ECLI:NL:RBAMS:2026:2305

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
11947832 EA VERZ 25-1274
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:673 lid 1 onder a BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig; toekenning billijke vergoeding en transitievergoeding

De werknemer was sinds 1 februari 2022 in dienst en trad na een overname op 1 januari 2024 in dienst bij Building Care als Junior Accountmanager. Op 11 augustus 2025 meldde hij zich ziek. Building Care stuurde hem op 22 augustus een brief met constateringen waarop de werknemer op 27 en 28 augustus reageerde. Op 4 september 2025 werd de werknemer op staande voet ontslagen wegens vermeende dringende redenen, waaronder wanprestatie en misleiding.

De werknemer betwistte de dringende reden en stelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven en meegedeeld. Hij vorderde onder meer een verklaring voor recht dat het ontslag niet rechtsgeldig was, een billijke vergoeding, transitievergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging, achterstallig loon, autokosten, pensioenpremies en proceskosten.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven omdat Building Care een week wachtte met het ontslag nadat zij de werknemer om een toelichting had gevraagd. Ook was het ontslag niet onverwijld meegedeeld. De dringende reden was onvoldoende concreet onderbouwd. Daarom was het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.

De werknemer had recht op een transitievergoeding van €4.621,63, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van €6.874,20, een billijke vergoeding van €21.708,00, achterstallig loon, autokosten en pensioenpremies. Building Care werd veroordeeld tot betaling van deze bedragen, proceskosten en het verstrekken van een eindafrekening en loonstroken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig verklaard en Building Care is veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding, transitievergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging, achterstallig loon, autokosten, pensioenpremies en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11947832 \ EA VERZ 25-1274
Beschikking van 26 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. F.B. Mahabali en mr. J.B.M. Swart,
tegen
BUILDING CARE B.V.,
te Badhoevedorp,
verwerende partij,
hierna te noemen: Building Care,
vertegenwoordigd bij [naam 1] .

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft op 30 oktober 2025 een verzoek gedaan tot onder meer toekenning van een billijke vergoeding. Building Care heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
Op 14 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigden. Namens Building Care is verschenen [naam 1] (UBO), bijgestaan door de voormalig gemachtigde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Building Care verzocht om aanhouding van de inhoudelijke mondelinge behandeling. Dit verzoek is toegewezen. Op 5 februari 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigden. Namens Building Care is verschenen [naam 1] , vergezeld door [naam 2] . Partijen hebben hun standpunten toegelicht (de gemachtigde van [verzoeker] mede aan de hand van pleitaantekeningen) en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Aan het einde van de zitting is de zaak aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Bij e-mail van 18 februari 2026 heeft de gemachtigde van [verzoeker] verzocht om een beschikking te geven. De datum voor beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] was van 1 februari 2022 tot en met 31 december 2023 in dienst van [bedrijf 1] B.V. Op 1 januari 2024 is [bedrijf 1] B.V. overgekocht door [bedrijf 2] B.V., waarvan Building Care de enig aandeelhouder en bestuurder is. [verzoeker] is op 1 januari 2024 in dienst getreden van Building Care in de functie van Junior Accountmanager. Het salaris bedroeg € 3.618,00 bruto per maand inclusief 8% vakantietoeslag.
2.2.
Op 11 augustus 2025 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld.
2.3.
Bij brief van 22 augustus 2025 heeft [naam 1] aan [verzoeker] laten weten dat hij diverse constateringen heeft gedaan en hem verzocht zijn reactie te geven op deze constateringen.
2.4.
Bij e-mail van 27 augustus 2025 heeft [verzoeker] onder meer als volgt gereageerd:
“(…) Met verbijstering heb ik jouw brief gelezen. De inhoud is ongegrond en bestaat uit het verzinsels. De verwijten die jij mij maakt zijn nergens op gebaseerd en er is hierover nooit met mij gecommuniceerd. Ik benadruk dat ik werkzaam ben als junior accountmanager en geen verantwoordelijkheid draag voor de zaken die jij in jouw brief noemt.
Wanneer jij mij ergens van beschuldigt, rust op jou de bewijslast. Tot op heden heb jij die niet geleverd en dat kan ook niet, omdat jouw verwijten niet aansluiten bij mijn functie en werkzaamheden.
Op 11 augustus jl. heb ik mij ziekgemeld wegens de aanhoudende misstanden en de buitensporige werkdruk binnen het bedrijf. In plaats van mijn ziekmelding serieus te nemen en mij de ruimte te geven om te herstellen, kies jij ervoor om mij tijdens mijn ziekteperiode onder druk te zetten met een brief vol onjuistheden. (…)”
2.5.
Bij e-mail van 28 augustus 2025 heeft [naam 1] [verzoeker] nog een keer uitgenodigd om een toelichting te geven op de constateringen vermeld in de brief van 22 augustus 2025.
2.6.
Diezelfde dag heeft [verzoeker] per e-mail gereageerd met een inhoudelijke reactie.
2.7.
Bij brief van 4 september 2025 heeft Building Care [verzoeker] op staande voet ontslagen. In deze brief staat onder meer het volgende:
“(…) In vervolg op mijn brief van 22 augustus 2025, onze correspondentie van 28 augustus 2025 en de feiten zorgvuldig te hebben onderzocht, gereverifieert en vastgelegd – bevestig ik je hierbij dat Building Care zich, genoodzaakt ziet jouw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen op grond van een dringende reden.
Constateringen, geverifieerd en vastgelegd
  • Je hebt je stelselmatig onterecht – in lijn met [naam 3] ’s uitingen – negatief over Building Care en mij uitgelaten tegenover personeel en derden en daarbij onjuiste mededelingen gedaan – onder meer dat ik Mklus / Mehdi niet of ontoereikend zou hebben betaald en dat er geen geld zou zijn voor verf, waardoor werkzaamheden volgens jou slecht zouden zijn uitgevoerd en stilgelegd op de [locatie] . Dit is aantoonbaar onjuist.
  • Onder jouw verantwoordelijkheid zijn schilders weggehaald van [naam project] , in strijd met de planning en de afspraken met de klant, hetgeen tot klachten heeft geleid. Het door jou aangevoerde uitvallen van één schilder kan dit niet verklaren; er had met mij en/of [naam 5] overlegd moeten worden. In plaats daarvan is zonder overleg een betalende opdrachtgever tekortgedaan en prioriteit gegeven aan een verlieslatend project bij [naam 4] ;
  • Voor dit project is minimaal € 47.000 te laag geoffreerd, waardoor de werkzaamheden structureel verlieslatend waren en opdrachtgever [naam 4] ongerechtvaardigd is bevoordeeld ten koste van Building Care [bedrijf 2] en haar stakeholders;
  • Je hebt Project [locatie] slecht en onverantwoord achtergelaten, waardoor [bedrijf 2] onder jouw leiding wanprestatie heeft geleverd. De klant heeft een boete van €25.000 gevorderd en er zijn schadelijke meerkosten van ruim €65.000 gemaakt door noodzakelijke heruitvoering (grote vlakken waren slechts geprimerd en delen half afgewerkt en slordig achtergelaten). De door jou aangevoerde redenen zijn aantoonbaar onjuist; de schade is ontstaan door jouw handelen en valt onder jouw verantwoordelijkheid;
  • Je nauwelijks ingaat op het informatieverzoek van 22 augustus 2025, geen enkele communicatie overgelegd, en helemaal niet ingaat op het feit dat er voor het project [naam 4] in [woonplaats] door jou EUR 7.500 verf is ingekocht en de 3 schilders ruim een maand lang zijn ingepland: iedereen begrijpt dat een quote van EUR 18.000 dan niet voldoende is;
  • Dit terwijl jij voor het project [locatie] herhaaldelijk verzocht om privébetalingen voor verf en materialen (op jouw en [naam 8] persoonlijke rekening, bedragen van €500, €750 en €1.000), onder dreiging dat anders niet kon worden gewerkt. Tegelijkertijd heb je een project voor een bevriende relatie aangenomen waarvoor €7.500, terwijl kosten en inzet evident veel hoger lagen;
  • Je reacties van 27 en 28 augustus bevatten aantoonbare onwaarheden. Zo stelde je gemakshalve dat de calculatie klopte en was afgestemd met leidinggevenden. [naam 7] is echter niet jouw leidinggevende en heeft hierover geen zeggenschap, terwijl [naam 8] niet op de hoogte was. Toen ik, jouw feitelijke leidinggevende sinds [naam 3] ziekmelding, om opheldering vroeg, hield je informatie achter en schermde je projectgegevens af – in lijn met de schilders die tot mijn komst in [woonplaats] zich ruim een maand lang, zowel mondeling als per app, steeds geen projectnaam, klantnaam of adres konden noemen. Dit alles is gedocumenteerd en vastgelegd. Kort daarna heeft het personeel zich zelfs collectief ziekgemeld;
  • Jouw uitleg dat de hoge kosten zouden zijn veroorzaakt doordat de schilders tijdens jouw verlof niet zijn begeleid, is niet toereikend. Zij hebben enkel uitgevoerd wat hun was opgedragen en verklaren dit ook. Daarmee schuif je de verantwoordelijkheid af op collega’s tijdens jouw afwezigheid, terwijl je jezelf tegelijkertijd neerzet als ‘slechts junior accountmanager’ zonder verantwoordelijkheid, ook wanneer je wel aanwezig bent. Deze tegenstrijdigheid maakt jouw verklaring ongeloofwaardig;
  • Voor zover jij stelt slechts ‘junior accountmanager’ te zijn, merk ik op dat deze aanduiding bij zowel [naam 9] als bij jou in december 2024 is komen te vervallen – zichtbaar op visitekaartjes en e-mailhandtekening. Het is volstrekt ongeloofwaardig om nu te doen alsof één enkel woord uit het verleden je vrijwaart van verantwoordelijkheid. Daarmee probeer je een verhaal te schetsen waarin ik word weggezet als intimiderend en bedreigend, iemand die vergaderingen transformeert tot Gladiator’s Arena zou maken. Hoe verzin je zoiets? Alsof het uitroepen van ‘junior!’ je ontslaat van verantwoordelijkheid, of ‘overspannen!’ je in één klap immuniteit geeft. Wellicht was ‘junior’ destijds nog op zijn plek;
  • Verder hebben zowel [naam 3] als jijzelf meermaals benadrukt dat jij reeds vóór de overname, en gedurende [naam 3] langdurige ziekteperiode, volledig verantwoordelijk was voor de bedrijfsvoering van [bedrijf 2] . Sterker nog: jullie hebben dit nadrukkelijk gepresenteerd, en zelfs aangevoerd dat in het jaar dat [naam 3] uitviel – dus nog ruim vóórdat wij elkaar leerden kennen – het schildersbedrijf onder jouw verantwoordelijkheid een lage afhankelijkheidsgraad van [naam 3] had;
  • Tegen expliciete, herhaalde schriftelijke instructies hebben jij en [naam 3] ondanks ziekteverzuim werkgerelateerd contact gehad.
Deze handelwijze vormt in onze visie een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt.
Ik heb op 28 augustus 2025 aangegeven dat jouw verklaring niet strookt met de aanwezige informatie en je nog één laatste kans gegeven voor het geven van een toelichting of verklaring voor de constateringen. Ook is toen duidelijk aangegeven dat er gevolgen zouden zijn bij het uitblijven van een toereikende toelichting, waaronder ontslag op staande voet. In jouw reactie per e-mail van 28 augustus 2025 ontken je echter nog steeds verantwoordelijk te zijn geweest en geef je aan dat het niet mogelijk is om verdere inlichtingen te verstrekken. Je toont geen enkele verantwoordelijkheid.
Ik heb bij de besluitvorming zwaar laten meewegen dat je vorige maand reeds een leugenachtige verklaring hebt afgelegd. Toen je om opheldering werd verzocht andere werd gevraagd of schilders aan het werk waren, antwoordde je steevast afleidend en desinformatief. Nu is vast komen te staan dat je dat wel degelijk wist: volgens verklaringen van de schilders ben je in die periode meermaals betrokken geweest. Dit is geen misverstand, maar opzettelijke misleiding.
Jouw recente handelwijze zoals hiervoor weergegeven, tezamen met – maar ook los van – de eerdere incidenten, vormt voor mij een dringende reden om jouw arbeidsovereenkomst per heden te beëindigen.
Dit betekent dat jouw dienstverband per 1 september 2025, is geëindigd op grond van een dringende reden. (…)”

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter, samengevat, voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, om een billijke vergoeding toe te kennen en om Building Care te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert [verzoeker] veroordeling van Building Care tot verstrekking van een eindafrekening en ontbrekende loonstroken op straffe van verbeurte van een dwangsom. Verder vordert [verzoeker] betaling van achterstallig loon, autokosten, een verklaring voor recht dat Building Care aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade door het missen van pensioenrechten en Building Care te veroordelen tot het afdragen van achterstallige pensioenpremie aan A.S.R. en vergoeding van de schade, met veroordeling van Building Care in de proceskosten.
3.2.
[verzoeker] legt hieraan ten grondslag dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Ten eerste is volgens hem geen sprake van een dringende reden voor ontslag. De beschuldigingen van Building Care zijn niet alleen niet bewezen, maar vertonen ook een duidelijke inconsistente en oneerlijke aanpak. Daarnaast is het ontslag niet onverwijld gegeven. Building Care verwijst in de ontslagbrief naar gebeurtenissen en gedragingen die zich al geruime tijd eerder hebben voorgedaan, maar heeft tot 4 september 2025 gewacht met het ontslag op staande voet. Bovendien vond er tussen de aankondiging van het ontslag op 28 augustus 2025 en de daadwerkelijke datum van ontslag geen lopend onderzoek plaats. Dit ondermijnt de oprechtheid van het ontslag alleen maar verder. Ten slotte is het ontslag niet onverwijld meegedeeld. De ontslagbrief is pas op 4 september 2025 aan [verzoeker] overhandigd, terwijl daarin staat dat het dienstverband per 30 augustus 2025 is geëindigd.
3.3.
[verzoeker] stelt dat het ontslag grote gevolgen voor hem heeft gehad. Op het moment van ontslag was [verzoeker] arbeidsongeschikt. De wijze waarop het ontslag is gegeven heeft zijn herstelproces verder vertraagd en extra schade veroorzaakt. [verzoeker] was niet slechts als werknemer bij Building Care in dienst, maar daarvoor jarenlang de rechterhand van [naam 3] , de eigenaar van [bedrijf 1] . De overgang is destijds gepresenteerd als een duurzame samenwerking. Van meet af aan leefde bij [verzoeker] het vertrouwen dat dit zijn toekomst zou zijn, maar Building Care heeft zich sinds de overname structureel niet aan haar verplichtingen en toezeggingen richting klanten en derden gehouden. Deze tekortkomingen hebben verstrekkende gevolgen gehad voor zowel [verzoeker] als de onderneming. Door ondeugdelijke dienstverlening en het niet of te laat betalen van relaties en leveranciers is de reputatie van het bedrijf nagenoeg volledig verloren gegaan. Daardoor is de werksituatie voor [verzoeker] onhoudbaar geworden, wat heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid. Daarnaast heeft Building Care onterecht het salaris van de maand augustus 2025 niet uitbetaald en de autokosten niet vergoed. Verder heeft Building Care nagelaten pensioenpremies af te dragen aan het pensioenfonds, waardoor [verzoeker] schade lijdt.
3.4.
Building Care voert verweer. Zij voert aan dat sprake is van een dringende reden. De gemene deler van de ontslagredenen is de orkestratie van [verzoeker] om Building Care als bedrijf volledig stuurloos te maken en aan te sturen op een feitelijke deconfiture van het schildersbedrijf. Building Care heeft [verzoeker] op 1 augustus 2025 voorgesteld om het schildersbedrijf te kopen, maar [verzoeker] bleek daartoe niet bereid te zijn. Vervolgens is Building Care gebleken van diverse onregelmatigheden, waarvan het vermoeden was dat [verzoeker] daarbij een cruciale rol speelde. Nadat geen afdoende verklaring door [verzoeker] was gegeven, heeft Building Care hem op staande voet ontslagen. Daarnaast is het ontslag op staande voet volgens Building Care onverwijld is gegeven. Het tijdsverloop vanaf 28 augustus 2025 tot 4 september 2025 is niet zodanig dat niet langer van een onverwijld ontslag kan worden gesproken. Dat in de ontslagbrief wordt verwezen naar 30 augustus 2025 als ontslagdatum komt geen relevantie toe. Verder betwist Building Care dat sprake is van pensioenschade en achterstallig loon.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ontslag op staande voet
4.1.
In de eerste plaats moet worden beoordeeld of [verzoeker] al dan niet terecht op staande voet is ontslagen.
4.2.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.
4.3.
Voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het ontslag dient hetgeen Building Care in de ontslagbrief heeft opgenomen als uitgangspunt te worden genomen.
4.4.
Building Care heeft [verzoeker] op 28 augustus 2025 voor de tweede keer verzocht om een toelichting op de door hem beschreven feiten en omstandigheden in de brief van 22 augustus 2025, waarop [verzoeker] diezelfde dag een inhoudelijke reactie heeft gestuurd aan Building Care. De feiten en omstandigheden die Building Care in de zeer uitgebreide ontslagbrief noemt, komen grotendeels overeen met de feiten en omstandigheden die zijn weergegeven in de brief van 22 augustus 2025. Omdat nergens uit blijkt wat voor nader onderzoek Building Care na 28 augustus 2025 nog heeft gedaan en er geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen, had Building Care eerder tot het ontslag op staande voet moeten overgaan. Alleen al het feit dat Building Company een periode van een week (van 28 augustus 2025 tot 4 september 2025) voorbij heeft laten gaan voordat zij is overgegaan tot het ontslag op staande voet brengt met zich mee dat het ontslag niet onverwijld is.
4.5.
Building Care heeft ter zitting verklaard dat zij eind augustus 2025 ontdekte dat [verzoeker] alle schilders van een project had weggehaald en had ingezet bij een project van een vriend van zijn collega [naam 3] , waarvan Building Care niet op de hoogte was. Daarnaast gebeurde dit tegen een veel te laag tarief. Voor Building Care was dit het doorslaggevende moment waardoor de situatie onhoudbaar werd en zij besloot tot ontslag over te gaan. Daargelaten dat dit gelet op de gemotiveerde betwisting van [verzoeker] niet is komen vast te staan, heeft Building Care in haar uitgebreide ontslagbrief meerdere redenen voor het ontslag genoemd. Bij deze redenen ontbreken concrete data, terwijl verschillende van de genoemde incidenten geruime tijd voor het ontslag hebben plaatsgevonden. Ook deze omstandigheden maken dat het ontslag niet onverwijld is gegeven.
4.6.
Het voorgaande betekent dat het door Building Care verleende ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Of al dan niet voldaan is aan de overige eisen voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet kan daarom verder in het midden blijven. De door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld.
Transitievergoeding
4.7.
Een werknemer heeft recht op de transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst is opgezegd door de werkgever (artikel 7:673 lid 1 onder Pro a BW). De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen verliezen in uitzonderlijke gevallen waarin evident is dat het handelen of nalaten van de werknemer dat tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft geleid niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt.
4.8.
Volgens Building Care heeft [verzoeker] geen recht op een transitievergoeding omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door [verzoeker] . De door Building Care genoemde redenen voor het ontslag komen er in grote lijnen op neer dat Building Care ontevreden was over het functioneren van [verzoeker] . Dit valt echter niet te rijmen met het feit dat Building Care hem kort daarvoor nog een functie bij een van haar andere bedrijven had aangeboden. De omstandigheid dat [verzoeker] mogelijk niet naar behoren functioneert levert bovendien nog geen verwijtbaar handelen van [verzoeker] op, laat staan dat de hoge lat van ernstige verwijtbaarheid wordt gehaald. Verder volgt uit de ontslagbrief dat Building Care het [verzoeker] verwijt dat hij zich negatief heeft uitgelaten tegenover het personeel en derden en gelogen heeft. [verzoeker] heeft de door Building Care gestelde gedragingen gemotiveerd betwist. Gelet op de betwisting van [verzoeker] is het aan Building Care om de door haar genoemde gedragingen meer concreet te maken en te onderbouwen. Dit heeft zij niet (voldoende) gedaan. Dat betekent dat ook in dit verband geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] dat tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft geleid.
4.9.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding. Tussen partijen is niet in geschil dat de indiensttredingsdatum 1 februari 2022 is. Het toe te wijzen bedrag komt daarmee uit op € 4.621,63 bruto. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 4 oktober 2025.
Vergoeding wegens onregelmatige opzegging
4.10.
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te weten € 6.874,20 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 4 september 2025.
Billijke vergoeding
4.11.
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.
4.12.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [1] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.13.
Op basis van de stukken en hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandeling is voldoende gebleken dat de arbeidsrelatie tussen partijen voorafgaand aan het ontslag al in aanzienlijke mate was verstoord. De kantonrechter acht het aannemelijk dat, ook als geen ontslag op staande voet had plaatsgevonden, er binnen afzienbare termijn een einde was gekomen aan het dienstverband. Indien Building Care rond de datum van het ontslag op staande voet een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter zou hebben ingediend, zou de arbeidsovereenkomst als gevolg van ontbinding door de kantonrechter zijn geëindigd wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Dat Building Care in dat kader ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld is niet aannemelijk. De door partijen uiteenlopende versies van de gebeurtenissen maken het niet mogelijk vast te stellen wat zich precies heeft voorgedaan, maar wel is duidelijk dat het wederzijds vertrouwen en een goede basis voor een vruchtbare samenwerking ontbreekt. Daarbij merkt de kantonrechter nog op dat het niet aannemelijk is dat het opzegverbod tijdens ziekte aan ontbinding in de weg zou hebben gestaan, omdat een ontbindingsverzoek van Building Care geen verband zou houden met de ziekte van [verzoeker] .
4.14.
Uit de verklaring van [verzoeker] tijdens de zitting leidt de kantonrechter af dat zijn arbeidsongeschiktheid samenhangt met spanningen op de werkvloer. Nu er geen andere factoren zijn gesteld of gebleken die het herstel van [verzoeker] momenteel belemmeren, gaat de kantonrechter ervan uit dat [verzoeker] binnen afzienbare tijd een nieuwe baan zal kunnen vinden. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de leeftijd van [verzoeker] en de huidige arbeidsmarkt.
4.15.
Alles afwegend is de kantonrechter van oordeel dat een billijke vergoeding van € 21.708,00 bruto passend is. Building Care zal worden veroordeeld tot betaling van deze vergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Achterstallig loon
4.16.
Building Care heeft betwist dat sprake is van achterstallig loon, maar heeft niet onderbouwd dat zij het salaris over de maand augustus 2025 aan [verzoeker] heeft voldaan, bijvoorbeeld met overlegging van een betaalbewijs. Nu Building Care de verschuldigdheid van het achterstallig loon onvoldoende heeft betwist, wordt de vordering van [verzoeker] toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging hierover wordt redelijkerwijze gematigd tot 25%.
Pensioenschade
4.17.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat Building Care over de periode van 1 maart 2025 tot en met 4 september 2025 nog € 954,54 aan het pensioenfonds dient af te dragen. Het verzoek om Building Care te veroordelen tot het afdragen van dit bedrag aan het pensioenfonds A.S.R. wordt daarom toegewezen. [verzoeker] heeft de andere pensioenschade verder niet onderbouwd, zodat de overige verzoeken worden afgewezen.
Autokosten
4.18.
[verzoeker] heeft gesteld dat Building Care, in strijd met wat partijen zijn overeengekomen met betrekking tot de vergoeding van de autokosten, een bedrag van € 3.387,80 inclusief btw onterecht niet heeft betaald. Dit heeft Building Care niet weersproken. De kantonrechter wijst het verzoek daarom toe.
Eindafrekening en loonstroken
4.19.
Building Care heeft tegen het verzoek tot het verstrekken van een eindafrekening en de ontbrekende loonstroken geen verweer gevoerd. Dat verzoek zal dan ook worden toegewezen evenals de verzochte dwangsom zoals hierna in de beslissing vermeld.
Proceskosten
4.20.
De proceskosten komen voor rekening van Building Care, omdat Building Care overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van Building Care. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.741,00 (€ 732,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat het op 4 september 2025 gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is,
5.2.
veroordeelt Building Care om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 21.708,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
veroordeelt Building Care om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 6.874,20 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.4.
veroordeelt Building Care om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 4.621,63 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 oktober 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.5.
veroordeelt Building Care om aan [verzoeker] te betalen € 3.618,00 bruto aan achterstallig loon tot 1 september 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 25%,
5.6.
veroordeelt Building Care om aan pensioenfonds A.S.R. een bedrag van € 954,54 af te dragen,
5.7.
veroordeelt Building Care om aan [verzoeker] te betalen € 3.387,80 inclusief btw aan autokosten,
5.8.
veroordeelt Building Care om aan [verzoeker] binnen twee weken na betekening van deze beschikking een eindafrekening met daarin verwerkt de afrekening voor vakantietoeslag, opgebouwde vakantiedagen, de gefixeerde schadevergoeding, de billijke vergoeding, de transitievergoeding, alsmede alle overige afrekeningen die gebruikelijk zijn bij het einde van een dienstverband en de loonstroken van juli en augustus 2025 te verstrekken, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Building Care geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 5.000,00,
5.9.
veroordeelt Building Care in de proceskosten van € 1.741,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Building Care niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.10.
veroordeelt Building Care tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.11.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.12.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. B. Brokkaar en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
51447

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (