In deze civiele zaak vordert eiser betaling van een gebruiksvergoeding voor een CTP-machine en bijkomende kosten van gedaagden. Gedaagde 2 moest bewijzen dat zij op 20 november 2020 was gestopt met het gebruik van de machine, maar slaagde hier niet in. De enige overgelegde factuur voldeed niet als voldoende bewijs, mede doordat getuigenverklaringen ontbraken en de factuur onduidelijkheden bevatte.
De rechtbank oordeelde dat het gebruik van de CTP-machine niet eerder dan 31 december 2020 was gestaakt, waardoor geen grond bestond voor vermindering van de gebruiksvergoeding. Gedaagden werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 28.335,83 plus 12% contractuele rente vanaf 1 januari 2025.
Daarnaast werd een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.058,36 toegewezen, conform het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten, met wettelijke rente. Gedaagden werden ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 5.258,21. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.