Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2475

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
C/13/781551 / HA RK 26-10
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens ontbreken objectief gerechtvaardigde vooringenomenheid rechter

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. B.T. Beuving, rechter in een procedure bij de kantonrechter waarin verzoeker medehuurder wilde worden. Het verzoek was gebaseerd op de stellige en volgens verzoeker te snelle oordeelvorming van de rechter aan het begin van de mondelinge behandeling, waardoor verzoeker en zijn gemachtigde zich overvallen voelden.

De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld tijdens een openbare zitting op 24 februari 2026. Zowel verzoeker als de rechter erkenden dat de rechter aan het begin van de zitting te stellige en te snelle uitspraken had gedaan, maar de rechter had zijn voorlopige oordeel herzien en verzoeker de gelegenheid gegeven om zijn standpunten toe te lichten.

De wrakingskamer oordeelde dat hoewel verzoeker subjectief een gevoel van vooringenomenheid had, dit niet objectief gerechtvaardigd was. De rechter had voldoende ruimte geboden voor een eerlijke behandeling en de vrees voor partijdigheid was niet onderbouwd met bijzondere omstandigheden.

Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd de hoofdzaak voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het verzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen omdat de ervaren vooringenomenheid van de rechter niet objectief gerechtvaardigd is.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK Amsterdam

Wrakingskamer
zaaknummer: C/13/781551/ HA RK 26/10
Beslissing van 24 februari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]wonende te [woonplaats]
gemachtigde: mr. Y. Sasson
hierna te noemen: verzoeker
strekkende tot de wraking van
mr. B.T. Beuving
rechter in deze rechtbank hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 december 2025, waarin het wrakingsverzoek is opgenomen;
  • de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 19 december 2025;
  • de reactie van de rechter.
Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 24 februari 2026. Verzoeker vergezeld van zijn gemachtigde, en de rechter zijn verschenen. Daarnaast zijn als toehoorder verschenen de heer [naam] van stichting Stadgenoot en mr. S.J.M. Verhoeven, wederpartij in de hoofdzaak.
De wrakingskamer heeft ter zitting mondeling uitspraak gedaan. Deze beslissing is de schriftelijke uitwerking daarvan.

2.De feiten

2.1
Verzoeker heeft Stadgenoot betrokken in procedure bij de kantonrechter, welke zaak bij deze rechtbank bekend is onder zaaks- en rolnummer 11767194 / CV EXPL 25-8864. Verzoeker heeft in die procedure gevorderd medehuurder te worden.
3
3.1
Op 19 december 2025 heeft er een mondelinge behandeling in de zaak plaatsgevonden.

4.Het wrakingsverzoek

3.1
Aan het verzoek heeft verzoeker het volgende ten grondslag gelegd. Bij aanvang van de zitting heeft de rechter direct te kennen gegeven dat de vordering van verzoeker om meerdere redenen niet toewijsbaar zou zijn. De gemachtigde van verzoeker heeft de rechter daarop laten weten dat hij zich hierdoor overvallen en in de hoek gezet voelde. De rechter heeft vervolgens gezegd misschien te snel ter zake te zijn gekomen, zijn voorlopig oordeel geherformuleerd en voorgesteld opnieuw te beginnen. De gemachtigde had er toen echter - mede gelet op de door de rechter gebezigde toon - geen vertrouwen meer in dat hij zijn reactie op de stellingen van de rechter op een juiste manier naar voren zou kunnen brengen. Hoewel verzoeker niet uitsluit dat dit geen grond voor wraking vormt, acht hij het van belang dat een andere rechter met een frisse blik naar de zaak zal kijken.
3.2
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten, aangezien er naar zijn mening geen sprake is van een wrakingsgrond. Wel erkent hij op de mondelinge behandeling te snel ter zake te zijn gekomen en een te stellige toonzetting te hebben gebezigd en dat hij zich goed kan voorstellen dat (de advocaat van) eiser zich hierdoor overvallen voelde.

4.De beoordeling

4.1
Volgens artikel 26 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een rechter gewraakt worden als zich feiten of omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
4.2
Zowel verzoeker als de rechter zijn het er over eens dat de manier waarop de rechter de mondelinge behandeling aanving, ongelukkig was. Door direct in stellige bewoordingen zijn visie op de procesrisico’s voor verzoeker in deze zaak te geven, zonder partijen in de gelegenheid te hebben gesteld hun standpunten mondeling toe te lichten, is bij verzoeker de vrees ontstaan dat de rechter vooringenomen was. Of deze vrees ook objectief gerechtvaardigd is, moet worden beantwoord aan de hand van de algehele context.
4.3
De wrakingskamer stelt voorop dat de rechter vrij is in de inrichting van de behandeling van een zaak. Uit de griffiersaantekeningen blijkt - en door verzoeker is bevestigd - dat de rechter nadat hij door verzoeker op zijn stellige toonzetting bij aanvang van de zitting was aangesproken, opnieuw heeft willen beginnen. De rechter heeft de procesrisico’s voor verzoeker in de zaak voorzichtiger geformuleerd en verzoeker de gelegenheid geboden om hierop te reageren. Hoewel de gemachtigde van verzoeker goed heeft uitgelegd waarom hij zich op dat moment op achterstand voelde staan, constateert de wrakingskamer dat verzoeker na de ongelukkige start alle ruimte heeft gekregen om zijn standpunt naar voren te brengen en om op de geschetste procesrisico’s te reageren.
4.4
Gelet op de hiervoor weergegeven context, is naar het oordeel van de wrakingskamer de door verzoeker ervaren (subjectieve) vooringenomenheid, niet objectief gerechtvaardigd. Nu de vrees voor vooringenomenheid bij verzoeker niet wordt geobjectiveerd door de aangedragen feiten en omstandigheden, zal het verzoek tot wraking worden afgewezen.
4.5
Ter zitting van de wrakingskamer heeft de rechter er nog uitdrukkelijk op gewezen dat bij de voort te zetten mondelinge behandeling beide partijen nog twee termijnen zullen worden gegeven.

5.De beslissing

De wrakingskamer:
  • wijst het verzoek tot wraking af;
  • bepaalt dat de zaak met zaaks- en rolnummer 11767194 / CV EXPL 25-8864 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M. Patijn, voorzitter, mr. W.M. de Vries en mr. S. Djebali, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.