Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2326

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
AMS 25/3338
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 ParticipatiewetArt. 7.6 Beleidsregels bijzondere bijstandArt. 6 EVRMArt. 8:106 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing bijzondere bijstand voor dagvaardingskosten wegens te indringende toetsing

Eiser had bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een dagvaardingsprocedure tegen zijn energieleverancier, nadat een klachtenprocedure geen oplossing bood. Het college wees de aanvraag af omdat de kosten niet noodzakelijk zouden zijn, mede gebaseerd op een advies van een gerechtsdeurwaarder.

De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte een te indringende toets heeft toegepast bij de beoordeling van de noodzaak van de procedure. Volgens vaste jurisprudentie moet het college terughoudend toetsen om het recht op toegang tot de rechter te waarborgen. De verklaring van de deurwaarder was onvoldoende onderbouwd en de procedure was niet op voorhand kansloos.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij ook andere voorwaarden zoals draagkracht moeten worden betrokken. Tevens moet het college het griffierecht van €53,- aan eiser vergoeden.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van bijzondere bijstand voor dagvaardingskosten wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5730

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats] , eiser
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam

(gemachtigde: mr. D. Ahmed).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor de kosten van het voeren van een dagvaardingsprocedure. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de aanvraag terecht heeft afgewezen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte de dagvaardingskosten niet noodzakelijk heeft geacht
.Het college heeft te indringend getoetst, terwijl het college gelet op het recht tot toegang tot de rechter juist terughoudend had moeten toetsen. Eiser krijgt deels gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser was een klachtenprocedure tegen zijn energieleverancier gestart, omdat hij geen toegang meer had tot historische facturen, doordat zijn energieleverancier zijn account had gesplitst. Toen deze klachtenprocedure niet tot een voor eiser gewenste oplossing leidde, wilde eiser een dagvaardingsprocedure beginnen.
2.1.
Eiser heeft vervolgens bij het college een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van de dagvaarding en betekening en voor het griffierecht.
2.2.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 22 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 september 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens het college waren de kosten niet noodzakelijk en dan bestaat geen recht op bijzondere bijstand. Ter onderbouwing heeft het college verwezen naar het hoofd juridische zaken van de gerechtsdeurwaarder, die eiser geadviseerd heeft om de procedure niet voort te zetten, omdat dit niet zinvol was. Daarnaast wijst het college erop dat als eiser een advocaat in de arm zou hebben genomen, hij in aanmerking
had kunnen komen voor de kosten rechtsbijstand en griffiekosten, nadat de Raad voor Rechtsbijstand een beschikking had afgegeven over de eigen bijdrage.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft hieraan deelgenomen. De gemachtigde van het college heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

De Beleidsregels
3. Eiser voert aan dat het college ten onrechte de voorwaarde uit artikel 7.6 Beleidsregels bijzondere bijstand (de Beleidsregels) heeft toegepast dat er een positief advies van het Juridisch Loket of een door de Raad voor Rechtsbijstand verstrekte toevoeging moet zijn, waaruit nut of noodzaak van een te voeren procedure blijkt.
3.1.
De Beleidsregels zijn een invulling van de wettelijke bevoegdheid uit artikel 35 van Pro de Participatiewet om bijzondere bijstand toe te kennen. In artikel 7.6 van de Beleidsregels staat dat voor de kosten van rechtsbijstand bij het voeren van een procedure die voor rekening komen van de burger (griffierecht, de eigen bijdrage rechtshulp, en andere noodzakelijke kosten in verband met de rechtszaak) bijzondere bijstand wordt verstrekt. Hierbij geldt als voorwaarde een positief advies van het Juridisch Loket of een door de Raad voor Rechtsbijstand verstrekte toevoeging waaruit nut of noodzaak van een te voeren procedure blijkt.
3.1.1.
Dit betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank stelt namelijk vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het college heeft getoetst aan deze beleidsregel. De rechtbank overweegt verder dat het college dat ook niet had moeten doen, omdat artikel 7.6 van de Beleidsregels niet van toepassing is op de situatie van eiser. Hoewel deze beleidsregel duidelijker geformuleerd had kunnen worden, begrijpt de rechtbank deze beleidsregel zo dat deze ziet op de situatie dat iemand hulp inschakelt bij het voeren van een procedure. Aangezien eiser dit niet heeft gedaan en er geen beleidsregel is die ziet op de situatie dat iemand zelf een procedure voert, moet de rechtbank toetsen aan het bovenliggende wettelijk voorschrift, artikel 35 van Pro de Participatiewet. Dit komt in de volgende overwegingen aan de orde.
Noodzaak van het verlenen van bijzondere bijstand
4. Eiser voert verder aan dat het college hem ten onrechte tegenwerpt dat de gemaakte kosten niet noodzakelijk zijn. Het college verwijst naar het advies van de deurwaarder, maar dit is geen professioneel en onafhankelijk oordeel en daar mocht het college zich dus niet op baseren. Het college heeft bovendien de door eiser aangedragen argumenten onvoldoende betrokken. Eiser betoogt tot slot dat hij door de weigering van de bijzondere bijstand geschaad is in zijn recht op toegang tot de rechter.
4.1.
In geschil is of de kosten van het voeren van een dagvaardingsprocedure noodzakelijk zijn.
4.1.1.
Volgens vaste jurisprudentie is de noodzaak voor het maken van kosten van griffierecht in beginsel aanwezig als rechtsbijstand wordt verleend op basis van een toevoeging. Als van een toevoeging geen sprake is (zoals het geval is bij eiser), moet het college aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval zelfstandig een oordeel vormen over de noodzaak van de gevoerde procedure. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om de gestelde noodzakelijkheid van de procedure aannemelijk te maken. Hierbij past niet een al te indringende toets van de noodzaak van de procedure. Een te indringende toets zou in strijd kunnen komen met het in artikel 6 van Pro het EVRM [1] neergelegde recht van eenieder om zijn zaak op enig moment aan een onafhankelijke rechter voor te kunnen leggen. Het college zal daarom terughoudendheid moeten betrachten bij de toetsing van de noodzaak van de gevoerde procedure. In het kader van die terughoudende toetsing zal het bestuursorgaan zich moeten beperken tot de beoordeling of aanleiding bestaat om aan te nemen dat de gevoerde procedure op voorhand kansloos was. [2] De rechtbank neemt aan dat dit toetsingskader niet alleen voor griffierecht geldt, maar ook voor andere noodzakelijke kosten die een voorwaarde zijn voor toegang tot de rechter, zoals in dit geval de kosten van de dagvaarding en betekening.
4.1.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college te indringend heeft getoetst of de gevoerde procedure noodzakelijk was. Eiser heeft toegelicht en aangetoond dat hij de klachtenprocedure al doorlopen heeft en dat hij geen andere optie ziet dan een dagvaardingsprocedure te beginnen. Hij heeft daarbij ook toegelicht dat hij financiële gevolgen zal ondervinden als hij de historische facturen niet kan verkrijgen. In hoeverre hij met de procedure het gewenste resultaat kan behalen staat niet op voorhand vast en dat deze procedure op voorhand kansloos is, is niet gebleken. De verklaring van de deurwaarder is daarvoor onvoldoende. Deze verklaring is namelijk niet onderbouwd. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit op dit punt een gebrek bevat.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Dit betekent niet dat de rechtbank nu bepaalt dat eiser recht heeft op bijzondere bijstand. Niet alleen de noodzakelijkheid van de kosten moeten beoordeeld worden, maar ook de vraag of de kosten zich voordoen en of ze voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Tot slot moet het college beoordelen of eiser voldoende draagkracht heeft om zelf in de kosten te voorzien. Omdat het college deze andere voorwaarden nog niet (kenbaar) heeft beoordeeld en het college bij het beoordelen van de draagkracht van eiser beoordelingsruimte heeft, bepaalt de rechtbank dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dan krijgt eiser dus een nieuw besluit waarin zijn aanvraag toegewezen kan worden, of opnieuw afgewezen.
5.1.
De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken. Deze termijn gaat pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist. [3]
5.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 9 oktober 2025;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie CRvB 2 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2930.
3.Op grond van artikel 8:106 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.