ECLI:NL:RBAMS:2026:2487

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
C/13/759950 / FA RK 24-8010
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:100 BWArt. 3:194 BWArt. 4 lid 1 Brussel I bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling huwelijksgemeenschap en eigendomsgeschil over geschonken goud na echtscheiding

Partijen zijn gehuwd in Turkije en hebben hun huwelijk in Nederland ontbonden. Zij zijn beide Nederlands en Turks staatsburger. De rechtbank behandelt verzoeken over de verdeling van de huwelijksgemeenschap, het huurrecht van de woning, een schuld aan de ouders van de vrouw en de eigendom van tijdens het huwelijksfeest geschonken goud.

De rechtbank kent het huurrecht van de woning toe aan de man. Partijen zijn het eens over de toewijzing van de nieuwbouwwoning aan de vrouw tegen een waarde van €322.500,- met ontslag van de man uit de hypotheekverplichting en verdeling van de overwaarde.

De vrouw vordert dat de man mede aansprakelijk wordt gesteld voor een schuld aan haar ouders, maar de rechtbank wijst dit af omdat het bestaan van de schuld niet is komen vast te staan. Het geschonken goud valt buiten de beperkte gemeenschap van goederen en wordt niet betrokken bij de verdeling. De rechtbank acht nadere toelichting op het toepasselijke Turkse recht noodzakelijk en houdt de behandeling van het geschil over het goud aan tot 4 juli 2026.

Uitkomst: Huurrecht toegekend aan man, woning aan vrouw toegewezen met voorwaarden, schuldvordering afgewezen, behandeling geschil over goud aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/759950 / FA RK 24-8010 (echtscheiding)
C/13/777042 / FA RK 25-7842 (verdeling)
Beschikking d.d. 4 maart 2026 betreffende de nevenvoorzieningen na echtscheiding
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. F. Özdemir-Sahin, gevestigd te Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A. Kotan, gevestigd te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Bij beschikking van 19 maart 2025 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de zaak aangehouden ten aanzien van de nevenvoorzieningen. De inhoud van voornoemde beschikking wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.
1.2.
Het verdere verloop van de procedure na voernoemde beschikking blijkt uit:
- het verweerschrift van de man op het zelfstandige verzoek van de vrouw, ingekomen op 7 mei 2025;
- het verweerschrift van de vrouw met betrekking tot het litispendentie verweer van de man van 19 mei 2025;
- het aanvullend verzoekschrift van de man met gewijzigde verzoeken, ingekomen op 8 januari 2026;
- het F9-formulier van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 9 januari 2026.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten.
1.4.
Van de zijde van de man en de vrouw zijn pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 4 augustus 2023 te [plaats 1] , Turkije. Het huwelijk is op 2 april 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 19 maart 2025 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Uit het huwelijk van partijen zijn geen (minderjarige) kinderen geboren.
2.3.
Beide partijen hebben zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit.

3.Het verzoek en verweer

3.1.
Ter beoordeling en beslissing liggen thans de navolgende verzoeken voor.
3.2.
De man verzoekt, na wijziging en aanvulling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat het huurrecht van de woning gelegen aan de [adres 1] aan de man wordt toegekend met ingang van de datum waarop de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
ten aanzien van het goud
II. primair te bepalen dat de gouden sieraden zoals opgenomen in productie 17 in zijn geheel worden toebedeeld aan de man zonder nadere verrekening met de vrouw, waarbij de vrouw het goud aan de man dient af te staan dan wel de waarde daarvan aan de man dient te vergoeden;
III. subsidiair te bepalen dat het goud bij helfte tussen partijen wordt verdeeld, waarbij de vrouw de helft hiervan met gelijke waarde aan de man dient af te staan dan wel de helft van de waarde van het goud aan de man dient te voldoen;
IV. te bepalen dat partijen dienen over te gaan tot verdeling van de woning aan de [adres 2] ;
in het geval de vrouw de woning kan overnemen
V. te bepalen dat de woning aan haar wordt toebedeeld, waarbij de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de op de woning rustende hypothecaire geldlening alsmede te bepalen dat de waarde van de woning bij overname in februari 2026 wordt bepaald op € 343.000,- en in maart 2026 wordt bepaald op € 350.000,-, dan wel een ander bedrag te bepalen dat de rechtbank juist acht;
VI. te bepalen dat de vrouw de helft van de overwaarde bij de overname van de woning aan de man dient te voldoen;
in het geval de vrouw de woning niet kan overnemen
VII. te bepalen dat de vrouw onvoorwaardelijk en volledig dient mee te werken aan de verkoop van de woning, in de breedste zin van het woord, doch in het bijzonder:
o door tezamen met de man een NVM-makelaar aan te wijzen binnen twee weken na oplevering van de woning die de verkoop van de woning zal uitvoeren waarbij de vrouw binnen één week na oplevering van de woning drie namen dient door te geven aan de man van NVM-makelaarskantoren, bij gebreke waarvan de door de man aangewezen NVM-makelaar de verkoop in gang zal zetten;
o door aan de man vervangende toestemming te verlenen teneinde de verkoop en notariële overdracht van de woning te realiseren met behulp van de gekozen makelaar, waaronder mede begrepen dat de vrouw aan de voornoemde makelaar toestemming dient te verlenen de woning te betreden, te inspecteren en foto’s te maken, indien nodig met behulp van de sterke arm, en dat de door de rechtbank af te geven beschikking mede in de plaats zal treden van de toestemming en/of handtekening van de vrouw;
o dat partijen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de onroerende goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, zullen bepalen. Indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een marktconforme prijs;
o dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover de prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar dit naar beste weten kunnen bepalen;
o dat partijen zijn gehouden mee te werken aan de verkoop en de daaropvolgende notariële overdracht;
o dat partijen zich dienen te onthouden van handelingen die de overdracht c.q. verkoop op welke wijze dan ook belemmeren, bij gebreke waarvan de vrouw een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft te voldoen aan hetgeen bovenstaand is verzocht tot een maximum van € 30.000,-;
o dat ieder der partijen gehouden is de helft te dragen van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering;
o dat na verkoop en overdracht van de woning de verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld na aftrek van de hypothecaire geldlening en de hieraan verbonden kosten;
indien de vrouw weigert haar medewerking te verlenen aan de levering van de woning
VIII. te bepalen dat de man dan wel een door de rechtbank aan te wijzen notaris (voor het ondertekenen van de eventuele verkoopovereenkomst en levering), dan wel een medewerker van de betreffende notaris en makelaar wordt aangewezen als vertegenwoordiger van de vrouw;
IX. te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van een in wettige vorm opgemaakte akte, strekkende tot ondertekening door de vrouw voor de overdracht alsmede tot het notarieel transport van de woning, indien de vrouw weigert de levering te tekenen en/of op het door de notaris vastgestelde tijdstip niet verschijnt, ofwel zijnde verschenen weigert aan de levering dan wel aan hetgeen de notaris voor de levering noodzakelijk acht haar medewerking te verlenen.
3.3.
De vrouw voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man, behoudens het verzoek ten aanzien van het huurrecht. De vrouw verzoekt zelfstandig, na wijziging en aanvulling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het huurrecht van de echtelijke woning toe te kennen aan de man;
II. primair te bepalen dat het goud toekomt aan de vrouw;
III. subsidiair te bepalen dat het goud is geconsumeerd;
IV. de koopwoning toe te wijzen aan de vrouw tegen € 315.000,- met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de hypotheekverstrekker en verdeling van de overwaarde bij helfte;
V. de man draagplichtig te verklaren voor de helft van de schulden aan de ouders van de vrouw (€ 7.109,-).
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Huurrecht echtelijke woning
4.1.1.
De man verzoekt te bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning, gelegen aan de [adres 1] , aan hem wordt toegekend met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.
4.1.2.
De vrouw voert geen verweer tegen het verzoek van de man en verzoekt zelfstandig te bepalen dat het huurrecht aan hem wordt toegekend.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.3.
De woning is in Nederland gelegen. Op grond van artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek van de man ter zake van het huurrecht van de echtelijke woning.
4.1.4.
De rechtbank zal op deze verzoeken Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
4.1.5.
De rechtbank zal de verzoeken, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.
4.2.
Verdeling
4.2.1.
Beide partijen hebben verzoeken gedaan ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.2.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding op grond van artikel 3, aanhef, sub a onder i Brussel II-ter, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening Huwelijksvermogensstelsels).
4.2.3.
De rechtbank gaat voor de bepaling van het toepasselijk recht uit van het volgende. Voor de bepaling welk verdrag dan wel welke verordening van toepassing is, dient te worden gekeken naar de huwelijksdatum. Omdat het huwelijk van partijen is gesloten ná 29 januari 2019 – namelijk op 4 augustus 2023 – is de Verordening Huwelijksvermogensstelsels van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
4.2.4.
Niet is gesteld of anderszins de rechtbank gebleken dat partijen ten aanzien van het huwelijksvermogensregime een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Op grond van artikel 26, eerste lid, onder a van de Verordening Huwelijksvermogensstelsels wordt het huwelijksvermogensstelsel van partijen beheerst door het Nederlandse recht, nu partijen na de huwelijkssluiting hun eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben gevestigd in Nederland.
Huwelijksvermogensregime
4.2.5.
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden opgesteld en zij zijn getrouwd na 1 januari 2018. Gelet op artikel 1:93 en Pro 1:94, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden aangenomen dat tussen partijen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt.
4.2.6.
Tot de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen behoren op grond van artikel 1:94 lid 2 en Pro lid 7 BW alle goederen die al vóór het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder (of samen) tijdens het huwelijk en vóór de peildatum hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfenissen en giften, maar ook pensioenrechten die al op basis van de wet moeten worden verevend. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren vóór het huwelijk en alle schulden die zij ieder (of samen) tijdens het huwelijk en vóór de peildatum zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren.
4.2.7.
De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren (HR 17 april 1998, NJ 1999, 550).
Peildatum voor de samenstelling
4.2.8.
Als peildatum voor de samenstelling van de huwelijksgemeenschap geldt de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank is ingediend. Het verzoekschrift is op 20 november 2024 ingediend, zodat in beginsel alle goederen die partijen op die datum (de zogenaamde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).
Peildatum voor de waardering
4.2.9.
De peildatum voor de waardering is de datum waarop de verdeling plaatsvindt, dan wel een datum zo dicht mogelijk gelegen bij dat moment, te weten de datum van de beschikking. De banksaldi en schulden worden gewaardeerd tegen de datum waarop de wettelijke beperkte gemeenschap is ontbonden, te weten 20 november 2024.
Samenstelling van de gemeenschap
4.2.10.
Gelet op de hiervoor genoemde datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap moet voor de verdeling gekeken worden naar de goederen en de schulden die op 20 november 2024 aanwezig waren. Partijen hebben in dit verband de hieronder genoemde bestanddelen opgevoerd:
de (nieuwbouw)woning gelegen aan de [adres 2] ;
de annuïteitenhypotheek gekoppeld aan de (nieuwbouw)woning.
4.2.11.
Partijen twisten over de vraag of een schuld aan de ouders van de vrouw en het goud dat is geschonken op hun huwelijksfeest deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap.
Ad a en b: de woning en daaraan gekoppelde annuïteitenhypotheek
4.2.12.
Vaststaat dat partijen eigenaar zijn van de (nieuwbouw)woning gelegen aan de [adres 2] . De vrouw wenst de woning over te nemen. De man heeft hier geen bezwaar tegen. Tussen partijen is echter in geschil tegen welke waarde de woning aan de vrouw dient te worden toebedeeld.
4.2.13.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over de (nieuwbouw)woning. Zij zijn met elkaar overeengekomen dat de woning tegen een waarde van € 322.500,- aan de vrouw zal worden toebedeeld, onder de (opschortende) voorwaarde dat de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening zal worden ontslagen. Voorts zijn partijen met elkaar overeengekomen dat de notariskosten gemoeid met de overdracht van de woning door partijen bij helfte worden gedragen. De rechtbank zal overeenkomstig de overeenstemming van partijen beslissen.
4.2.14.
Nu beide partijen hebben verzocht te bepalen dat de woning aan de vrouw zal worden toebedeeld onder de verplichting om aan de man de helft van de overwaarde (zijnde het verschil tussen de overeengekomen waarde van € 322.500,- verminderd met de hypothecaire geldlening op het moment van de notariële overdracht) te voldoen, zal de rechtbank volledigheidshalve ook deze overeenstemming van partijen in het dictum opnemen.
4.2.15.
De schuld aan de ouders van de vrouw
Litispendentie
4.2.16.
De man stelt dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 12 Rv Pro het verzoek van de vrouw, met betrekking tot de schuld aan haar ouders, dient aan te houden. De vrouw heeft dit verzoek namelijk op 25 november 2024 eerst bij de Turkse rechter ingediend. Daarna heeft de vrouw – op 11 maart 2025 – pas eenzelfde verzoek bij de Nederlandse rechter ingediend. Aangezien het verzoek van de vrouw in de Nederlandse procedure aldus later is ingediend dan het verzoek van de vrouw in de Turkse procedure, dient het verzoek volgens de man te worden aangehouden.
4.2.17.
De vrouw voert primair aan dat het beroep van de man op litispendentie tardief is en in strijd met de goede procesorde. De schulden zijn direct verbonden met de huwelijksgemeenschap, waarvoor de man in eerste instantie heeft gekozen voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
De vrouw voert subsidiair aan dat het litispendentieverweer van de man dient te worden afgewezen nu de Nederlandse rechter nog steeds bevoegd is. De vrouw verwijst in dit kader naar artikel 4 lid 3 Rv Pro, artikel 827 lid 1 sub c Rv Pro en artikel 5 Verordening Pro Huwelijksvermogensstelsels.
Inhoudelijke beoordeling
4.2.18.
De rechtbank is uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken het volgende gebleken. Op 20 november 2024 heeft de man bij deze rechtbank de onderhavige echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt. Vervolgens is de vrouw op 25 november 2024 bij de familierechtbank van [plaats 2] in Turkije een echtscheidingsprocedure gestart. De procedure in Nederland is aldus eerder ingesteld dan de procedure in Turkije. Partijen hebben desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat de overlap in de procedures is gelegen in de verzochte echtscheiding (welke inmiddels op 19 maart 2025 op verzoek van beide partijen door deze rechtbank is uitgesproken) en het verzoek van de vrouw ten aanzien van de schuld aan haar ouders. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verder verklaard dat de procedure in Turkije nog loopt en er tot op heden geen zittingsdatum is gepland.
4.2.19.
Turkije is geen partij bij Brussel II-ter zodat de artikelen in die verordening met betrekking tot litispendentie niet van toepassing zijn. Turkije en Nederland zijn wel beiden partij bij het CIEC-Verdrag van Luxemburg inzake de erkenning van beslissingen betreffende de huwelijksband van 8 september 1967, Trb. 1979, nr. 130 (verder te noemen het Luxemburgse Verdrag). Volgens artikel 10 van Pro het Luxemburgse Verdrag onthoudt de autoriteit van één van de Verdragsluitende Staten zich ambtshalve van het nemen van een beslissing ten gronde onder meer over een bij haar ingestelde vordering betreffende het ontbinden van de huwelijksband, als tevoren bij een autoriteit van een andere Verdragsluitende Staat een vordering is ingesteld met betrekking tot hetzelfde onderwerp en tussen dezelfde partijen, handelend in dezelfde hoedanigheid. De autoriteit bij wie de zaak als laatste aanhangig is gemaakt, is evenwel bevoegd uitstel van tenminste een jaar te bepalen, aan het einde waarvan zij een beslissing kan nemen indien met betrekking tot de eerder ingestelde vordering nog geen beslissing ten gronde is gegeven.
4.2.20.
Naar het oordeel van de rechtbank is de Nederlandse rechter bevoegd en kan hij beslissingen ten gronde nemen zonder de beslissingen van de Turkse rechter af te wachten. Daargelaten dat partijen in de procedures in Nederland en Turkije handelen in verschillende hoedanigheden – in Turkije is de vrouw verzoekende partij, in Nederland de man – is immers de man in Nederland eerst in Nederland de echtscheidingsprocedure gestart, inclusief, al in het verzoekschrift, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, welke gemeenschap goederen en schulden kan omvatten.
4.2.21.
Bovendien is er inmiddels meer dan één jaar verstreken sinds de vrouw het van verzoek in Turkije heeft ingediend. Ook op grond van het verstrijken van de eenjaarstermijn, genoemd in het tweede lid van artikel 10 van Pro het Luxemburgse Verdrag, acht de rechtbank zich daarom bevoegd om een beslissing ten gronde te nemen.
De verzoeken over en weer
4.2.22.
De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat beide partijen draagplichtig zijn voor de schuld aan haar ouders ter hoogte van € 14.218,-. De vrouw stelt dat partijen meerdere keren gedurende het huwelijk geld hebben moeten lenen van haar ouders, welke lening partijen dienen terug te betalen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw een nieuwe grondslag voor haar verzoek naar voren gebracht, namelijk dat er sprake is van een schuld van partijen uit hoofde van onverschuldigde betaling door de ouders van de vrouw.
4.2.23.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek van de vrouw. De man voert aan dat hij uitdrukkelijk betwist dat partijen geld hebben geleend van de ouders van de vrouw. De man is niet bekend met de schuld en volgens hem heeft de vrouw het bestaan van de schuld ook onvoldoende onderbouwd. Verder bestaat er een discrepantie tussen de verzoeken die de vrouw in Nederland en Turkije heeft ingediend. Zo stelt de vrouw in Nederland dat de schuld € 14.218,- bedraagt en stelt zij in Turkije dat de schuld € 12.500,- bedraagt waarop de man al € 1.000,- heeft afgelost. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de schuld wel bestaat dan voert de man aan dat de vermeende schuld al vóór de peildatum is terugbetaald. Dit volgt namelijk uit het door de vrouw ingediende verzoekschrift in Turkije (productie 3 van de man onder randnummer 17).
Inhoudelijke beoordeling
4.2.24.
Zoals volgt uit de hoofdregel van artikel 1:100 BW Pro hebben echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap. Uit lid 2 van dit artikel volgt dat voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze worden gedragen door beide echtgenoten ieder voor een gelijk aandeel, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van partijen wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW Pro een regresrecht op de andere partij.
4.2.25.
De rechtbank overweegt dat partijen uiteenlopende opvattingen hebben over het bestaan van de door de vrouw gestelde schuld uit hoofde van lening aan haar ouders. Hoewel uit de stukken van de vrouw volgt dat partijen bedragen van haar ouders hebben ontvangen, kan de rechtbank niet vaststellen dat er sprake is van een lening die dient te worden terugbetaald. Zo heeft de vrouw geen ondertekende schuldbekentenissen overgelegd en ook blijkt niet op enigerlei andere wijze uit de overschrijvingsbewijzen dat het leningen betreffen. Ook in het door de vrouw overgelegde transcript van een telefoongesprek dat volgens haar door de man en de vader zou zijn gevoerd, wordt het woord “lening” of “leningen” niet gebruikt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw gesteld dat zij inmiddels € 2.000,- heeft afgelost, maar enige verificatoire bescheiden ter onderbouwing van haar stelling heeft de vrouw niet overgelegd. Ook daaruit kan de rechtbank niet afleiden of er daadwerkelijk sprake is van een schuld aan de ouders van de vrouw die partijen moeten terugbetalen.
4.2.26.
Slechts wanneer partijen het eens zijn over het bestaan van een schuld of wanneer een schuld anderszins (door tussenkomst van een rechter) in rechte is komen vast te staan, kan de rechtbank een oordeel geven over de onderlinge draagplicht van partijen ten aanzien van die betreffende schuld. Nu partijen juist hierover twisten en – zoals hiervoor is overwogen – uit de door de vrouw ingediende producties voor de rechtbank niet blijkt dat er sprake is van een schuld, kan de rechtbank op dit punt geen oordeel geven. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw het bestaan van de schuld naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft eveneens onvoldoende onderbouwd dat er sprake zou zijn van een schuld uit hoofde van onverschuldigde betaling. Deze stelling is overigens, zonder nadere toelichting die niet is gegeven, niet verenigbaar met de stelling dat er geld is geleend. Nu het bestaan van de schuld (op de peildatum) niet is komen vast te staan, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen.
4.3.
Het goud
4.3.1.
De man verzoekt primair te bepalen dat het goud aan hem wordt toebedeeld op grond van artikel 3:194 lid 2 BW Pro. Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt de man dat de vrouw het goud opzettelijk verborgen houdt. Zo ontkende de vrouw eerst het bestaan van de kluis, maar in haar laatste verweerschrift erkent de vrouw dat er sprake is geweest van een kluisbezoek. De vrouw beschikt als enige over de sleutel van de kluis en de man heeft begrepen dat de vrouw – zonder zijn toestemming – al het goud uit de kluis heeft meegenomen. Aldus heeft de vrouw haar aandeel op grond van artikel 3:194 lid 2 BW Pro verbeurt en dient zij het goud af te staan aan de man dan wel de gelijke waarde hiervan aan de man te vergoeden.
Subsidiair verzoekt de man te bepalen dat het goud bij helfte wordt verdeeld tussen partijen. Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt de man dat het goud aan partijen is geschonken tijdens hun huwelijksfeest, welk feest heeft plaatsgevonden na de voltrekking van het (burgerlijk) huwelijk. Daarmee bestond er tussen partijen reeds een gemeenschap van goederen, hetgeen ertoe leidt dat het goud in de gemeenschap is gevallen en in beginsel bij helfte moet worden verdeeld. Nu de vrouw de beschikking heeft over het goud, dient zij de helft hiervan met gelijke waarde aan de man af te staan dan wel de helft van de waarde van het goud aan de man te vergoeden.
4.3.2.
De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man. Zij voert primair aan dat het niet de man is geweest, maar de vrouw die het goud geschonken heeft gekregen in overeenstemming met de Turkse traditie. Uit de overgelegde foto’s volgt immers dat de vrouw het goud – dat specifiek aan haar is geschonken – om heeft. Aldus valt het geschonken goud buiten de beperkte gemeenschap van goederen en komt het niet voor verdeling in aanmerking. De vrouw verzoekt de rechtbank daarom te bepalen dat het goud aan haar toekomt.
De vrouw voert subsidiair aan dat, voor zover de rechtbank meent dat het goud toch gemeenschappelijk is, er geen goud meer voorhanden is om te verdelen. Partijen hebben het goud verkocht en geconsumeerd voor hun dure (huwelijks)reis en de fertiliteitsbehandelingen die zij hebben ondergaan. Het goud was zelfs te weinig, waardoor partijen geld hebben geleend van de ouders van de vrouw. Op 22 augustus 2024 hebben partijen samen in Turkije het goud uit de kluis gehaald. Aldus is de man ermee bekend dat het goud op is. De vrouw verzoekt de rechtbank subsidiair te bepalen dat het goud is geconsumeerd. Zij bestrijdt bovendien de juistheid van productie 17 van de man.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.3.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen vaststaat dat het goud als gift door familieleden tijdens hun huwelijksfeest is geschonken.
Artikel 1:94 BW Pro
4.3.4.
Op grond van artikel 1:94, eerste lid, sub a BW zijn giften uitgezonderd van de beperkte gemeenschap van goederen (vgl. Kamerstukken II 2014/15, 33987, nr. 6, p. 16 (Gewijzigde MvT)). Daarmee komt de rechtbank tot het oordeel dat het goud – dat als gift is geschonken – in ieder geval geen onderdeel uitmaakt van de beperkte gemeenschap van goederen van partijen. De rechtbank betrekt het goud daarom niet bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap.
Artikel 3:194 BW Pro
4.3.5.
Evenwel brengt het oordeel van de rechtbank onder rechtsoverweging 4.3.4 met zich mee dat het beroep van de man op artikel 3:194 lid 2 BW Pro niet slaagt. Immers is artikel 3:194 BW Pro enkel van toepassing op bijzondere gemeenschappen, waar het goud aldus geen onderdeel van uitmaakt. De rechtbank zal dit verzoek van de man daarom afwijzen.
Rechtsmacht
4.3.6.
Omdat partijen ook de Turkse nationaliteit hebben zal de rechtbank zich eerst ambtshalve uitlaten over de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is ten aanzien van de voorliggende verzoeken van partijen met betrekking tot het goud. Daarbij is het voor de rechtbank van belang te bepalen welk type verzoeken worden gedaan, namelijk of het een verzoek is gebaseerd op een zakelijk recht of op een persoonlijk recht. Het verschil bestaat hierin, dat een zakelijk recht werking heeft tegenover iedereen, terwijl een persoonlijk recht alleen tegenover de schuldenaar geldend kan worden gemaakt (zie Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:688). Dit is nodig om de toepasselijke IPR-rechtsbron te kunnen bepalen.
4.3.7.
De rechtbank is van oordeel dat de verzoeken van partijen zien op een zakelijk recht. Zo strekt het verzoek van de man tot het vaststellen van een verdeling van het goud door de rechter, en strekt het verzoek van de vrouw tot de vaststelling van de eigendomssituatie van het goud.
4.3.8.
Dit brengt met zich mee dat het onderhavige geschil niet valt onder het materiële toepassingsbereik van de Verordening Huwelijksvermogensstelsels nu het geen vermogensrechtelijke betrekking betreft die ten gevolge van het huwelijk of de ontbinding daarvan, tussen de echtgenoten onderling of tussen de echtgenoten en derden, is ontstaan.
4.3.9.
Geschillen over roerende zaken vallen wel onder de materiële werkingssfeer van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2012, L 351, zoals laatstelijk gewijzigd op 26 november 2014, PbEU 2015, L 54 (hierna Brussel I bis). Dergelijke geschillen zijn immers aan te merken als burgerlijke en handelszaken als bedoeld in artikel 1 lid 1 Brussel Pro I bis omdat deze geschillen hun oorsprong vinden in het algemene vermogensrecht. De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 4 lid 1 Brussel Pro I bis rechtsmacht nu beide partijen in Nederland woonachtig zijn.
Toepasselijk recht
4.3.10.
Vervolgens moet worden beoordeeld welk recht moet worden toegepast. Er is geen internationale regeling die het toepasselijk recht aanwijst zodat de rechtbank terugvalt op Boek 10 BW. Artikel 10:127 lid 1 BW Pro bepaalt dat het goederenrechtelijke regime met betrekking tot een zaak wordt beheerst door het recht van de staat op welk grondgebied de zaak zich bevindt.
4.3.11.
Tussen partijen is niet in geschil dat het goud zich in Turkije bevindt en zich daar ook altijd heeft bevonden. Aldus komt de rechtbank tot het oordeel dat op het voorliggende geschil Turks recht van toepassing is.
Turks recht
4.3.12.
De rechtbank dient, gelet op de voorliggende verzoeken van partijen, de vraag te beantwoorden hoe het goud dat tijdens het huwelijksfeest is geschonken in vermogensrechtelijke zin gekwalificeerd moet worden; als persoonlijk vermogen van de vrouw of als mede-eigendom (eenvoudige gemeenschap) van beide partijen. Hieronder zal de rechtbank de relevante Turkse wet- en regelgeving uiteenzetten.
Turks Burgerlijk Wetboek
4.3.13.
Het Turkse Burgerlijk Wetboek (TBW) kent als wettelijk huwelijksgoederenregime een zogenaamd deelgenootschap in vermogensopbouw. Dit wettelijke huwelijksgoederenregime houdt – kort weergegeven – het volgende in. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de verwervingen en het persoonlijk vermogen van ieder van de echtgenoten (art. 218 TBW Pro). Het vermogen van iedere echtgenoot bestaat uit twee deelvermogens, de verwervingen en het persoonlijk vermogen, zodat in totaal vier vermogens te onderscheiden zijn. Als verwervingen worden beschouwd de tijdens dit deelgenootschap om baat verworven vermogensbestanddelen, in het bijzonder: de inkomsten uit arbeid, sociale verzekeringen, uitkeringen wegens verlies aan arbeidsvermogen, inkomsten uit persoonlijk vermogen, vervangende vermogensbestanddelen (art. 219 TBW Pro). Tot het persoonlijk vermogen behoren op grond van de wet: de ten huwelijk aangebrachte en staande huwelijk door erfrecht of schenking verworven vermogensbestanddelen, de voor persoonlijk gebruik bestemde goederen, vorderingen uit immateriële schadevergoeding en de vervangende vermogensbestanddelen (art. 220 TBW Pro). Iedere echtgenoot beheert zijn eigen vermogen en beschikt daarover. Bij echtscheiding vindt een financiële afrekening (de vereffening) plaats voor wat betreft hetgeen tijdens het huwelijk is verworven. Iedere echtgenoot is rechthebbende op de helft van de aan de andere echtgenoot toebehorende nettowaarde van diens verwervingen (artikel 236 TBW Pro). Alle vorderingen worden uiteindelijk tegenover elkaar gezet en in voorkomend geval verrekend. De nettowaarde is de waarde die overblijft nadat de totale waarde van de verwervingen van elk der echtgenoten is verminderd met de op deze goederen rustende schulden (artikel 231 TBW Pro). Het persoonlijk vermogen wordt hierbij in beginsel niet betrokken.
4.3.14.
In het TBW is de gemeenschappelijke eigendom (eenvoudige gemeenschap) geregeld in artikel 688-703 TBW. De verdeling van het gemeenschappelijk eigendom is meer specifiek geregeld in de artikelen 698, 699 en 703 TBW. Hieruit volgt – kort samengevat – dat partijen een gelijk aandeel hebben in de eenvoudige gemeenschap en dat zij ieder kunnen verzoeken om verdeling daarvan.
Turkse jurisprudentie
4.3.15.
Over het goud dat wordt geschonken tijdens een bruiloft zijn in het TBW geen specifieke bepalingen te vinden maar wel in de Turkse rechtspraak. Voorheen gold als uitgangspunt dat alle geschonken gouden sieraden toebehoorden aan de vrouw, tenzij de man kon bewijzen dat het uitsluitend aan hem was geschonken (zie bijvoorbeeld Yargitay, 19 november 2018 en 2017/1769 C. 2018/13037 D). Het Turkse Hooggerechtshof heeft echter bij beslissing van 4 april 2024, 2023/5704 C, 2024/2402 D een nieuwe benadering gevolgd, waarbij wordt erkend dat ook de man rechten heeft op sieraden die bij het huwelijk zijn geschonken en op voorwerpen die in een gezamenlijke kluis zijn geplaatst. Uit voornoemde uitspraak van het Turkse Hooggerechtshof kunnen de volgende regels worden afgeleid:
  • Is er sprake van een overeenkomst tussen partijen over de verdeling van de bruiloftssieraden en het goud? Zo ja, dan wordt het goud volgens de overeenkomst verdeeld;
  • Kan een van de partijen een lokale gewoonte of gebruiken bewijzen over de wijze waarop het goud dient te worden verdeeld? Zo ja, dan wordt het goud overeenkomstig de lokale gewoonte en gebruiken verdeeld;
  • Sieraden die specifiek voor één geslacht zijn bedoeld, behoren toe aan de desbetreffende echtgeno(o)t(e), ongeacht aan wie ze geschonken zijn;
  • Anderszins behoren alle sieraden die aan een specifieke echtgeno(o)t(e) zijn geschonken, toe aan die echtgenoot;
  • Sieraden die in een gezamenlijke kluis zijn geplaatst (indien niet geslachtsspecifiek) worden beschouwd als gezamenlijk eigendom van de echtgenoten en dienen te worden verdeeld.
Inhoudelijke beoordeling van het Turkse recht
4.3.16.
De rechtbank overweegt dat zij zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd acht om een beslissing te kunnen nemen ten aanzien van het goud. Tijdens de mondelinge behandeling, noch in de stukken zijn de voorliggende verzoeken in het licht van de inhoud van het Turkse recht toegelicht.
4.3.17.
De rechtbank acht daarom nader partijdebat noodzakelijk. De rechtbank zal dan ook de behandeling van de verzoeken ten aanzien van het goud aanhouden en partijen alsnog in de gelegenheid stellen zich nader uit te laten en standpunten in te nemen over de eigendomssituatie van het goud, en de eventueel hieruit volgende verzoeken, op basis van Turks recht. De rechtbank zal de procedure pro forma aanhouden voor een periode van drie maanden, te weten
tot 4 juli 2026.

5.De beslissing

De rechtbank:
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/759950 / FA RK 24-8010
5.1.
bepaalt dat de man huurder zal zijn van de woning aan het adres [adres 1] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
5.2.
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/777042 / FA RK 25-7842
5.4.
stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat de woning aan de vrouw wordt toebedeeld tegen een waarde van € 322.500,-, onder de verplichting dat de man wordt ontslagen uit de verplichtingen van de hypothecaire geldlening en onder de verplichting dat de vrouw de helft van de overwaarde van de woning aan de man zal voldoen;
5.5.
verstaat dat partijen zijn overeengekomen dat de notariskosten gemoeid met de overdracht van de woning door partijen bij helfte zullen worden voldaan;
5.6.
verklaart de beslissing onder 5.4 en 5.5 uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders verzochte met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap af;
5.8.
stelt (de advocaten van) partijen in de gelegenheid om
uiterlijk 3 juli 2026de rechtbank schriftelijk te informeren over hun standpunten wat betreft de eigendomssituatie van het goud – en de eventuele hieruit volgende verzoeken met betrekking tot het goud – op basis van Turks recht;
5.9.
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het goud aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.L. Mulder op 4 maart 2026. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv Pro openlijk bekend is gemaakt.