Uitspraak
hierna te noemen de moeder,
1.Het procesverloop
29 januari 2026.
2.De feiten
In het kader van de ondertoezichtstelling is ten aanzien van [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing verleend.
2.5. JBRA heeft op 16 december 2025 de volgende schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven:
Leef Leergroep overnacht;
3.3. Het verzoek
4.4. De standpunten
Op 9 december 2025 ontvangt moeder echter plotseling een aankondiging schriftelijke aanwijzing. Aan JBRA is vervolgens verzocht om te wachten met de schriftelijke aanwijzing tot na het gesprek van 18 december 2025. JBRA heeft daar niet op gereageerd en op 16 december 2025 aan de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven.
Het op 18 december 2025 geplande gesprek heeft doorgang gevonden.
De afgelopen periode is de band tussen haar en [minderjarige] verbeterd. Er is een situatie ontstaan waarbij [minderjarige] zich veilig voelt bij haar. [minderjarige] is graag bij haar en wil ook bij haar overnachten. Omdat JBRA na 17 juni 2025 geen nieuwe omgangsregeling heeft vastgesteld heeft zij met [minderjarige] zelf vormgegeven aan de omgangsregeling, met medeweten van en overleg van de groep. De schriftelijke aanwijzing is onzorgvuldig tot stand gekomen. Niet alle relevantie feiten en omstandigheden zijn meegewogen. Zij betwist slecht bereikbaar te zijn en zich te onttrekken aan contact met JBRA.
Van haar kan echter niet worden verwacht om [minderjarige] te dwingen om naar de groep terug te gaan als [minderjarige] bij haar wil overnachten en om [minderjarige] dan ook nog naar de groep terug te brengen. Zij wordt op die manier door JBRA ingezet als handhaver en dat brengt haar in een lastige positie. Het bevreemdt haar verder dat er door JBRA veiligheidsincidenten bij haar thuis worden aangehaald, terwijl [minderjarige] wel een deel van de week bij haar mag verblijven. Zij betwist middelengebruik van [minderjarige] te faciliteren.
Zij is er van op de hoogte dat JBRA binnenkort een nieuwe schriftelijke aanwijzing zal geven met een omgangsregeling waarbij [minderjarige] van donderdag tot zondag bij haar zal kunnen verblijven. Zij is het hier mee eens.
Inmiddels is gebleken dat [minderjarige] van zondag 25 tot en met maandag 26 januari 2026 bij de moeder is gebleven terwijl ze op de groep had moeten zijn. De moeder heeft aan de gezinsmanager meegedeeld dat [minderjarige] niet naar de groep terug wilde, maar dat is onvoldoende reden om de schriftelijke aanwijzing niet na te komen.
Aan de moeder dient duidelijk te worden gemaakt dat van haar wordt verlangd dat zij ervoor zorgt dat [minderjarige] op de groep verblijft, nu dat in het belang van [minderjarige] is.
In de schriftelijke aanwijzing, die nu ter discussie staat, had dienen te worden vermeld dat wanneer [minderjarige] aangeeft bij de moeder te willen overnachten, dat de moeder dan [minderjarige] dient te motiveren om naar de groep terug te gaan.
Gezien het verleden is er geen vertrouwen dat de moeder altijd afspraken zal nakomen en aanwezig zal zijn op uitvoerdersoverleggen. Het is noodzakelijk dat de schriftelijke aanwijzing op dat punt in stand blijft en wordt bekrachtigd.
Volgende week zal er vanuit JBRA een nieuwe contactpersoon worden aangesteld,
[persoon 2] . Dat moet de onderlinge verhoudingen verbeteren.
[minderjarige] weet dat zij bij de trajectbegeleider terecht kan met vragen.
5. De beoordeling5.1. De moeder heeft haar verzoek om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren binnen de termijn van twee weken na de dag van waarop de aanwijzing is verzonden ingediend.
[minderjarige] dient te overnachten bij de Leef Leergroep. U dient haar direct terug te brengen naar de groep, ook als [minderjarige] bij u komt dient u haar telkens terug te brengen zodat zij bij de Leef Leergroep overnacht.”
6.De beslissing
“- [minderjarige] dient te overnachten bij de Leef Leergroep. U dient haar direct terug te brengen naar de groep, ook als [minderjarige] bij u komt dient u haar telkens terug te brengen zodat zij bij de
“- U dient contact te onderhouden met Jeugdbescherming en de Leef Leergroep om