ECLI:NL:RBAMS:2026:2435

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
AMS 25/4281, 25/4282 en 25/4283
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van naheffingsaanslagen parkeerbelasting bij foutieve kentekenregistratie op parkeervergunning

De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam legde aan eiser drie naheffingsaanslagen parkeerbelasting op vanwege parkeren zonder geldige vergunning op drie momenten in juni 2025. Eiser had tijdelijk het kenteken van een leenauto op zijn parkeervergunning geregistreerd en was vergeten dit te wijzigen na terugkeer van zijn eigen auto. Hierdoor parkeerde hij feitelijk zonder vergunning en was hij de parkeerbelasting verschuldigd.

Eiser voerde aan dat de cumulatie van drie naheffingsaanslagen voor een eenmalige vergissing zonder opzet een onevenredige financiële last vormde en verzocht om matiging. De rechtbank oordeelde dat naheffingsaanslagen gebonden beschikkingen zijn en dat bij meerdere constateringmomenten meerdere aanslagen terecht zijn opgelegd. De naheffingsaanslagen zijn geen boetes maar herstelmaatregelen.

De rechtbank volgde het standpunt van de heffingsambtenaar dat eiser verantwoordelijk is voor het juist registreren van het kenteken en dat eerdere coulance niet tot herhaling leidt. De beroepen werden ongegrond verklaard, en eiser kreeg het griffierecht niet terug. De uitspraak werd gedaan door rechter K.S. Man op 11 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de drie naheffingsaanslagen parkeerbelasting wegens foutieve kentekenregistratie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/4281, 25/4282 en 25/4283

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam

(gemachtigde: A. Husseini).

Inleiding

De heffingsambtenaar heeft aan eiser in de periode van 14 juni 2025 tot en met 16 juni 2025 in totaal drie naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd.
Met drie bestreden uitspraken op bezwaar van 16 juli 2025 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen van eiser tegen de bestreden uitspraken op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

1. Tijdens controles is gebleken dat het voertuig van eiser met kenteken [kenteken] stond geparkeerd ter hoogte van:
- [adres] op 14 juni 2025 om 13:44 uur;
- [adres] op 16 juni 2025 om 10:54 uur;
- [adres] op 16 juni 2025 om 16:02 uur,
telkens zonder dat de parkeerbelasting was voldaan die is verschuldigd voor parkeren op die plaats in Amsterdam op die tijdstippen. De heffingsambtenaar heeft hiervoor aan eiser drie naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd.
2. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de naheffingsaanslagen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de auto van eiser op de betreffende plaatsen en tijdstippen geparkeerd stond en dat op die momenten de parkeervergunning van eiser niet op dit kenteken was geregistreerd. Eiser was daarom parkeerbelasting verschuldigd. Vast staat dat eiser deze niet heeft betaald.
4. Eiser voert aan dat hij tijdelijk het kenteken van een leenauto op zijn parkeervergunning had geregistreerd en is vergeten het kenteken te wijzigen nadat hij op 14 juni 2025 zijn auto terug had na onderhoud.
5. De rechtbank overweegt dat van parkeren met een vergunning alleen sprake is als wordt voldaan aan alle voorwaarden waaronder de vergunning is verleend. Is aan één of meer van deze voorwaarden niet voldaan, dan is geparkeerd zonder vergunning. [1] Het is de verantwoordelijkheid van eiser om na te gaan of zijn parkeervergunning geldig is en dat het juiste kenteken staat geregistreerd. Vaststaat dat eiser heeft geparkeerd met zijn eigen auto, terwijl het kenteken van de leenauto nog was geregistreerd op zijn parkeervergunning. Daardoor is feitelijk zonder vergunning geparkeerd en had eiser de belasting voor het parkeren op straat moeten voldoen. Dat is niet gebeurd. Dat eiser is vergeten het kenteken te wijzigen, komt voor zijn rekening en risico. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat aan eiser op 25 april 2024 reeds eenmalig coulance is verleend; ook toen was het verkeerde kenteken aan de parkeervergunning gekoppeld. Eiser was een gewaarschuwd mens. Het is niet de bedoelding dat coulance bij een nieuwe constatering opnieuw wordt toegepast. De rechtbank kan dit standpunt van de heffingsambtenaar volgen.
6. Volgens eiser vormt de cumulatie van drie naheffingsaanslagen in drie dagen voor een eenmalige vergissing zonder opzet, een onevenredige financiële last. Eiser verzoekt daarom de drie naheffingsaanslagen te vernietigen dan wel op basis van redelijkheid en billijkheid te matigen tot één naheffingsaanslag.
6.1.
De rechtbank overweegt dat het gerechtshof Amsterdam en het gerechtshof Den Haag [2] een soortgelijke stelling al hebben verworpen. Naheffingsaanslagen zijn zogeheten gebonden beschikkingen. Dit betekent dat uit de wetgeving voortvloeit dat, indien een belastbaar feit zich voordoet, de belasting verschuldigd is. Bij drie controlemomenten is geconstateerd dat eiser geen parkeergeld heeft betaald. Het is niet onevenredig dat daarvoor drie afzonderlijke naheffingsaanslagen zijn opgelegd.
6.2.
Eiser betoogt dat hij de cumulatie van naheffingsaanslagen als een boete ervaart. De naheffingsaanslag is echter geen straf, maar een herstelmaatregel: een belasting vermeerderd met een bedrag om de kosten goed te maken die met de oplegging ervan zijn gemoeid. Daarbij maakt het niet uit of eiser al dan niet met opzet geen parkeergeld heeft betaald. De rechtbank gaat er overigens van uit dat bij eiser van opzet geen sprake was.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser heeft geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten gemaakt.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter,
in aanwezigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 17 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3336, overweging 3.
2.Zie op rechtspraak.nl de uitspraken ECLI:NL:GHDHA:2022:1780 (dertien naheffingsaanslagen) en ECLI:NL:GHAMS:2022:3698 (vijf naheffingsaanslagen).