Uitspraak
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. S. Toughza te Amsterdam;
hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
mr. M.M.C. van Riet te Amsterdam;
hierna te noemen JBRA,
1.Het procesverloop
- [medewerker Raad voor de Kinderbescherming] , namens de Raad;
- [medewerker jeugdbescherming] , namens JBRA;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
2.De feiten
Tevens is ten aanzien van [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor verblijf bij de vader met gezag, met ingang van 5 november 2025 voor de duur van twee weken. Het overige verzochte is aangehouden.
2.4. Bij beschikking van 12 november 2025 is de beslissing van 5 november 2025 gehandhaafd en is aansluitend [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van JBRA tot
5 februari 2026. Tevens is ten aanzien van [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor verblijf bij de vader tot 5 februari 2026.
3.Het verzoek
4.De standpunten
[minderjarige] bij de moeder en wat zij de afgelopen periode heeft meegemaakt. Er zijn zorgen over het alcoholgebruik van de moeder. Daarnaast is [minderjarige] getuige geweest van geweld tussen de moeder en haar ex-partner(s). De zorgen worden ook geuit door Veilig Thuis en de politie. De moeder ontkent de zorgen die worden geuit. Zij geeft aan geen alcoholprobleem te hebben en de zorgen over de ruzies met haar ex-partner(s) wordt door de moeder gebagatelliseerd. De moeder is aangemeld bij Jellinek, maar de reden waarom zij daarnaar toe gaat is niet omdat zij zelf vindt dat zij hulp kan gebruiken, maar om te bewijzen dat zij geen probleem heeft.
[minderjarige] bij de vader verblijft, moet worden voortgezet.
Wel is de vader ontevreden over de samenwerking met JBRA en voelt hij zich niet serieus genomen. Daar moet aan gewerkt worden.
Ook is het belangrijk dat [minderjarige] en de moeder elkaar regelmatig zien, mits de moeder niet onder invloed van alcohol is.
De verwachting is dat de moeder en de vader de verantwoordelijkheid voor de verzorging en
Een ondertoezichtstelling van [minderjarige] en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzie van [minderjarige] is noodzakelijk.
Er dient hulp ingezet te worden omdat de situatie voor [minderjarige] opgelost dient te worden. De moeder erkent de problematiek niet en komt de veiligheidsafspraken niet na. De moeder is een goede moeder, maar alleen zonder het gebruik van alcohol en het binnenlaten van onveilige partners.
[minderjarige] is veilig bij de vader. De termijn van zes maanden ten aanzien van de uithuisplaatsing is een haalbare termijn voor terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder als de moeder hulp zoekt.
Uit de omgangsverslagen blijkt dat de moeder het goed doet als moeder en dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder goed is. Er moeten concrete stappen gezet worden. Het doel is dat [minderjarige] teruggeplaatst wordt bij de moeder, zodat het bepalen van het perspectief van [minderjarige] niet aan de orde is.
Het verzoek van de Raad dient te worden afgewezen.
5.De beoordeling
Het is schrijnend dat zowel de moeder als de vader aangeven dat [minderjarige] veel heeft meegemaakt, maar dat er tot op heden geen hulpverlening voor [minderjarige] is ingezet.
[minderjarige] dient door de moeder en de vader in haar ontwikkeling te worden ondersteund en waar nodig wordt hulpverlening voor haar ingezet. [minderjarige] dient de ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden te verwerken en JBRA zal daar een passende vorm van hulpverlening voor dienen te vinden.
5.2. Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
- [minderjarige] is geen slachtoffer/getuige van verbaal en fysiek geweld tussen moeder en haar ex-partner(s);
- [minderjarige] heeft een moeder die bezig is met haar eigen proces, zonder middelengebruik en door therapie te volgen;
- [minderjarige] kan ingrijpende gebeurtenissen verwerken, bijvoorbeeld door middel van words&pictures;
- in het belang van [minderjarige] is het belangrijk dat JBRA moeder duidelijk maakt welke hulpverlening/behandeling van haar wordt verwacht teneinde [minderjarige] weer een veilig thuis te kunnen bieden en er is afstemming hierover tussen JBRA en haar hulpverlening;
- [minderjarige] heeft ouders die op een neutrale manier met elkaar kunnen communiceren en op een constructieve manier kunnen samenwerken met de hulpverlening;
- [minderjarige] heeft binnen een half jaar duidelijkheid over haar toekomstperspectief;
- er worden met de moeder afspraken gemaakt waar zicht op dient te komen en waar de moeder aan dient te voldoen.
6.De beslissing
stelt [minderjarige] onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, met ingang van 4 februari 2026 tot 4 februari 2027;