Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2438

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
AMS 26/1101
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ongeldigverklaring rijbewijs door CBR

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het CBR om zijn rijbewijs ongeldig te verklaren vanaf 5 maart 2026. Hij stelt dat hij vrijwel volledig afhankelijk is van zijn motor voor verplaatsingen binnen en buiten Amsterdam, omdat het openbaar vervoer voor hem geen goed alternatief is. Ook heeft hij een geplande reis naar Zuid-Italië waar openbaar vervoer vrijwel ontbreekt.

De voorzieningenrechter heeft verzoeker verzocht om een nadere onderbouwing van het spoedeisend belang, waarop verzoeker en het CBR hebben gereageerd. Na beoordeling concludeert de voorzieningenrechter dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van onverwijlde spoed.

De gevolgen van het besluit zijn niet van dien aard dat de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de ongeldigverklaring van het rijbewijs wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/1101

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen., het CBR

(gemachtigde: mr. E. van Pernis-van de Wal).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het CBR om zijn rijbewijs ongeldig te verklaren. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Met het bestreden besluit van 26 februari 2026 heeft het CBR het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard vanaf 5 maart 2026. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het bestreden besluit te schorsen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft op 2 maart 2026 aan verzoeker verzocht een nadere onderbouwing te geven van het spoedeisend belang. Ook heeft de voorzieningenrechter aan het CBR een reactie gevraagd op het verzoek van verzoeker.
1.3.
Verzoeker heeft op 2 maart 2026 een nadere onderbouwing van het spoedeisend belang gegeven. Het CBR heeft op 4 maart 2026 gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft op 5 maart 2026 gereageerd op het verweerschrift.
1.4.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3. Verzoeker voert aan dat hij in zijn dagelijks leven vrijwel volledig afhankelijk is van zijn motor voor alle verplaatsingen binnen en buiten Amsterdam, omdat het openbaar vervoer voor hem praktisch geen goed alternatief is. Dit komt door langere reistijden, overstappen en beperkte beschikbaarheid in avonden en weekenden. Ondanks dat verzoeker relatief dicht bij zijn werk woont, geldt dit ook voor zijn woon-werkverkeer. Zonder rijbevoegdheid verliest verzoeker daardoor zijn mobiliteit, wat zijn sociale en persoonlijke leven ernstig beperkt. Daarnaast heeft verzoeker een reis naar Zuid-Italië gepland waar vrijwel geen openbaar vervoer is en hij zonder rijbewijs afhankelijk is van anderen. Hoewel verzoeker theoretisch weer rijlessen kan volgen, herstelt dit zijn rijbevoegdheid niet op korte termijn. Dit maakt het voor verzoeker onmogelijk om de bezwaarprocedure af te wachten zonder groot persoonlijk nadeel.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker met de omstandigheden die hij naar voren heeft gebracht, niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een spoedeisend belang. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de gevolgen van het bestreden zo groot of onomkeerbaar zijn, dat verzoeker niet de bezwaarprocedure kan afwachten.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.