ECLI:NL:RBAMS:2026:233

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/13/780043 / KG ZA 25-1007
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executie dwangsommen arbitrale ontbinding VOF onvoldoende duidelijk en bepaald

De zaak betreft een geschil tussen vennoten over de ontbinding, vereffening en verdeling van een vennootschap onder firma (VOF). Na ontbinding van de VOF per 1 januari 2025 ontstond onenigheid over de uitvoering van het arbitrale vonnis dat de vereffening en verdeling gelastte, met dwangsommen verbonden aan het niet nakomen daarvan.

Eisers stelden dat zij aan hun verplichtingen voldeden en dat de dwangsommen onterecht werden geëxecuteerd, terwijl gedaagden meenden dat eisers onvoldoende medewerking verleenden en daarom dwangsommen verbeurd waren. De voorzieningenrechter onderzocht de strekking van de dwangsomveroordeling en concludeerde dat deze onvoldoende duidelijk en bepaald was, omdat de vereffening en verdeling gezamenlijk door alle vennoten moesten plaatsvinden en het resultaat mede van gedaagden afhing.

Daarom zijn de dwangsommen niet verschuldigd en moet de executie worden gestaakt. Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de dwangsomveroordeling onvoldoende duidelijk is, waardoor eisers geen dwangsommen verschuldigd zijn en gedaagden de executie moeten staken.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/780043 / KG ZA 25-1007 MK/MV
Vonnis in kort geding van 19 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,2. [eiser 2] ,

beiden wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partijen bij dagvaarding van 16 december 2025,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. W.J.R. Okx,
tegen

1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. F.L.M. van Beek.

1.De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 5 januari 2026 heeft [eisers] de dagvaarding toegelicht. De vordering onder (i) van het petitum is beperkt, zoals hierna onder 3.1 wordt vermeld. [gedaagden] hebben verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren partijen en hun advocaten aanwezig. Na verder debat is vonnis bepaald op 19 januari 2026.

2.De feiten

2.1.
Op 1 juli 2014 is door [eisers] de vennootschap onder firma [naam vof] (hierna de vof) opgericht. De vof exploiteerde onder meer een winkel in herenkleding in [locatie] . [gedaagden] zijn tot 1 april 2018 in dienstverband werkzaam geweest voor de vof. Op die datum zijn [gedaagden] toegetreden als vennoten tot de vof. Op 26 september 2018 hebben partijen hun afspraken vastgelegd in een vof-contract.
2.2.
Bij brief van 17 september 2024 hebben [gedaagden] het vof-contract opgezegd met inachtneming van een termijn van drie maanden, tegen 1 januari 2025.
2.3.
Bij brief van 11 oktober 2024 heeft [eisers] de vof met ingang van 2 oktober 2024 ontbonden.
2.4.
Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan over de ontbinding, de vereffening en de verdeling van de vof. Ter beslechting van dit geschil hebben [gedaagden] een procedure aanhangig gemaakt bij het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI). Zij hebben onder meer het volgende gevorderd:
i. voor recht te verklaren dat de VOF rechtsgeldig is ontbonden door opzegging
per 1 januari 2025, althans de VOF te ontbinden per 1 januari 2025 althans per een in goede justitie te bepalen datum;
ii. voor recht te verklaren dat de VOF tot 1 januari 2025, althans tot een andere
datum indien zou worden bepaald dat de VOF per die andere datum zou zijn ontbonden, door de vier Vennoten gezamenlijk gecontinueerd had moeten worden conform de VOF-overeenkomst;
iii. voor recht te verklaren dat Verweerders tekort zijn geschoten in de nakoming
van de VOF-overeenkomst en/of onrechtmatig hebben gehandeld en dat Verweerders aansprakelijk zijn voor de schade die daarvan het gevolg is aan de zijde van Eisers;
iv. voor recht te verklaren dat Eisers ieder recht hebben 21% van het resultaat van
de VOF per 2023 en op 25% van het resultaat van de VOF per 2024 tot aan de
datum van ontbinding van de VOF;
v. Verweerders te veroordelen om binnen twee (2) weken na een vonnis in dit geding rekening en verantwoording af te leggen over het door hen gevoerde beheer c.q. bestuur over de periode van 1 januari 2023 tot en met dit vonnis en in dat verband alle stukken en bescheiden met betrekking tot de administratie VOF, waaronder de volledige boekhouding en de bankafschriften van de verschillende bankrekeningen die voor van of door de VOF zijn gebruikt, over te leggen aan Eisers, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 15.000 ineens en EUR 1.000 voor elke dag dat Verweerders al dan niet gezamenlijk in gebreke zullen blijven met de volledige voldoening aan deze veroordeling met een maximum van EUR 100.000;
vi. Verweerders hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Eisers van een bedrag van EUR 94.317, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW dan wel de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf de datum van indiening van deze Memorie althans per een in goede justitie te bepalen datum;
vii. Verweerders te veroordelen om binnen (twee) 2 weken na een vonnis in dit geding de vereffening te (doen) bewerkstelligen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 15.000 ineens en EUR 1.000 voor elke dag dat Verweerders al dan niet gezamenlijk in gebreke zullen blijven met de volledige voldoening aan deze veroordeling met een maximum van EUR 100.000;
viii. (…)
2.5.
[eisers] heeft tegenvorderingen ingesteld in de arbitrage.
2.6.
Op 3 juli 2025 is een arbitraal eindvonnis gewezen. In het dictum van dit vonnis zijn onder meer de volgende veroordelingen uitgesproken:
i. Verklaart voor recht dat de VOF rechtsgeldig is ontbonden door opzegging per 1 januari 2025;
ii. Verklaart voor recht dat de VOF tot 1 januari 2025 door de vier vennotengezamenlijk gecontinueerd had moeten worden conform het VOF-Contract;
iii. Gelast de vereffening en verdeling door alle vennoten gezamenlijk, met inachtneming van de termijn van vier (4) weken zoals onder overweging 7.57. is weergegeven;
iv. Gelast de wijze van verdeling van de VOF zoals hiervoor onder overweging
7.58
is weergegeven;
v. Veroordeeld Verweerders om aan Eisers een dwangsom te betalen van EUR
500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij na 31 juli 2025 niet aan de
in dit arbitraal eindvonnis uitgesproken veroordeling onder iii voldoen, tot
een maximum van EUR 25.000,00 is bereikt;
2.7.
In rechtsoverweging 7.52 en 7.53 van het arbitrale vonnis staat het volgende:
Dwangsommen
7.52.
Ten aanzien van de door Eisers gevraagde dwangsommen voor – kortweg – de overlegging van de volledige administratie (zie het door Eisers gevorderde sub v),overweegt de Arbiter als volgt. Vaststaat dat Eisers inmiddels over de volledigeadministratie beschikken en dat er (concept)jaarstukken voor 2024 zijn alsmede(concept)eindbalansen, zowel per 2 oktober 2024 als per 1 januari 2025. Onder dieomstandigheden hebben Eisers geen belang meer bij de oplegging van dwangsommen
en zal Arbiter die vordering afwijzen.
7.53.
Ten aanzien van de door Eisers gevraagde dwangsommen voor – kortweg –medewerking van Verweerders aan de vereffening en verdeling van de VOF (zie het door
Eisers gevorderde sub vii), overweegt de Arbiter als volgt. Eisers hebben zeer veel
moeite moeten doen om inzage te krijgen in de volledige administratie van de VOF,
terwijl zij daar als vennoten recht op hadden. In dat licht oordeelt Arbiter dat Eisers
er niet als vanzelfsprekend op mogen vertrouwen dat Verweerders de vereffening
en verdeling van de VOF voortvarend zullen oppakken en dat het gepast is om aan
Verweerders een dwangsom op te leggen om hen daartoe aan te sporen. Eisers
hebben er immers een gerechtvaardigd belang bij dat de vereffening en verdeling
van de VOF, op de wijze zoals bepaald in dit arbitrale eindvonnis, zo spoedigmogelijk plaatsvindt. De hoogte van de dwangsom zal een voldoende serieuze prikkel
moeten zijn om Eisers niet onnodig langer in onzekerheid te laten over deeindafwikkeling van de VOF en Verweerders te bewegen om dat te doen waartoe zijjuridisch gehouden zijn. Tegelijkertijd moet de dwangsom geen boetekarakter krijgen,
maar beperkt blijven tot een prikkel tot nakoming. De gevorderde dwangsom zal
daarom worden beperkt en gemaximeerd zoals in de beslissing wordt vermeld.
2.8.
In rechtsoverweging 7.55 tot en met 7.58 van het arbitrale vonnis staat het volgende:
Conclusie
7.55.
Conclusie van het voorgaande is dat de VOF per 1 januari 2025 is ontbonden. Dit
betekent dat alle vennoten (dus: partijen gezamenlijk) thans tot de vereffening en
verdeling van de VOF over moeten gaan, waarna deze kan worden beëindigd en die
beëindiging vervolgens bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel kan
worden ingeschreven.
7.56.
Dit betekent dat er met betrokkenheid en medewerking van alle vennoten(concept) jaarstukken 2024 en een eindbalans voor 2024 moeten komen. Eisers
beschikken thans over de gehele financiële administratie van de VOF, zodat Eisers
geen belang meer hebben bij toewijzing van het onder v gevorderde.7.57. Verweerders hebben de externe administrateur al opdracht gegeven deze stukken
in concept voor te bereiden. Deze stukken zijn ter zitting aan Eisers overhandigd en
dienen uiterlijk binnen vier (4) weken na de datum waarop dit arbitraal eindvonnis
is gewezen (dus uiterlijk op 31 juli 2025) in detail met Eisers te worden besproken,
waarna –met inachtneming van het hierna bepaalde – aanpassingen aan de(concept) jaarstukken 2024 en de (concept) eindbalans dienen te worden aangebracht.
7.58.
Bij de vereffening en (wijze van) verdeling van het vermogen van de VOF dienen
partijen rekening te houden met de volgende aspecten:
a. Voor de winstverdeling tussen de vennoten dient te worden uitgegaan van de
volgende percentages (en dit dient voor wat betreft het jaar 2023 te leiden tot
een correctie in de jaarstukken 2024):
- 2023: Verweerders elk 29%; Eisers elk 21%
- 2024: Alle vennoten ieder 25%;
b. Eisers hebben aanspraak op een arbeidsvergoeding over de periode 2 oktober
2024 tot1 januari 2025, maar Eisers worden geacht deze arbeidsvergoeding
reeds te hebben ontvangen doordat zij een bedrag van EUR 7.000 en een bedrag
van EUR 2.500 hebben opgenomen van de ABN-AMRO rekening (hetgeen nog
wel in de administratie over 2024 dient te worden verwerkt), waarna hetsurplus van EUR 2.553 in de vereffening moet worden meegenomen;
c. Verweerders hebben ten onrechte “huur inventaris” en “huur verlichting” aan
de VOF in rekening gebracht en dit dient over de voorgaande jaren gecorrigeerd
te worden in de jaarstukken 2024;
d. Verweerders hebben ten onrechte vanaf 1 april 2018 een arbeidsvergoeding
voor de heer [eiser 2] (althans zijn persoonlijke vennootschap [bedrijf] )
aan de VOF in rekening gebracht en dit dient over de voorgaande jarengecorrigeerd te worden in de jaarstukken 2024;
e. Verweerders hebben na 1 juli 2019 in het kader van de winstverdeling tenonrechte een bijtelling voor de auto (Peugeot 106) aan de heer [gedaagde 2] in
rekening gebracht, zodat dit voor wat betreft de periode na 1 juli 2019gecorrigeerd dient te worden in de jaarrekening 2024;
f. De verkopen (omzetten) in de periode 2 oktober 2024 tot1 januari 2025 dienen
in de vereffening te worden betrokken, alsmede de restvoorraad op 31 december 2024.
2.9.
In de periode van 24 juli 2025 tot en met 21 augustus 2025 is gecorrespondeerd tussen partijen en zijn stukken uitgewisseld. Op 25 augustus 2025 heeft [eisers] twee bedragen aan [gedaagden] overgemaakt, te weten € 21.169 en € 14.389.
2.10.
Bij beschikking van 23 september 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [gedaagden] verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis.
2.11.
Op 30 september 2025 heeft de deurwaarder op verzoek van [gedaagden] het arbitrale vonnis en de beschikking van 23 september 2025 aan [eisers] betekend.
2.12.
Bij e-mail van 27 oktober 2025 heeft de advocaat van [gedaagden] aanspraak gemaakt op € 25.000 aan verbeurde dwangsommen. Daarnaast is aanspraak gemaakt op
€ 10.000 vanwege niet of onjuist verwerkte correcties en vanwege onjuistheden in de jaarstukken. Tot slot is aanspraak gemaakt op € 7.500 aan juridische kosten (advocaat en deurwaarder) als gevolg van het niet voldoen aan het arbitrale vonnis. Bij de e-mail van 27 oktober 2025 is een overzicht gevoegd (productie 14) van niet verwerkte of onopgehelderde punten waaruit blijkt dat nog niet volledig vereffend is.
2.13.
Bij deurwaardersexploot van 20 november 2025 is [eisers] het volgende aangezegd:
2.14.
Op 27 november 2025 heeft de deurwaarder op verzoek van [gedaagden] executoriaal beslag gelegd onder de ABN AMRO bank en onder de ING bank ten laste van [eisers] in verband met verbeurde dwangsommen ter hoogte van € 25.000. Op 4 december 2025 zijn de desbetreffende beslagexploten betekend aan [eisers]

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert – kort gezegd – het volgende:
(i) [gedaagden] te veroordelen om de executie van het arbitrale vonnis te staken, op straffe van dwangsommen;
(ii) [gedaagden] te veroordelen de ten laste van [eisers] gelegde beslagen op te heffen en eventueel geïncasseerde bedragen terug te betalen, op straffe van dwangsommen;
(iii) [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van primair de werkelijke proceskosten, subsidiair de kosten conform het liquidatietarief.
Op de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft de advocaat van [eisers] vordering (i) beperkt in die zin [gedaagden] te veroordelen tot staking van de executie van het arbitrale vonnis enkel wat de dwangsommen betreft.
3.2.
[eisers] legt aan de vorderingen ten grondslag dat hij aan de veroordelingen in het arbitrale vonnis heeft voldaan en dat dus geen dwangsommen zijn verbeurd. [eisers] heeft alle relevante gegevens verstrekt, overleg gevoerd en zich ingespannen om te komen tot een finale afrekening. Met het executeren van de dwangsommen maken [gedaagden] misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW Pro. Om die reden vordert [eisers] betaling van de daadwerkelijke proceskosten.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. Nadat [gedaagden] het vof-contract hadden opgezegd, weigerde [eisers] om mee te werken aan vereffening en verdeling van het vermogen van de vof. Van belang hierbij is dat [eisers] de administratie van de vof voerde en als enige toegang had tot het vermogen (de bankrekeningen) van de vof. [gedaagden] zijn letterlijk en figuurlijk buiten spel gezet. Om die reden waren zij genoodzaakt de arbitrageprocedure te starten. In het arbitrale vonnis zijn hun vorderingen grotendeels toegewezen. Dit heeft echter niet geleid tot een eerlijke afwikkeling van de vof op uiterlijk 31 juli 2025, waardoor [eisers] dwangsommen heeft verbeurd. [gedaagden] verwijzen naar rechtsoverweging 7.53 van het vonnis waar de arbiter gemotiveerd heeft overwogen dat zij er niet op mogen vertrouwen dat [eisers] de verdeling en vereffening voortvarend zal oppakken en dat een dwangsom gepast is om [eisers] daartoe aan te sporen. Het doel en de strekking van de dwangsom zien dus uitdrukkelijk op de eindafwikkeling en daarmee op het daadwerkelijk vereffenen en verdelen van de vof. Inmiddels hebben [gedaagden] er geen vertrouwen meer in dat een eerlijke en onderling afgestemde vereffening zal plaatsvinden. Om die reden hebben zij de deurwaarder opdracht gegeven de dwangsommen aan te zeggen en executoriaal beslag te leggen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In een geschil over de executie van dwangsommen moet allereerst worden vastgesteld wat doel en strekking zijn van de veroordeling waaraan de dwangsommen zijn verbonden. Daarbij geldt dat de veroordeling niet verder strekt dan ter bereiking van het daarmee beoogde doel. De draagwijdte van een gegeven verbod kan zo beperkt worden opgevat.
4.2.
Bij beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd moeten vervolgens de ter uitvoering van het vonnis verrichte handelingen worden getoetst aan de inhoud van de veroordeling, zoals die is uitgelegd. Daarbij geldt dat geen dwangsommen zijn verbeurd indien het onredelijk zou zijn van de veroordeelde meer inspanningen en zorgvuldigheid te vergen dan hij heeft betracht.
4.3.
De voorzieningenrechter begrijpt het arbitrale vonnis aldus. Vorderingen i. en ii. van [gedaagden] zijn toegewezen. Vordering iii. is afgewezen. Vordering iv. is niet toegewezen, maar in rechtsoverweging 7.58 sub a is opgenomen dat dit een aspect is waarmee partijen bij de vereffening en (wijze van) verdeling van het vermogen van de vof rekening moeten houden. Vordering v., die ziet op het afleggen van rekening en verantwoording en op het afgeven van stukken is niet toegewezen. In rechtsoverwegingen 7.52 en 7.56 staat hierover dat [gedaagden] inmiddels reeds beschikken over de volledige financiële administratie van de vof. Vordering vi. (de geldvordering) is niet toegewezen. Vordering vii., het (doen) bewerkstelligen van de vereffening, is toegewezen op de wijze zoals opgenomen in het dictum onder iii. tot en met v., waarbij onderdeel v. de dwangsom behelst.
4.4.
Doel en strekking van de dwangsom kan worden afgeleid uit rechtsoverweging 7.53, met name uit de volgende overweging:
Eisers hebben zeer veel moeite moeten doen om inzage te krijgen in de volledige administratie van de VOF, terwijl zij daar als vennoten recht op hadden. In dat licht oordeelt Arbiter dat Eisers er niet als vanzelfsprekend op mogen vertrouwen dat Verweerders de vereffening en verdeling van de VOF voortvarend zullen oppakken en dat het gepast is om aan Verweerders een dwangsom op te leggen om hen daartoe aan te sporen. Eisers hebben er immers een gerechtvaardigd belang bij dat de vereffening en verdeling van de VOF, op de wijze zoals bepaald in dit arbitrale eindvonnis, zo spoedigmogelijk plaatsvindt. De hoogte van de dwangsom zal een voldoende serieuze prikkel
moeten zijn om Eisers niet onnodig langer in onzekerheid te laten over deeindafwikkeling van de VOF en Verweerders te bewegen om dat te doen waartoe zijjuridisch gehouden zijn.Dat het naar het oordeel van de arbiter kennelijk nodig was [eisers] aan te sporen om de vereffening en verdeling van de vof voortvarend op te pakken, neemt niet weg dat een dwangsom naar zijn aard gekoppeld moet zijn aan een door [eisers] te verrichten handeling die voldoende duidelijk en voldoende bepaald omschreven moet zijn en dat het te bereiken resultaat (in dit geval: vereffening en verdeling) in de (uitsluitende) macht van [eisers] moet liggen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoen de punten iii. tot en met v. van het dictum hieraan niet. Ter toelichting het volgende.
4.5.
De vereffening en verdeling is volgens punt iii. gelast (a) binnen vier weken (b) door alle vennoten gezamenlijk. Hieraan is de dwangsom gekoppeld. Punt iv., waar de dwangsom niet direct aan is gekoppeld, gelast (c) dat de wijze van verdeling plaatsvindt zoals onder rechtsoverweging 7.58 is weergegeven. Voor de termijn van vier weken (a) wordt verwezen naar rechtsoverweging 7.57, maar daar staat niet dat de vereffening binnen die vier weken voltooid moet zijn. Er staat dat binnen die vier weken de op dat moment voorhanden zijnde conceptstukken in detail met [gedaagden] moeten worden besproken waarna (met inachtneming van rechtsoverweging 7.58) aanpassingen aan de (concept) stukken dienen te worden aangebracht. Verder is de vereffening en verdeling gelast
door alle vennoten gezamenlijk(b), terwijl in dit kader
alleenaan [eisers] een dwangsom is opgelegd
.Een dergelijke veroordeling houdt dus het risico in dat [eisers] een dwangsom zou kunnen verbeuren terwijl het niet tijdig tot stand komen van de vereffening en verdeling (mede) is te wijten aan [gedaagden] . Op dit punt acht de voorzieningenrechter de dwangsomveroordeling dan ook onvoldoende duidelijk en bepaald. Tot slot is de wijze van verdeling gelast zoals onder rechtsoverweging 7.58 is weergegeven (c). Los van het feit dat aan dit onderdeel van het dictum (punt iv) geen dwangsom is verbonden, kan in dit kort geding ook niet worden vastgesteld of de onderdelen a tot en met f als opgenomen in rechtsoverweging 7.58 zijn opgevolgd. Anders dan [gedaagden] aanvoeren, is het enkele feit dat [eisers] de (concept) stukken niet zo aanpassen als [gedaagden] het voorstellen daartoe niet voldoende.
4.6.
Al met al is de voorzieningenrechter van oordeel dat de dwangsomveroordeling onvoldoende duidelijk en bepaald is, zodat hierdoor de vorderingen van [eisers] voor toewijzing gereed liggen, voor zover die zien op de thans door de deurwaarder aangezegde dwangsommen en op de opheffing van de beslagen. Het is niet nodig aan een veroordeling tot staking van de executie van dwangsommen en opheffing van de beslagen dwangsommen te verbinden. Dit onderdeel van de vorderingen wordt dus niet toegewezen.
4.7.
Op grond van de gelegde beslagen zijn nog geen bedragen geïncasseerd, dus het onderdeel van vordering ii. dat ziet op terugbetaling daarvan behoeft evenmin te worden toegewezen.
4.8.
Tot slot hebben [gedaagden] op de mondelinge behandeling van dit kort geding nog aangevoerd dat een belangenafweging in hun voordeel moet uitvallen, maar zij worden hierin niet gevolgd. [eisers] is hoe dan ook in beweging gekomen na het wijzen van het arbitrale vonnis (onder meer door het doen van betalingen) en in dit kort geding kan niet worden geoordeeld dat van hem meer inspanning had kunnen worden gevergd.
4.9.
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Hierbij wordt niet uitgegaan van de werkelijk gemaakte proceskosten. De hoge drempel die daarvoor geldt (misbruik van recht) wordt niet gehaald. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,43
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.772,43
4.10.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] om de executie van de thans op grond van het arbitrale vonnis aangezegde dwangsommen te staken en gestaakt te houden,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] de ten laste van [eisers] gelegde beslagen op te heffen,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.772,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026.
Coll: BB