ECLI:NL:RBAMS:2026:2264

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
12057213 \ KK EXPL 26-35
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 lid 1 BWArt. 7:629 lid 3 BWArt. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 7:262 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkgever onterecht loonstop opgelegd wegens weigering mediation door werknemer

Werknemer trad op 1 september 2023 in dienst bij werkgever en had meerdere tijdelijke contracten. Na ziekmelding in juli 2025 en werkgerelateerde problemen startte mediation, waarbij een deel van de knelpunten werd opgelost. Werkgever legde een loonstop op omdat werknemer niet wilde meewerken aan voortzetting van mediation.

De kantonrechter oordeelde dat werknemer een deugdelijke grond had om niet mee te werken aan mediation, omdat de werkgerelateerde problemen al waren opgelost en de termijn voor het maken van een afspraak onredelijk kort was. Werkgever had daarom geen loonstop mogen opleggen.

Werkgever moet het loon vanaf december 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst betalen, met aftrek van reeds betaalde bedragen, en vanaf 3 januari 2026 90% van het loon zolang werknemer ziek is. Daarnaast moet werkgever wettelijke rente en een wettelijke verhoging tot maximaal 50% betalen. Ook moet werkgever loonstroken verstrekken. Proceskosten worden aan werkgever opgelegd.

Uitkomst: Werkgever moet loon, wettelijke rente en verhoging betalen en loonstroken verstrekken omdat loonstop onterecht was.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12057213 \ KK EXPL 26-35
Vonnis in kort geding van 18 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.L.A. Verleun,
tegen
[gedaagde] (handelend onder de naam [handelsnaam] ),
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.R.A. Rutten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 januari 2026, met producties,
- de e-mail van [gedaagde] van 23 januari 2026,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- de aanvullende producties van de zijde van [gedaagde] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 februari 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
1.3.
De gemachtigde van [eiser] heeft tijdens de zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze spreekaantekeningen zijn aan het dossier gevoegd. Partijen zijn daarna gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, die eveneens in het dossier zijn gevoegd.

2.De uitgangspunten

2.1.
[eiser] is op 1 september 2023 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] in de functie van verkoopmedewerker. Sindsdien heeft [eiser] meerdere tijdelijke contracten gehad. Op deze arbeidsovereenkomst is de CAO Mode- en Sportdetailhandel (Non-Food) van toepassing.
2.2.
In de laatste arbeidsovereenkomst staat, voor zover relevant: “
Het betreft een fulltime dienstverband van 4 dagen van 8 uur oftewel 138 uur per maand. (…) De werkzaamheden worden verricht (…) te [plaats 1] dan wel (…) te [plaats 2] . (…) Het salaris wordt bepaald op € 2.400,- bruto per maand. Er wordt afgerekend over de werkelijke uren, meer of minder gewerkte uren worden elke maand op uur basis berekend en uitbetaald. Uitbetaling van het loon vindt plaats middels een voorschot (€ 1.500,-) netto op of omstreeks de 25e van de lopende maand en een afrekening op-of omstreeks de 10e van de opvolgende maand.”
2.3.
Het loon is meerdere keren te laat betaald.
2.4.
[eiser] heeft zich op 5 juli 2025 ziek gemeld. Dit was mede het gevolg van problemen op het werk.
2.5.
Partijen hebben op 10 november 2025 onder begeleiding van een mediator (hierna: de mediator) over de werkgerelateerde problemen gesproken. Naar aanleiding van dit overleg heeft [gedaagde] het achterstallige loon aan [eiser] betaald.
2.6.
[eiser] heeft op 12 december 2025 een telefonisch spreekuur gevoerd met de bedrijfsarts. In de terugkoppeling van dat gesprek staat, voor zover relevant: “
De mediation is gestart en een deel van de werkgerelateerde knelpunten is reeds opgelost. Mevrouw [eiser] is nog niet belastbaar voor werkzaamheden. Zij is wel belastbaar voor mediation en het oplossen van de werkgerelateerde knelpunten. Ik adviseer hiermee te continueren en samen tot werkbare oplossingen te komen. Dit is van belang van het herstel en de re-integratie.”
2.7.
Bij e-mail van 17 december 2025 om 19:55 uur aan de gemachtigde van [eiser] heeft de voormalig gemachtigde van [gedaagde] een loopstop aangezegd. In deze e-mail staat onder meer: “
Reden waarom ik u vriendelijk verzoek namens de heer [gedaagde] uiterlijk morgen om 12:00 uur te bevestigen dat mevrouw [eiser] een afspraak met de mediator heeft ingepland bij gebreke waarvan de heer [gedaagde] over gaat tot het opleggen van een loonstop totdat mevrouw [eiser] uitvoering geeft aan de redelijke voorschriften van de bedrijfsarts tot voortzetting van de mediation. Het loon wordt achteraf niet terugbetaald aan mevrouw [eiser] (…). U zal waarschijnlijk wel opmerken namens mevrouw [eiser] dat dit een onredelijk korte termijn is, maar meneer [gedaagde] meent dat uw cliënte reeds vanaf 17 december 2025 en aansluitend vanaf respectievelijk 28 november 2025, 12 december 2025 en 15 december 2025 weet dat het advies van de bedrijfsarts is het inzetten en aansluitend voortzetten van de mediation (…).
2.8.
[eiser] heeft contact opgenomen met de mediator. In de e-mail van de mediator van 19 december 2025 staat, voor zover relevant, het volgende:
“Na overleg met beiden is het voorstel van mevrouw om, (…) in de eerste week van januari een tweede mediationoverleg te hebben”.
2.9.
[gedaagde] heeft het loon over de maand december niet op tijd betaald. Daarom heeft de gemachtigde van [eiser] hem bij e-mail van 30 december 2025 verzocht om uiterlijk voor het einde van de week het loon over die maand aan [eiser] te betalen. Dit heeft [gedaagde] niet gedaan.
2.10.
Bij e-mail van 6 januari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] de mediator laten weten dat [eiser] geen afspraak zal maken omdat zij, gelet op de recente gebeurtenissen, verdere voortzetting van de mediation zinloos acht en deze als afgedaan beschouwt. Deze e-mail is in kopie (cc) aan [eiser] , de voormalig gemachtigde van [gedaagde] en [gedaagde] verstuurd.
2.11.
[gedaagde] heeft op 3 februari 2026 een bedrag van € 1.305,57 (netto) overgeboekt naar de bankrekening van [eiser] voor het loon over de maand december 2025.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert na eiswijziging – samengevat – om [gedaagde] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen i) binnen twee dagen na dit vonnis, op straffe van een dwangsom, de loonspecificaties vanaf december 2025 en alle volgende loonstroken aan [eiser] te verstrekken en ii) tot betaling van:
het brutoloon van € 2.400,- per maand te betalen vanaf december 2025 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd,
de wettelijke verhoging over het achterstallige loon,
de wettelijke rente over het achterstallige loon en de wettelijke verhoging,
e kosten van deze procedure.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] het loon van [eiser] niet (tijdig) betaald heeft. [eiser] heeft tot 3 januari 2026 recht op 100% van haar loon. Vanaf 3 januari 2026 heeft zij, zo lang zij ziek is, recht op 90% van haar loon. Het bedrag dat zij over de maand december 2025 heeft ontvangen, is dus niet genoeg. Daarnaast moet [gedaagde] van de loonbetalingen een specificatie overleggen. Als hij dit niet doet, moet daarvoor opnieuw geprocedeerd worden en daarom is een dwangsom passend, zo stelt [eiser] .
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt dat deze rechtbank niet bevoegd is, omdat hij in [plaats 2] woont en zijn onderneming daar gevestigd is. Voor het geval deze rechtbank wel bevoegd is, betwist [gedaagde] dat hij nog loon verschuldigd is. Er is een loonstop opgelegd, omdat [eiser] weigert gevolg te geven aan een redelijk voorschrift. Zij weigert namelijk een afspraak met de mediator te maken. Het salaris tot de loonstop (dus tot en met 17 december 2025) is al betaald. [eiser] heeft nog steeds geen afspraak met de mediator gemaakt, dus [gedaagde] hoeft geen loon aan haar te betalen. Aangezien [gedaagde] de loonstroken steeds op tijd verstrekt heeft, is er geen reden om een dwangsom op te leggen. Daarnaast hoeft [gedaagde] de wettelijke verhoging niet te betalen of de verhoging moet gematigd worden, aldus steeds [gedaagde] .

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
De kantonrechter is – anders dan [gedaagde] stelt – voorshands van oordeel dat zij bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen. Zij overweegt daartoe het volgende.
4.2.
De wet bepaalt dat bij geschillen over een individuele arbeidsovereenkomst ook de rechter bevoegd is van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt of laatstelijk werd verricht (artikel 100 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] tijdens haar dienstverband zowel in [plaats 1] als in [plaats 2] gewerkt. Deze twee standplaatsen blijken ook uit de arbeidsovereenkomst. De arbeid wordt dus gewoonlijk in [plaats 1] of [plaats 2] verricht. Gelet hierop kan worden aangenomen dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de (kanton)rechter van Amsterdam mede bevoegd is. De omstandigheid dat [eiser] in de periode voor haar ziektemelding – en dus laatstelijk – in [plaats 2] heeft gewerkt, maakt dit niet anders. Volgens artikel 100 Rv Pro is namelijk ook de rechter van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht – en dus Amsterdam – bevoegd. Daarnaast is de kantonrechter te Amsterdam (mede) bevoegd, omdat [gedaagde] een filiaal in [plaats 1] heeft en deze procedure ook (mede) betrekking heeft op dit filiaal (artikel 99 Rv Pro in combinatie met artikel 1:10 en Pro 1:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).
Spoedeisend belang
4.3.
In een kort gedingprocedure moet beoordeeld worden of de eisende partij een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening. Het gaat in dit geval om een loonvordering en die heeft naar haar aard een spoedeisend karakter. [eiser] voorziet met het loon namelijk in haar levensonderhoud.
Meewerken aan mediation
4.4.
Het uitgangspunt is dat een werknemer tijdens ziekte gedurende 104 weken aanspraak heeft op loon. Dit volgt uit artikel 7:629 lid 1 BW Pro. Een werknemer heeft onder meer geen recht op loon voor de tijd dat hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen om passende arbeid te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 7:629 lid 3 aanhef Pro en onder d BW.
4.5.
Het gaat in deze procedure om de vraag of [gedaagde] het loon van [eiser] mocht stopzetten en terecht een beroep heeft gedaan op artikel 7:629 lid 3 aanhef Pro en onder d BW. Voor de beantwoording van deze vraag moet eerst worden beoordeeld of [eiser] een deugdelijke grond had om niet mee te werken aan het mediatontraject. De kantonrechter oordeelt dat dit het geval is. Dit wordt hierna uitgelegd.
4.6.
Het advies van de bedrijfsarts van 12 december 2025 hield in dat het mediationtraject zou worden gecontinueerd. Volgens de bedrijfsarts was [eiser] op dat moment wel belastbaar voor mediation en het oplossen van werkgerelateerde knelpunten. Anders dan [gedaagde] stelt, acht de kantonrechter het aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [eiser] adequaat heeft gereageerd op de e-mail van 17 december 2025 waarin [gedaagde] de loonstop heeft aangekondigd als zij geen afspraak zou maken met de mediator. Uit de mail van de mediator van 19 december 2025, en dus slechts twee dagen hierna, volgt immers dat [eiser] contact heeft opgenomen met de mediator voor het maken van een afspraak. Daarbij acht de kantonrechter de door [gedaagde] in deze e-mail gestelde termijn van minder dan zestien uur – waarvan een gedeelte in de nacht viel – om een afspraak met de mediator te hebben gemaakt te kort. Bovendien is [eiser] voor het maken van een afspraak daarbij afhankelijk van de beschikbaarheid van [gedaagde] en de mediator.
4.7.
Bij e-mail van 6 januari 2026 heeft [eiser] vervolgens laten weten toch niet mee te werken met mediation. De kantonrechter acht het begrijpelijk dat [eiser] dit heeft gedaan. Partijen zijn (en waren) het er immers beiden over eens dat mediation niet (meer) nodig was, omdat de werkgerelateerde problemen na het eerste mediationgesprek al opgelost waren. Nu de werkgerelateerde knelpunten waarover de bedrijfsarts in zijn advies spreekt reeds waren opgelost, behoefde dit deel van zijn advies dus niet te worden opgevolgd. [gedaagde] heeft ter zitting nog toegelicht dat hij aan mediation heeft vastgehouden, omdat hij vreesde voor een loonsanctie. Dit maakt het oordeel van de kantonrechter echter niet anders. Hoewel een bedrijfsarts deskundig is en de werkgever het advies van een bedrijfsarts serieus moet nemen, hoeft dit advies niet blindelings te worden gevolgd.
4.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat het aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geconcludeerd dat geen sprake is van een situatie waarin [eiser] zonder deugdelijke grond medewerking aan het mediationtraject heeft geweigerd als bedoeld in artikel 7:629 lid 3 aanhef Pro en onder d BW. Dit betekent dat [gedaagde] geen loonstop had mogen opleggen.
Loon(stop)
4.9.
Nu [gedaagde] geen loonstop had mogen opleggen, had hij het loon over het restant van de maand december 2025 moeten doorbetalen, net als het loon over de daarop volgende maanden. [gedaagde] heeft niet weersproken dat het maandloon € 2.400,- bruto bedraagt, zodat de gevorderde betaling van het maandloon tot het einde van de arbeidsovereenkomst – met inachtneming van het navolgende – wordt toegewezen. Partijen zijn het daarbij erover eens dat de laatste arbeidsovereenkomst vanwege de ketenregeling als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt.
4.10.
Het loon dat [gedaagde] over de maand december 2025 al betaald heeft, hoeft [gedaagde] niet nogmaals te betalen. Dit bedrag zal daarom in mindering gebracht worden op de vordering. Omdat [gedaagde] gehouden is het gehele loon over de maand december 2025 te betalen, kan de discussie tussen partijen tot welke exacte dag in december 2025 reeds is uitbetaald onbesproken blijven. Daarnaast hoeft [gedaagde] , zolang [eiser] ziek is, vanaf 3 januari 2026 maar een gedeelte van het loon aan haar te betalen. Tussen partijen is namelijk niet (meer) in geschil dat [gedaagde] tot 3 januari 2026 100% en daarna 90% van het salaris moet betalen tot het moment dat [eiser] weer hersteld is.
4.11.
Omdat [gedaagde] het loon niet op tijd heeft betaald, moet hij de wettelijke rente betalen. Volgens de arbeidsovereenkomst moet een gedeelte op de 25e van de lopende maand zijn betaald en het restant op de 10e van de opvolgende maand. Gelet hierop zal de rente worden toegewezen vanaf het moment dat [gedaagde] het salaris aan [eiser] verschuldigd is.
4.12.
Het voorgaande leidt ertoe dat het loon over de maanden december 2025 en januari 2026 te laat is betaald. De gevorderde wettelijke verhoging zal daarom tot maximaal 50% worden toegewezen, met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 7:625 lid 1 BW Pro, te weten van de vierde tot en met de achtste dag vijf procent verhoging per dag en voor elke volgende werkdag één procent verhoging. Anders dan [gedaagde] stelt, ziet de kantonrechter geen aanleiding dit percentage te matigen. De gevorderde wettelijk rente over de te laat betaalde salarissen zal eveneens, als onbetwist, worden toegewezen.
4.13.
De kantonrechter overweegt ten overvloede dat het ontbreken van een deskundigenverklaring van het UWV, anders dan in artikel 7:629a lid 1 BW is bepaald, niet aan toewijzing van de loonvordering in de weg staat. Het is in een kort geding namelijk aan de rechter om te bepalen of het wenselijk is dat er een deskundigenverklaring overgelegd wordt. Er is geen discussie over de medische juistheid van het advies van de bedrijfsarts. Een deskundigenverklaring is in dit geval dan ook niet nodig.
Loonstroken
4.14.
[gedaagde] moet verder de door [eiser] gevorderde loonstroken verstrekken. [gedaagde] is op grond van de wet namelijk verplicht om werknemers een specificatie te verstrekken van het betaalde loon, waarbij onder andere de bedragen die op het loon zijn ingehouden moeten worden vermeld (artikel 7:262 lid 1 BW Pro). Die vordering wordt dan ook toegewezen. Omdat ter zitting is gebleken dat [gedaagde] de loonstroken tot nu toe steeds tijdig heeft verstrekt, zal de gevorderde dwangsom afgewezen worden. [eiser] heeft bij toewijzing daarvan onvoldoende belang.
Proceskosten
4.15.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op: € 742,-, bestaande uit het griffierecht (€ 93,-), het salaris van de gemachtigde (€ 577,-) en de nakosten (€72,-).

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 2.400,- bruto plus 8% vakantiegeld per maand aan loon vanaf december 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, met aftrek van wat er over december 2025 al is betaald en waarbij vanaf 3 januari 2026 geldt dat zolang [eiser] arbeidsongeschikt is slecht 90% van het loon verschuldigd is, en vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van opeisbaarheid totdat het bedrag is voldaan,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro tot een maximum van 50% over het loon van de maanden december 2025 en januari 2026, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 4.12. is overwogen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid totdat het bedrag is voldaan,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] binnen veertien dagen na dit vonnis te verstrekken:
a. de (gecorrigeerde) loonstroken van de maanden december 2025 en januari 2026,
b. de loonstroken tot het einde van de arbeidsovereenkomst, steeds voor de 26e van de betreffende maand,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 742,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 18 februari 2026.
64183