 mei 2023 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, met bevel dat een deel van deze straf, te weten 40 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van de omstandigheid dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Daarnaast bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen, nu aan verdachte de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege wordt opgelegd en de rechtbank toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in dat licht niet opportuun acht.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde onder feit 1 levert op:
-
mishandeling, begaan tegen zijn moeder
Het bewezenverklaarde onder feit 2 levert op:
-
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
30 (dertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.
Gelast dat verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij
van overheidswege wordt verpleegd.
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/070792-23 af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,
mrs. I. Mannen en I. Timmermans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 januari 2025.
[…]
[…]

1.[…]

.