Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. B.T. Beuving, rechter in een procedure bij de kantonrechter waarin verzoeker medehuurder wilde worden. Het verzoek was gebaseerd op de stellige en volgens verzoeker te snelle oordeelvorming van de rechter aan het begin van de mondelinge behandeling, waardoor verzoeker en zijn gemachtigde zich overvallen voelden.
De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld tijdens een openbare zitting op 24 februari 2026. Zowel verzoeker als de rechter erkenden dat de rechter aan het begin van de zitting te stellige en te snelle uitspraken had gedaan, maar de rechter had zijn voorlopige oordeel herzien en verzoeker de gelegenheid gegeven om zijn standpunten toe te lichten.
De wrakingskamer oordeelde dat hoewel verzoeker subjectief een gevoel van vooringenomenheid had, dit niet objectief gerechtvaardigd was. De rechter had voldoende ruimte geboden voor een eerlijke behandeling en de vrees voor partijdigheid was niet onderbouwd met bijzondere omstandigheden.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd de hoofdzaak voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het verzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.