ECLI:NL:RBAMS:2026:2161

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
AMS 24/5283
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens ontbreken belanghebbende bij verkeersbesluit parkeerverbod

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om zijn bezwaar tegen een verkeersbesluit niet-ontvankelijk te verklaren. Het verkeersbesluit betreft de instelling van een parkeerverbodzone aan een locatie nabij de woning van eiser.

Eiser stelt dat hij als chauffeur van transportvoertuigen direct wordt geraakt door het parkeerverbod, omdat hij zijn voertuigen niet meer op de openbare weg kan parkeren. Tevens voert hij aan dat het parkeerverbod leidt tot een toename van parkeerdruk in de directe omgeving, wat hem persoonlijk treft.

De rechtbank overweegt dat het vereiste van belanghebbende bij verkeersbesluiten een zekere begrenzing kent en dat alleen personen met een bijzonder en individueel belang dat zich voldoende onderscheidt van andere weggebruikers als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een dergelijk belang heeft. De afstand van zijn woning tot het verkeersbesluit is niet direct, zijn werkzaamheden als chauffeur zijn niet aannemelijk gemaakt en het vermeende waterbedeffect is niet bewezen.

Daarom is het beroep ongegrond en blijft het besluit van verweerder in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat hij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het verkeersbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 24/5283

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Khallouk).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of eiser kan worden aangemerkt als belanghebbende.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het bestreden besluit van 6 augustus 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het verkeersbesluit van 27 maart 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het verkeersbesluit waarmee een parkeerverbod zone is ingesteld aan de [locatie] .
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser betwist het standpunt van verweerder dat hij geen belanghebbende is bij het verkeersbesluit. Volgens eiser is zijn woning slechts op 90 meter van de [locatie] gelegen en komt zijn uitrit direct uit op deze straat. Hiermee betwist hij de door verweerder gehanteerde afstand van 300 tot 1000 meter. Eiser betoogt dat hij rechtstreeks door het besluit wordt geraakt vanwege zijn bijzondere en individuele belang. Ten aanzien van dit belang heeft de gemachtigde van eiser op de zitting nog aangevoerd dat eiser werkzaam is als chauffeur van transportvoertuigen en hij deze voertuigen niet meer op de openbare weg kan parkeren vanwege het verkeersbesluit. Daarnaast voert eiser aan dat het onttrekken van parkeerplaatsen in de directe omgeving tot gevolg heeft dat, als gevolg van het zogenaamde waterbedeffect, de parkeerdruk toeneemt en hem dit persoonlijk treft.
4. Zoals uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) blijkt, is met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende een zekere begrenzing beoogd ten aanzien van de mogelijkheid tegen een besluit bezwaar te maken. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om tegen een verkeersbesluit beroep open te stellen voor eenieder. Bij verkeersbesluiten moet dan ook van geval tot geval worden onderzocht wiens belangen rechtstreeks bij een dergelijk besluit zijn betrokken. Een persoon is slechts belanghebbende bij een verkeersbesluit indien hij of zij een bijzonder, individueel belang heeft bij dat besluit, welk belang zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers. [1] Als door het verkeersbesluit sprake is van een toename van betekenis van het verkeer in de directe leefomgeving van een persoon, dan onderscheidt deze persoon zich in voldoende mate van anderen. [2]
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser terecht niet heeft aangemerkt als belanghebbende. Het bijzonder individueel belang dat eiser stelt te hebben bij het verkeersbesluit onderscheidt zich in onvoldoende mate van dat van andere weggebruikers om hem aan te merken als belanghebbende. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er geen sprake is van een directe nabijheid van de woning van eiser tot het verkeersbesluit. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij werkzaam is als chauffeur van transportvoertuigen of hoe het verkeersbesluit invloed heeft op zijn werkzaamheden. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de parkeerdruk als het gevolg van het verkeersbesluit is toegenomen. Dat eisers uitrit op de [locatie] uitkomt, levert zonder bijkomende omstandigheden evenmin belanghebbendheid op aangezien de verkeerssituatie bij de woning zelf niet wezenlijk verandert. Het beroep van eiser slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4544.
2.Uitspraken van de Afdeling van 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2597 en 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1316.