ECLI:NL:RBAMS:2026:2208

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
12006773 \ CV EXPL 25-17023
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:230t BWArt. 6:96 lid 6 BWRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consumentenrechtelijke toetsing en proceskostenveroordeling bij niet-betaalde uitvaartfactuur

Eiser, een uitvaartverzekeraar, vordert betaling van een openstaande factuur voor verleende uitvaartdiensten. Gedaagde is in verzuim en verschijnt niet in de procedure, waardoor verstek wordt verleend.

De kantonrechter toetst ambtshalve of de overeenkomst voldoet aan consumentenrechtelijke vereisten, waaronder de informatieplichten bij overeenkomsten buiten de verkoopruimte en de richtlijn inzake oneerlijke bedingen. Eisende partij heeft voldoende aangetoond dat zij aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan en de prijs is duidelijk vermeld.

De bedingen over rente, incassokosten en proceskosten in de algemene voorwaarden worden getoetst aan de Europese jurisprudentie en de richtlijn. Deze bedingen worden niet als oneerlijk beoordeeld, mede door verwijzing naar de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en de beperking van kosten tot het rechtens mogelijke.

De vordering wordt volledig toegewezen, inclusief hoofdsom, rente, incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de uitvaartfactuur, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12006773 \ CV EXPL 25-17023
Vonnis van 29 januari 2026
in de zaak van
de naamloze vennootschap
DELA UITVAARTVERZORGING N.V.,
gevestigd te Eindhoven,
eisende partij,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 november 2025, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 804,23 aan hoofdsom, € 145,96 aan buitengerechtelijke kosten, € 37,63 aan rente en de proceskosten. Eisende partij stelt diensten te hebben verleend, bestaande uit het verzorgen van een uitvaart. De daarvoor verstuurde factuur heeft gedaagde partij niet betaald.
2.2.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.3.
Gelet op de gestelde wijze van totstandkoming van de overeenkomst (bij gedaagde thuis), is sprake van een overeenkomst buiten de verkoopruimte. In dat geval moet gemotiveerd worden gesteld dat is voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230t van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.4.
Eisende partij heeft hierover voldoende gesteld en onderbouwd. Alle essentiële informatie is opgenomen in de schriftelijke voorlopige kostenopgave en opdracht tot uitvoering, inclusief informatie over het (doen van afstand van het) ontbindingsrecht. Vastgesteld wordt daarom dat eisende partij aan haar informatieplichten heeft voldaan.
2.5.
De prijs staat op duidelijke en begrijpelijke wijze in de overeenkomst, zodat verdere toetsing aan de richtlijn ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn niet aan de orde is.
2.6.
Eisende partij maakt aanspraak op rente, incassokosten en proceskosten. Zij heeft bedingen in de op de overeenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden staan die zij aan deze nevenvorderingen ten grondslag kan leggen. Die bedingen moeten worden getoetst op oneerlijkheid. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.7.
De bedingen hierover zijn te vinden in artikel 9.5 t/m 9.7. De bedingen zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden. Weliswaar staat in het beding over (buiten)gerechtelijke kosten dat alle kosten voor rekening van de consument komen, maar daar wordt in het beding een nadere duiding c.q. beperking aan gesteld, namelijk voor zover dat rechtens mogelijk is. Bovendien wordt voor wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten expliciet verwezen naar de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten, waarbij ook het vereiste van een vruchteloze aanmaning (als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro) in het beding wordt gesteld.
2.8.
De vordering komt overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze wordt toegewezen als na te melden.
2.9.
Gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
135,00
(1 punt × € 135,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
688,64

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 987,82, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 804,23 vanaf 26 november 2025 tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 688,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.
991