ECLI:NL:RBAMS:2026:2373

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
7 maart 2026
Zaaknummer
13/397037-24; 13/032475-25; 13/055933-25; 13/259090-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f SrArt. 45 SrArt. 46 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor meerdere straatroven, mishandelingen en belediging ambtenaren in Amsterdam

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte, geboren in 2010, veroordeeld voor een reeks strafbare feiten waaronder vier straatroven waarbij jonge scholieren onder dreiging van geweld werden beroofd, mishandelingen van leeftijdsgenoten, online intimidatie via Snapchat en belediging van ambtenaren in functie. De feiten vonden plaats tussen oktober 2024 en oktober 2025 in Amsterdam.

Verdachte heeft de feiten grotendeels bekend en is veroordeeld tot een jeugddetentie van 330 dagen, waarvan 117 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals verblijf bij begeleid wonen, onderwijs volgen, behandeling en contactverboden. De rechtbank heeft de straf gematigd vanwege de psychische problematiek van verdachte en het advies van deskundigen om de feiten in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank heeft ook schadevergoedingen toegewezen aan drie benadeelde partijen voor materiële en immateriële schade, variërend van vernielde eigendommen tot psychische impact. Daarnaast is een mes in beslag genomen en onttrokken aan het verkeer. De bedreiging van een politieagent is niet bewezen verklaard en verdachte is daarvan vrijgesproken.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 330 dagen jeugddetentie, waarvan 117 dagen voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd
Parketnummers: 13/397037-24 (A), 13/032475-25 (B), 13/055933-25 (C) en 13/259090-25 (D) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 16 februari 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer voor de behandeling van stafzaken, in de zaken tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010,
wonende op het door verdachte ter terechtzitting opgegeven adres:
[adres] ,
hierna te noemen verdachte of [verdachte] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 2 februari 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter terechtzitting van 28 maart 2025 en 26 november 2025 gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C en zaak D aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L.A. Ter Veer en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A. Kilinç, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door [medewerker Raad voor de Kinderbescherming] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [medewerker Jeugdbescherming] namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) en de moeder van verdachte naar voren is gebracht.
Ook is kennisgenomen van wat door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en namens hem door zijn moeder naar voren is gebracht, van wat namens benadeelde partij [benadeelde partij 2] door zijn moeder en mr. M. de Boer naar voren is gebracht en van wat namens benadeelde partij [benadeelde partij 3] door mr. M.A.C. de Bruijn naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

De tenlastelegging van feit 1 in zaak C is ter zitting gewijzigd. De (gewijzigde) tenlasteleggingen zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht. Aan verdachte is – samengevat – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan
Zaak A
1:
afpersing op 12 december 2024 te Amsterdam door [benadeelde partij 1] te dwingen tot de afgifte van een telefoon en/of een pinpas en/of een pincode;
2:
afpersing op 12 december 2024 te Amsterdam door [benadeelde partij 4] te dwingen tot de afgifte van € 120,-;
3:
afpersing in vereniging op 7 december 2024 te Amsterdam door [benadeelde partij 2] te dwingen tot de afgifte van een telefoon en/of inlogcode en/of fatbike en/of een sleutelbos;
4:
afpersing op 16 oktober 2024 te Amsterdam door [benadeelde partij 5] te dwingen tot de afgifte van een telefoon;
Zaak B
mishandeling van J.S.C. [benadeelde partij 3] op 30 januari 2025 te Amsterdam;
Zaak C
1:
poging afpersing in vereniging in de periode van 20 tot en met 26 december 2024 te Amsterdam van [benadeelde partij 6] ;
subsidiair ten laste gelegd alsbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;
2:
afpersing op 16 januari 2025 te Amsterdam door [benadeelde partij 7] te dwingen tot de afgifte van Apple Airpods en/of een telefoon;
3:
mishandeling van [benadeelde partij 8] op 22 januari 2025 te Amsterdam;
4:
voorbereiding van zware mishandeling met voorbedachten rade in de periode van 18 januari tot en met 30 januari 2025 te Amsterdam;
subsidiair ten laste gelegd alsbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling in de periode van 29 tot en met 30 januari 2025 te Amsterdam;
Zaak D
1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van [ambtenaar 2] , zijnde een agent van politie, op 1 oktober 2025 te Amsterdam;
2:
belediging van [ambtenaar 2] en/of [ambtenaar 1] , zijnde ambtena(a)r(en) in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, op 1 oktober 2025 te Amsterdam.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 ten laste gelegde:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde afpersingen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4] . Verdachte heeft de feiten ter zitting bekend en de raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 12 december 2024 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan de afpersing van [benadeelde partij 1] en de afpersing van [benadeelde partij 4] .
4.2.
Ten aanzien van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde afpersing in vereniging van [benadeelde partij 2] . Verdachte heeft het feit ter zitting bekend.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de ten laste gelegde afpersing gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het in vereniging plegen van de afpersing. De medeverdachte heeft alleen een afspraak gemaakt met het slachtoffer en is bij de afpersing verder niet betrokken geweest.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 7 december 2024 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt de afpersing van [benadeelde partij 2] . Ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen overweegt de rechtbank dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van medeverdachte aan het onder 3 tenlastegelegde, bestaande uit het tot stand laten komen van een ontmoeting tussen verdachte en de aangever, is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.
4.3.
Ten aanzien van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde afpersingen van [benadeelde partij 5] . Verdachte heeft het feit ter zitting bekend en de raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 16 oktober 2024 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan de afpersing van [benadeelde partij 5] .
4.4.
Ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde partij 3] . Verdachte heeft het feit ter zitting bekend en de raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 30 januari 2025 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan de afpersing van [benadeelde partij 3] .
4.5.
Ten aanzien van het in zaak C onder 1 ten laste gelegde:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot afpersing in vereniging van [benadeelde partij 6] . Verdachte heeft het feit ter zitting bekend en de raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich in de periode van 20 tot en met 26 december 2024 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot afpersing in vereniging van [benadeelde partij 6] .
4.6.
Ten aanzien van het in zaak C onder 2 ten laste gelegde:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde afpersing van [benadeelde partij 7] . Verdachte heeft het feit ter zitting bekend en de raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 16 januari 2025 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan de afpersing van [benadeelde partij 7] .
4.7.
Ten aanzien van het in zaak C onder 3 ten laste gelegde:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde partij 8] . Verdachte heeft het feit ter zitting bekend en de raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 22 januari 2025 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [benadeelde partij 8] .
4.8.
Ten aanzien van het in zaak C onder 4 ten laste gelegde:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde voorbereiding van zware mishandeling met voorbedachten rade. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op grond van het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich in de periode van 18 januari 2025 tot en met 30 januari 2025 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde voorbereiding van zware mishandeling met voorbedachten rade.
4.9.
Ten aanzien van het in zaak D onder 1 ten laste gelegde:
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreiging van een politieagent. De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich op 1 oktober 2025 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van een politieagent.
4.10.
Ten aanzien van het in zaak D onder 2 ten laste gelegde:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde belediging van een ambtenaar in functie. Verdachte heeft het feit ter zitting bekend en de raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 1 oktober 2025 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan de belediging van [ambtenaar 2] en [ambtenaar 1] , zijnde ambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Zaak A
1:
op 12 december 2024 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en pinpas en pincode, die aan die [benadeelde partij 1] toebehoorden, door
- aan voornoemde [benadeelde partij 1] te vragen wat voor telefoon hij heeft en
- tegen voornoemde [benadeelde partij 1] te zeggen dat hij moet uitloggen op zijn Apple ID en
- tegen voornoemde [benadeelde partij 1] te zeggen dat hij en zijn vriend moeten meelopen
en
- tegen voornoemde [benadeelde partij 1] te zeggen dat hij niets raars moet doen, omdat hij hem
en zijn vriend anders neer zou steken, en
- tegen voornoemde [benadeelde partij 1] te zeggen dat hij zijn telefoon en pinpas en
pincode af moet geven en
- tegen voornoemde [benadeelde partij 1] en zijn vriend te zeggen dat als ze iets tegen iemand
zeggen, ze hun graf in gaan;
2:
op 12 december 2024 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [benadeelde partij 4] heeft gedwongen tot de afgifte van 120 euro die aan die [benadeelde partij 4] toebehoorde, door
- tegen voornoemde [benadeelde partij 4] te zeggen dat hij moet laten zien hoeveel
geld er op zijn bankrekening staat en
- tegen voornoemde [benadeelde partij 4] te zeggen dat hij en zijn vriend moeten
meelopen en
- tegen voornoemde [benadeelde partij 4] te zeggen dat hij niets raars moet doen,
omdat hij hem en zijn vriend anders neer zou steken en
- bij een pinautomaat voornoemde [benadeelde partij 4] zijn pincode in te laten
voeren en hem vervolgens 120 euro te laten pinnen en
- tegen voornoemde [benadeelde partij 4] en zijn vriend te zeggen dat als ze iets
tegen iemand zeggen, ze hun graf in gaan;
3:
op 7 december 2024 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en inlogcode en fatbike en een sleutelbos die aan die [benadeelde partij 2] toebehoorden door
- met een mes in zijn (verdachtes) handen tegen voornoemde [benadeelde partij 2] te zeggen
dat hij af moet stappen en zijn naam moet geven en
- tegen voornoemde [benadeelde partij 2] te zeggen "Geef me je telefoon. Wat is je pincode?
Geef me nu je telefoon of ik ga je in elkaar slaan en steken", en
- tegen voornoemde [benadeelde partij 2] te zeggen dat hij zijn fatbikesleutels moet
afgeven;
4:
op 16 oktober 2024 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen
door bedreiging met geweld [benadeelde partij 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon, die aan die [benadeelde partij 5] toebehoorde, door tegen voornoemde [benadeelde partij 5] te zeggen "ik heb een mes, geef mij je telefoon anders ga ik je doodsteken”;
Zaak B
op 30 januari 2025 te Amsterdam [benadeelde partij 3] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde partij 3] meermalen tegen het gezicht te slaan;
Zaak C
1:
in de periode van 20 tot en met 26 december 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij 6] te dwingen tot de afgifte van € 250,- die aan die [benadeelde partij 6] toebehoorde
- voornoemde [benadeelde partij 6] in een groepsgesprek op Snapchat heeft toegevoegd en
- tegen voornoemde [benadeelde partij 6] heeft gezegd dat hij een boete moest betalen en
- naar voornoemde [benadeelde partij 6] de teksten “ik ga nii veel takken je gaat lakken anders ga
je binnenkort zwart zien” en "hij gaat binnenkort zwart zien" en ", als je niet
gaat payen dan ga je 2025 niet zien” heeft gestuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2:
op 16 januari 2025 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij 7] heeft gedwongen tot de afgifte van Apple Airpods en een telefoon, die aan die [benadeelde partij 7] toebehoorden, door
- via Snapchat een of meerdere filmpjes van zichzelf met een machete naar
voornoemde [benadeelde partij 7] te sturen en te zeggen dat hij (verdachte) voornoemde [benadeelde partij 7] zou gaan neersteken en
- met voornoemde [benadeelde partij 7] af te spreken en
- naar de telefoon van voornoemde [benadeelde partij 7] te vragen en
- een mes aan voornoemde [benadeelde partij 7] te laten zien;
3:
op 22 januari 2025 te Amsterdam [benadeelde partij 8] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde partij 8] meermalen tegen het gezicht te slaan;
4:
in de periode van 18 januari tot en met 30 januari 2025 te Amsterdam ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten zware mishandeling met voorbedachten rade, opzettelijk voorwerpen, te weten meerdere messen, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft gehad;
Zaak D
2:
op 1 oktober 2025 te Amsterdam opzettelijk de ambtenaren [ambtenaar 2] en [ambtenaar 1] (agenten bij de Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hun meermalen het woord "kankersukkels" toe te voegen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden deze bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6.Geen eendaadse samenloop

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om eendaadse samenloop aan te nemen ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 ten laste gelegde.
De rechtbank gaat hier niet in mee. Van eendaadse samenloop is sprake indien de bewezen verklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet (meer dan enigszins) uiteenloopt. De feiten 1 en 2 van zaak A leveren wezenlijk verschillende verwijten op, omdat er sprake is van door verdachte gepleegde verschillende gedragingen ten aanzien van twee verschillende slachtoffers. Dat deze gedragingen in hetzelfde tijdsbestek hebben plaatsgevonden, maakt dat niet anders.

7.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9.Motivering van de straf

9.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 330 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 117 dagen voorwaardelijk, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd en een proeftijd van twee jaar.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om aansluiting te zoeken bij het advies van JBRA en, gelet op de intensiteit van de geadviseerde bijzondere voorwaarden, niet ook nog een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank betrekt bij het bepalen van de strafmaat de afspraken zoals deze ten aanzien van afpersing en mishandeling zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Hierbij betrekt de rechtbank dat verdachte
first offenderis nu verdachte geen strafblad heeft.
Daarnaast is voor het bepalen van de straf relevant de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij laat de rechtbank in het bijzonder het volgende meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal straatroven waarbij jonge scholieren onder dreiging van geweld hun spullen moesten afstaan aan verdachte.
De straatroven vonden veelal op klaarlichte dag plaats in Amsterdam-Zuid, terwijl nietsvermoedende slachtoffers van school naar huis fietsten. Verdachte heeft tijdens en na de straatroven gedreigd met het (thuis) opzoeken van de slachtoffers en het plegen van geweld als zij aangifte zouden doen.
Ook heeft verdachte zich bezig gehouden met online intimidatie; slachtoffers werden door verdachte en zijn medeverdachten in een Snapchatgroep geplaatst en ertoe gedwongen om een ‘boete’ te betalen. In één geval is daarbij ook een afspraak gemaakt met een slachtoffer waarbij dat slachtoffer onder bedreiging van geweld zijn telefoon en draadloze oortjes moest overhandigen.
De straatroven en (online) intimidatie hebben daarmee een golf van onrust, angst en verontwaardiging doen ontstaan in de omgeving. Naar aanleiding van de afpersingen en intimidatie heeft de politie een persbericht uitgevaardigd en is een bijeenkomst georganiseerd bij voetbalclub [voetbalclub] .
Uit de aangiften van de slachtoffers is duidelijk geworden hoe groot de impact is geweest van de straatroven en online intimidatie. Het slachtoffer [benadeelde partij 1] en zijn moeder hebben bovendien op indrukwekkende wijze ter zitting verteld wat het effect van de beroving is geweest en hoe dit hun leven beïnvloedt. Niet alleen bij de slachtoffers zelf, maar ook bij de familie en vrienden van de slachtoffers en de samenleving als geheel, hebben de daden van verdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij, ingevoerd door zijn behoefte aan geld, telkens weer slachtoffers heeft gemaakt door op een dreigende en angstaanjagende manier te werk te gaan. Zelfs na zijn aanhouding en tijdens zijn voorlopige hechtenis is verdachte doorgegaan met het afpersen van weerloze slachtoffers.
Daarnaast heeft verdachte voorbereidingen getroffen om het slachtoffer [benadeelde partij 8] zwaar te mishandelen. Hij heeft daarvoor messen aangeschaft, bedreigingen geuit naar dat slachtoffer en hem geprobeerd op te zoeken op school. Het lijkt erop dat de enkele omstandigheid dat dit slachtoffer niet aanwezig was op school er voor heeft gezorgd dat erger is voorkomen. Ook is het wat dat betreft een geluk dat verdachte later die middag, met zijn mes op zak, is aangehouden door de politie.
De rechtbank neemt het verdachte ook kwalijk dat hij twee leeftijdsgenoten heeft mishandeld. Eén van deze mishandelingen vond notabene op klaarlichte dag op de openbare weg plaats toen slachtoffer [benadeelde partij 3] van school op weg was naar huis en verdachte eigenlijk op zoek was naar [benadeelde partij 8] , een vriend van [benadeelde partij 3] . Verdachte vond dat [benadeelde partij 3] kennelijk niet naar hem luisterde en heeft hem behoorlijk hard geslagen. Dit is onacceptabel gedrag. Dit gedrag heeft naast pijn en/of letsel bij het slachtoffer ook gevoelens van angst en onrust in de gemeenschap en de samenleving doen ontstaan.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het beledigen van ambtenaren in functie. De rechtbank rekent verdachte ook dit feit aan. Dat de agenten met veel meer waren en de telefoon van verdachte werd afgepakt maakt niet dat daarmee zijn handelen gerechtvaardigd is.
Persoonlijke omstandighedenHet is zorgwekkend dat verdachte zich in eerste instantie niets leek aan te trekken van het ingrijpen van justitie. Vast is komen te staan dat verdachte tijdens zijn huisarrest door is gegaan met online intimidatie. Ook na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis pleegt verdachte nog een afpersing. Pas na een langdurig voorarrest, het meermaals opheffen van het geschorste voorarrest en het opleggen van strenge voorwaarden lijkt verdachte tot andere inzichten te zijn gekomen.
Adviezen
De rechtbank heeft kennisgenomen van de pro Justitia rapportage van 5 september 2025, opgesteld door S. Benali, kinder- en jeugdpsycholoog. Bij [verdachte] is sprake van een gedragsstoornis waarin een lacunaire gewetensfunctie en agressieregulatieproblemen centraal staan, in combinatie met criminele ideaties en de hang naar antisociale jongeren, gebrekkige coping en een stoornis in cannabisgebruik. Met uitzondering van het laatstgenoemde beïnvloedde deze problematiek ook de gedragskeuzes en gedragingen tijdens de bewezenverklaarde feiten. De voornoemde psychische problematiek brengt met zich dat [verdachte] slechts in beperkte mate gevoelens van schuld en spijt jegens zijn slachtoffers lijkt te ervaren. [verdachte] kan niet goed in staat worden geacht om zijn wil geheel in vrijheid te kunnen bepalen, maar kan wel in staat worden geacht om de wederrechtelijkheid van de bewezenverklaarde feiten in te kunnen zien.
Geadviseerd wordt dan ook om [verdachte] de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate toe te rekenen.
Bij [verdachte] zijn risicofactoren geconstateerd die samenhangen met de voornoemde psychische problematiek. Daardoor is sprake van een hoge kans op herhaling. Vanuit het oogpunt van een zo gunstig mogelijke (persoonlijkheids)ontwikkeling is behandeling geïndiceerd, gericht op de morele ontwikkeling, verbetering van coping en het stoppen met cannabisgebruik. Naast individuele behandeling vanuit een forensisch psychiatrische polikliniek zoals Levvel dient ook systeembehandeling plaats te vinden. Ook de inzet van de IFA-coach wordt zinvol geacht, gelet op de praktische en emotionele begeleiding.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het advies dat door de Raad ter zitting naar voren is gebracht dat strekt tot de oplegging van een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte verblijft bij [begeleid wonen] , onderwijs volgt volgens het rooster, deelneemt aan behandeling van Levvel, meewerkt aan begeleiding van een IFA-coach, meewerkt aan het opstellen en naleven van een weekschema en meewerkt aan een avondklok, passende vrijetijdsbesteding en de bemiddelingspoule om conflicten uit te praten. Daarnaast heeft de Raad geadviseerd te bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door JBRA ter zitting naar voren is gebracht. JBRA is sinds begin 2025 betrokken en de schorsing is in eerste instantie op negatieve wijze verlopen. Wel gaat het nu beter met [verdachte] . De behandeling vanuit FACT verloopt goed. De dagbesteding en schoolgang moeten nog verbeteren. De systeemtherapie vindt niet altijd plaats en dat is deels aan [verdachte] te wijten, omdat hij niet afspraaktrouw is. Het is op dit moment goed om hulpverlening voort te zetten en de stijgende lijn vast te houden. Door het project ‘Straatkracht’ kan [verdachte] door de jeugdreclasseerder meerdere keren per week worden gezien.
Bijzondere voorwaarden
De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden behandeld voor de voornoemde psychische problematiek, zodat zijn ontwikkeling kan worden bevorderd en de risicofactoren kunnen worden beperkt. Daarnaast moet verdachte meewerken aan de overige door de Raad geadviseerde voorwaarden zodat hij zijn leven op een verantwoorde manier in gaat richten en zich daarbij verplicht laat begeleiden door JBRA en zijn IFA-coach. Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat een contactverbod met de slachtoffers van het bewezenverklaarde dient te gelden. De rechtbank heeft verdachte weliswaar horen zeggen dat hij geen contact met hen zal opzoeken en ook heeft hij excuses gemaakt voor zijn daden. Dat neemt niet weg dat verdachte zal begrijpen dat hij de slachtoffers zo bang heeft gemaakt dat een verplicht contactverbod hen meer rust zal geven. De rechtbank gunt hen die rust om zodoende te kunnen werken aan hun herstel. Een contactverbod zal hieraan bijdragen.
Ook zal de rechtbank een contactverbod opleggen met medeverdachte [medeverdachte] nu verdachte zelf heeft aangegeven dat zij elkaar negatief beïnvloeden en de rechtbank verdachte wil behoeden voor de verleiding weer met hem samen op te gaan trekken in de toekomst.
Jeugddetentie
De rechtbank zal de feiten, gelet op het advies van de deskundigen, in verminderde mate aan verdachte toerekenen. Gelet op de aard en ernst van de feiten, en de hoeveelheid daarvan, zal de rechtbank aan verdachte opleggen een jeugddetentie voor de duur van 330 dagen. De rechtbank vindt dat verdachte op dit moment niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis, zodat een onvoorwaardelijke jeugddetentie zal worden opgelegd die gelijk is aan het voorarrest, te weten 213 dagen. Het overige deel, te weten 117 dagen, legt de rechtbank in voorwaardelijke vorm op. Aan dit voorwaardelijke deel zullen de algemene en bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad. De proeftijd zal daarbij worden gesteld op 2 jaar.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich onder andere schuldig gemaakt aan misdrijven die gericht zijn tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet hierop en gelet op de rapporten van de deskundigen, waarin de recidivekans als (heel) hoog wordt ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

10.Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

10.1.
Inleiding
[benadeelde partij 1]
heeft zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 143,50 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag dient te worden toegewezen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om het gevorderde bedrag voor het telefoonhoesje te halveren althans te matigen, aangezien de nieuwwaarde van het hoesje is gevorderd.
[benadeelde partij 4]
heeft zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 120,- aan materiële schade. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag dient te worden toegewezen. De raadsman heeft geen verweer gevoerd.
[benadeelde partij 2]
heeft zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 2.148,78 aan materiële schade en € 3000,- aan immateriële schade. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag dient te worden toegewezen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd. Daarnaast zijn bepaalde bijlagen van de vordering niet goed leesbaar en is de geadresseerde van de facturen telkens bewust onleesbaar gemaakt, wat maakt dat getwijfeld kan worden of de schade daadwerkelijk door het slachtoffer is geleden. De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de ten laste gelegde feiten en de schadeposten bestaande uit de Ring deurcamera, het bijbehorende abonnement en de huissleutel.
10.2.
Het oordeel van de rechtbank
[benadeelde partij 1]
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde materiële schade is toegebracht. De rechtbank overweegt dat de schadeposten voldoende onderbouwd zijn en redelijk voorkomen.
De gevorderde vergoeding voor de bankpas en de Airtags is niet betwist en komt voor toewijzing in aanmerking. De benadeelde partij heeft ter zitting verklaard dat het telefoonhoesje één jaar oud was. Hierom is het billijk om hierop een afschrijving toe te passen voor 25% van de nieuwwaarde van het hoesje.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de bankpas, Airtags en het telefoonhoesje – met inbegrip van afschrijving – tot een hoogte van € 128,21 kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (12 december 2024).
Immateriële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij op een andere wijze in zijn persoon is aangetast. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen.
De rechtbank overweegt daartoe dat de benadeelde partij op klaarlichte dag door verdachte staande is gehouden en gedwongen is zijn telefoon en bankpas te overhandigen. Hij is gevraagd naar zijn inloggegevens, pincode, naam, woonplaats en school. De verdachte heeft de benadeelde partij verboden om iemand te vertellen over de straatroof en heeft gedreigd de benadeelde partij neer te steken. De benadeelde partij is van dit geheel begrijpelijkerwijs ontzettend geschrokken. Het heeft bij hem onder meer aanhoudende angstgevoelens en slaapproblemen veroorzaakt, hetgeen ook in de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij en de verklaring ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 750,- billijk is en wijst dat toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (12 december 2024).
SchadevergoedingsmaatregelIn het belang van de benadeelde [benadeelde partij 1] voornoemd wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ten aanzien van de benadeelde. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
[benadeelde partij 4]
De rechtbank is van oordeel dat vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde materiële schade is toegebracht. Hij heeft onder dwang van verdachte € 120,- moeten pinnen en aan verdachte moeten afgeven. De rechtbank overweegt dat de schade voldoende onderbouwd is en billijk voorkomt.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering ter hoogte van € 120,- geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (12 december 2024).
SchadevergoedingsmaatregelIn het belang van de benadeelde [benadeelde partij 4] voornoemd wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ten aanzien van de benadeelde. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
[benadeelde partij 2]
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde materiële schade is toegebracht. Hieronder zal de rechtbank ingaan op de individuele schadeposten.
Ten aanzien van de schadeposten van de Ring-deurbel en het Ring-abonnement is de rechtbank van oordeel dat deze schade geen rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Ten aanzien van de schadepost van de iPhone 15 is de rechtbank van oordeel dat deze voor vergoeding in aanmerking komt. Daartoe overweegt de rechtbank dat de iPhone van de benadeelde partij door verdachte door afpersing is toegeëigend zoals bewezen is verklaard onder feit 3 in zaak A. Dat de iPhone ooit door een ander dan verdachte of zijn wettelijk vertegenwoordiger is aangeschaft, staat niet in de weg van toewijzing. De benadeelde partij heeft genoegzaam onderbouwd dat de telefoon is aangeschaft door de B.V. van de vader van de benadeelde partij en dat het eigendom van deze telefoon vervolgens bij wijze van verjaardagscadeau is overgedragen aan de benadeelde partij.
Ten aanzien van de schadeposten van de fatbike en het slot van de fatbike is de rechtbank van oordeel dat deze eveneens voor vergoeding in aanmerking komen. De fatbike en het bijbehorende slot zijn ook door verdachte toegeëigend zoals bewezen is verklaard onder feit 3 in zaak A. De fatbike is uiteindelijk teruggevonden in beschadigde staat. Het slot moest worden doorgezaagd door de politie. De gevorderde kosten van het slot zijn daarmee een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde.
Voorts overweegt de rechtbank dat de kosten voor de taxatie van de teruggevonden fatbike voortvloeien uit het bewezenverklaarde en de taxatie noodzakelijk was ter vaststelling van de schade. De gemaakte kosten acht de rechtbank naar hun omvang ook billijk.
Ten aanzien van de schadepost van het voordeurslot en bijbehorende sleutels is de rechtbank van oordeel dat deze ook voor vergoeding in aanmerking komen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de sleutelbos met daaraan de huissleutel van de benadeelde partij door verdachte zijn toegeëigend zoals bewezen is verklaard onder feit 3 in zaak A. Daarbij heeft verdachte de benadeelde partij gedwongen om de straatnaam van zijn huisadres te geven. Begrijpelijkerwijs waren de benadeelde en zijn familie hierdoor bang dat verdachte hen thuis zou komen opzoeken en hebben zij maatregelen getroffen. De gemaakte kosten door de ouders van de benadeelde partij om het slot te vervangen zijn daarmee een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de iPhone 15, de fatbike, het slot van de fatbike, de taxatie van de beschadigde fatbike en het voordeurslot en de bijbehorende sleutels tot een hoogte van € 1.940,80 kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (7 december 2024).
Immateriële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij op een andere wijze in zijn persoon is aangetast. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen.
De rechtbank overweegt daartoe dat de benadeelde partij onder valse voorwendselen naar een plek is gelokt en zich daar met verdachte geconfronteerd zag. Verdachte droeg hem op om van zijn fiets te stappen en zijn spullen te overhandigen. Daarbij dreigde verdachte hem te steken en te slaan en hield hij een klein mes vast. Verdachte maakte aan de benadeelde partij duidelijk dat hij met niemand over de afpersing mocht vragen en vroeg daarbij ook naar zijn adres. Deze gebeurtenis heeft begrijpelijkerwijs veel impact op de benadeelde partij gehad. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde partij lange tijd last heeft gehad van angstgevoelens en nachtmerries.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist, althans verzocht is om een lager bedrag toe te wijzen. Op grond van de door benadeelde partij gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 1.000,- aan vergoeding voor de geleden immateriële schade billijk en wijst dat toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (7 december 2024). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
SchadevergoedingsmaatregelIn het belang van de benadeelde [benadeelde partij 2] voornoemd wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ten aanzien van de benadeelde. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.

11.Beslag

Tijdens het onderzoek naar het ten laste gelegde zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1. 1 STK Mes (Voorwerpnummer G6613289)
2. 1 STK Telefoontoestel (Voorwerpnummer G6614864)
11.1.
Het oordeel van de rechtbank
Onttrekking aan het verkeer
Het inbeslaggenomen mes zal worden onttrokken aan het verkeer, nu het onder feit 4 in zaak C bewezenverklaarde met betrekking tot het mes is begaan.
Teruggave aan verdachte
De telefoon zal worden teruggegeven aan verdachte.

12.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 46, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 266, 267, 300, 303, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

13.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart het in zaak het in zaak D onder feit 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder feit 1, 2, 3, 4, het in zaak B, het in zaak C onder feit 1 primair, 2, 3, en feit 4 primair en het in zaak D onder feit 2 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het in zaak A onder feit 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde
telkens: afpersing
Ten aanzien van het in zaak C onder feit 2 ten laste gelegde
afpersing
Ten aanzien van het in zaak B en in zaak C onder feit 3 ten laste gelegde:
telkens: mishandeling
Ten aanzien van het in zaak C onder feit 1 primair ten laste gelegde:
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Ten aanzien van het in zaak C onder feit 4 primair ten laste gelegde:
voorbereiding van zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade
Ten aanzien van het in zaak D onder feit 2 ten laste gelegde:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 330 (driehonderddertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht (te weten 213 dagen), bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden,
Beveelt dat een gedeelte, groot
117 (honderdzeventien) dagen, van deze jeugddetentie
nietzal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt de proeftijd vast op
2 (twee) jaaronder de algemene voorwaarde dat veroordeelde
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:
- verblijft bij begeleid wonen van [begeleid wonen] , uitzonderingen daarop dienen eerst besproken te worden met Jeugdbescherming;
- onderwijs volgt volgens rooster;
- deelneemt aan behandeling van Levvel, zowel individueel als systemisch;
- meewerkt aan de begeleiding van de IFA-coach;
- meewerkt aan het opstellen en naleven van een weekschema;
- meewerkt aan een avondklok, die inhoudt dat hij zich tot 16 april 2026 van 19:00 uur tot 07:00 uur in het pand van [begeleid wonen] begeeft. Jeugdbescherming kan deze avondklok aanpassen indien dit nodig wordt geacht;
- meewerkt aan een passende vrijetijdsbesteding;
- meewerkt aan de bemiddelingspoule om lopende conflicten uit te praten;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
  • [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] ;
  • [benadeelde partij 4] , geboren op [geboortedatum] ;
  • [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum] ;
  • [benadeelde partij 5] , geboren op [geboortedatum] ;
  • [benadeelde partij 3] , geboren op [geboortedatum] ;
  • [benadeelde partij 6] , geboren op [geboortedatum] ;
  • [benadeelde partij 7] , geboren op [geboortedatum] ;
  • [benadeelde partij 8] , geboren op [geboortedatum] ;
  • [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum]
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet Pro op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Geeft opdracht aan
Jeugdbescherming Regio Amsterdam,een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de hierboven opgelegde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 878,21 (achthonderdachtenzeventig euro en eenentwintig cent) bestaande uit € 750,- aan immateriële schade en € 128,21 aan materiele schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 december 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte aan
[benadeelde partij 1]het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij 1] , te betalen de som van € 878,21 (achthonderdachtenzeventig euro en eenentwintig cent), bestaande uit € 750,- aan immateriële schade en € 128,21 aan materiele schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 december 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.
Benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 120,- (honderdtwintig euro) bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 december 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte aan
[benadeelde partij 4]het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij 4] , te betalen de som van € 120,- (honderdtwintig euro) bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 december 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 2.940,80 (tweeduizendnegenhonderdveertig euro en tachtig cent) bestaande uit € 1000,- aan immateriële schade en € 1.940,80 aan materiele schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (7 december 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte aan
[benadeelde partij 2]het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij 2] , te betalen de som van € 2.940,80 (tweeduizendnegenhonderdveertig euro en tachtig cent) bestaande uit € 1000,- aan immateriële schade en € 1.940,80 aan materiele schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (7 december 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.
Verklaart
onttrokken aan het verkeer:
- 1 STK Mes (Voorwerpnummer G6613289)
Gelast de
teruggaveaan verdachte van:
- 1 STK Telefoontoestel (Voorwerpnummer G6614864)
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. van Luijck, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. J.W.B. Snijders Blok en M. van Gemert, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Bongenaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 februari 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
[… 2]
[… 1]

[… 1]

)