ECLI:NL:RBAMS:2026:2546

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/13/773576 / HA ZA 25-1362
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 ABVArt. 35 ABVArt. 6:119 BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 5 lid 3 Wwft
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bank mocht beëindiging bankrelaties en registratie in Intern Verwijzingsregister handhaven

Eiser, bestaande uit een onderneming en haar bestuurder/aandeelhouder, vordert dat ING de bankrelaties met hen in stand houdt en hun gegevens verwijdert uit het Intern Verwijzingsregister (IVR). ING had na een klantonderzoek twijfels over de geldstromen en contante opnames en besloot de bankrelaties te beëindigen en de gegevens in het IVR op te nemen.

De rechtbank overweegt dat ING op grond van de Algemene Bankvoorwaarden bevoegd is de bankrelaties op te zeggen, mits dit niet onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. ING heeft haar onderzoeksplicht op grond van de Wwft uitgevoerd en gegronde twijfels geuit over mogelijke witwaspraktijken. Eiser kon deze twijfels onvoldoende wegnemen, mede vanwege het ontbreken van volledige documentatie en het niet overtuigend onderbouwen van het gebruik van een andere bankrekening.

De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af, oordeelt dat de beëindiging van de bankrelaties gerechtvaardigd was en dat de registratie in het IVR rechtmatig blijft. Eiser wordt hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten en de wettelijke rente, met uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en bevestigt dat ING de bankrelaties mocht beëindigen en de registratie in het Intern Verwijzingsregister mocht handhaven.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/773576 / HA ZA 25-1362
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
1.
[eiser 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.
[eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisers,
hierna te noemen: [eiser 1] (1) en [eiser 2] (2) en samen (in enkelvoud) [eiser] ,
advocaat: mr. J-F. Grégoire,
tegen
de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
hierna te noemen: ING,
advocaat: mr. D.A. Apperloo.

1.De zaak en de beslissing van de rechtbank in het kort

1.1.
[eiser 1] is een onderneming die zich bezighoudt met uitzendwerkzaamheden, onderhoudswerkzaamheden aan groenvoorzieningen en openbare ruimten, het (laten) uitvoeren van grondwerkzaamheden en bouw- en straatwerkzaamheden. [eiser 2] is enig bestuurder en aandeelhouder van [eiser] . Beiden bankieren bij ING.
1.2.
ING heeft een klantonderzoek gedaan naar [eiser] en heeft in dat kader gedetailleerde informatie bij [eiser] opgevraagd over een aanzienlijk aantal transacties waarbij de gelden uiteindelijk terechtkomen bij [eiser 2] en een aantal contante opnames. Omdat ING onvoldoende inzicht heeft gekregen in die transacties en contante opnames, heeft zij de bankrelaties met [eiser] opgezegd en heeft zij de gegevens van [eiser] voor de duur van zeven jaar geregistreerd in het zogenoemde Intern Verwijzingsregister (IVR).
1.3.
In deze procedure vordert [eiser] instandhouding van de bankrelaties en verwijdering van haar gegevens uit het IVR.
1.4.
De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. De reden daarvoor is dat ING voldoende heeft gemotiveerd dat zij na haar klantonderzoek naar [eiser] nog de nodige vraagtekens had bij de door [eiser] gegeven uitleg en daarom zelf mocht overgaan tot de beëindiging van de bankrelaties.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 juli 2025 tevens houdende een provisionele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening, met producties,
- het rolbericht van 8 augustus 2025 van [eiser] waarbij zij de door haar bij dagvaarding ingestelde provisionele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft ingetrokken,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 5 november 2025 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 januari 2026 en de daarin genoemde stukken,
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 6 januari 2026 die zich in het dossier bevinden.
2.2.
Ten slotte is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

3.De feiten

De betrokken partijen en de bankrelaties
3.1.
[eiser 1] is een onderneming die zich bezighoudt met uitzendwerkzaamheden, onderhoudswerkzaamheden aan groenvoorzieningen en openbare ruimten, het (laten) uitvoeren van grondwerkzaamheden en bouw- en straatwerkzaamheden.
3.2.
[eiser 2] is enig bestuurder en aandeelhouder van [eiser 1] .
3.3.
[eiser 1] en [eiser 2] bankieren bij ING. Op de bankrelaties tussen [eiser 1] en [eiser 2] enerzijds en ING anderzijds zijn de Algemene Bankvoorwaarden 2017 (hierna: ABV) van toepassing. De ABV bepalen onder meer het volgende:
Artikel 2 Zorgplicht Pro
(…)
1. Wij zijn bij onze dienstverlening zorgvuldig en houden hierbij zo goed mogelijk rekening met uw belangen (…)
2. U bent zorgvuldig tegenover ons en houdt zo goed mogelijk rekening met onze belangen. U werkt eraan mee dat wij onze dienstverlening correct kunnen uitvoeren en aan onze verplichtingen kunnen voldoen. (…) U geeft ons, als wij daarom vragen, de informatie en documentatie die wij daarvoor nodig hebben. Als het u duidelijk moet zijn dat wij die informatie of documentatie nodig hebben, geeft u die uit uzelf.
U mag onze diensten alleen gebruiken waarvoor ze bedoeld zijn en hiervan geen misbruik (laten) maken. Denkt u bij misbruik bijvoorbeeld aan strafbare feiten of activiteiten die schadelijk zijn voor ons of onze reputatie of die de werking en betrouwbaarheid van het financiële stelsel kunnen schaden.
(…)
Artikel 35 Opzegging Pro van de relatie
(…)
1. U kunt de relatie tussen u en ons opzeggen. Wij kunnen dit ook. Het is daarvoor niet nodig dat u in verzuim bent met de nakoming van een verplichting. Wij houden ons bij opzegging aan onze zorgplicht als genoemd in artikel 2 lid 1 ABV Pro. Als u ons vraagt waarom wij de relatie opzeggen, dan laten wij u dat weten. (…)”
Het door ING uitgevoerde klantonderzoek
3.4.
In een brief van 27 november 2024 heeft ING aan [eiser 1] vragen gesteld en verzocht om nadere informatie en stukken te verstrekken over verschillende transacties in 2023 en 2024 waarbij de gelden uiteindelijk terechtkomen bij [eiser 2] en een aantal contante opnames, te weten:
de ontvangst van een totaalbedrag van € 1.011.200,84 van Med Infra B.V. (hierna: Med Infra),
de ontvangst van een totaalbedrag van € 560.500,00 C&K ZZP B.V. (hierna: C&K),
de betaling van een totaalbedrag van € 725.589,00 naar Emirhan Detacheringen B.V. (hierna: Emirhan),
e overboeking van een totaalbedrag van € 683.956,00 naar E&B B.V. (hierna: E&B),
de overboeking van een totaalbedrag van € 65.220,00 naar een Turks bankrekeningnummer onder de vermelding van “ [naam 1] (hierna: [naam 1] ) INS TAAH.SAN.VE MUGLA 48200 BODRUM VERBOUWKOSTEN”,
de overboeking van een totaalbedrag van € 41.180,00 naar een Turks bankrekeningnummer onder vermelding van “ [naam 2] (hierna: [naam 2] ) ANKARA 06570 VERBOUWKOSTEN”,
de overboeking van een totaalbedrag van € 20.000,00 naar een Turks bankrekeningnummer onder vermelding van “ [eiser 2] (…) 7600 VERBOUWKOSTEN” en “ [eiser 2] (…) 7600 DONATIE VOOR TURKIJE”,
de overboeking van een totaalbedrag van € 15.800,00 naar een Turks bankrekeningnummer onder vermelding van “ [naam 3] (hierna: [naam 3] ) UMRANIYE 34760 VERBOUWKOSTEN”,
contante opnames voor een totaalbedrag van € 54.836,70.
3.5.
In reactie daarop heeft [eiser 1] in een e-mail van 11 december 2024 onder meer toegelicht dat:
de geldstromen zijn aangewend voor investeringen – waaronder in vastgoed in Turkije – en andere ondernemersactiviteiten,
Med Infra en C&K opdrachtgevers van haar zijn en dat Emirhan en E&B onderaannemers zijn die medewerkers aan haar heeft geleverd,
[naam 1] , [naam 2] en [naam 3] aannemers zijn die werkzaamheden hebben verricht aan en rondom een privéwoning in Turkije,
de contante opnames betrekking hebben op via Marktplaats aangekochte materialen.
3.6.
[eiser 1] heeft de jaarrekening van het jaar 2023 en vier facturen met betrekking tot Med Infra, C&K, Emirhan en E&B in de bijlagen bij voornoemde e-mail gevoegd.
3.7.
ING heeft [eiser 1] op 12 december 2024 gemaild dat de door haar gegeven toelichtingen en de door haar verstrekte jaarrekening en facturen onvoldoende inzicht bieden in de geldstromen met Med Infra, C&K, Emirhan, E&B, de vier Turkse bankrekeningen en de contante opnames. In deze e-mail heeft ING [eiser 1] gevraagd om uiterlijk 20 december 2024 onderbouwende stukken te verstrekken met betrekking tot die transacties en contante opnames, waaronder voorafgaande correspondentie, overeenkomsten en facturen.
3.8.
Daarna heeft [eiser 1] aan ING verzocht voornoemde uiterste reactiedatum van 20 december 2024 te verplaatsen. In een e-mail van 16 december 2024 heeft ING aan [eiser 1] laten weten dat zij die uiterste reactiedatum verplaatst naar 17 januari 2025. Daarnaast heeft ING in die e-mail – samengevat – aan [eiser] laten weten dat zij verschillende van haar rekeningen blokkeert, omdat zij op de zakelijke rekening van [eiser 1] verschillende onregelmatigheden heeft geconstateerd. Verder heeft ING in deze e-mail geschreven dat deze blokkades van kracht blijven totdat zij de reacties van [eiser] heeft ontvangen en beoordeeld.
3.9.
Daarna hebben [eiser 1] en ING per e-mail gecorrespondeerd. In een e-mail van 18 december 2024 heeft ING aan [eiser] laten weten dat voornoemde rekeningen zijn gedeblokkeerd.
3.10.
In een e-mail van 15 januari 2025 heeft [eiser 1] gereageerd op de door ING in haar e-mail van 12 december 2024 gestelde vragen. Bij die e-mail heeft [eiser 1] verschillende bijlagen gevoegd, waaronder i) overeenkomsten tussen [eiser 1] enerzijds en Med Infra, C&K, Emirhan en E&B anderzijds en ii) verklaringen van verschillende betrokkenen bij de in de e-mail van 27 november 2024 genoemde transacties (zie 3.4).
3.11.
In een brief van diezelfde dag heeft ING nadere vragen gesteld en [eiser 1] verzocht aanvullende stukken te verstrekken.
3.12.
[eiser 1] heeft daar in een e-mail van 24 januari 2025 op gereageerd. In de bijlagen bij deze e-mail heeft [eiser 1] onder meer facturen, urenstaten en rapportages gevoegd.
3.13.
In vervolg daarop heeft ING op 31 januari 2025 weer nadere vragen gesteld en [eiser 1] verzocht aanvullende stukken te verstrekken.
3.14.
[eiser 1] heeft daar in een e-mail van 13 februari 2025 gereageerd. In de bijlagen bij deze e-mail heeft [eiser 1] onder meer facturen, overeenkomsten en een urenlijst gevoegd.
3.15.
In een brief van 19 maart 2025 heeft ING onder meer het volgende aan [eiser 1] geschreven:
“Aan de hand van eigen onderzoek door ING en de door u gegeven antwoorden met de daarbij behorende bewijsstukken, heeft ING sterke twijfels aangaande de activiteiten van [eiser 1] BV en de geldstromen op de rekening. Wij zien nog altijd risico’s die onvoldoende door u zijn weggenomen. Hierom zijn wij voornemens de bankrelatie met [eiser 1] BV te beëindigen. (…)
Wij willen u nog een laatste keer in de gelegenheid stellen om te reageren op voornoemde
bevindingen van ING. Wij verzoeken u om voor
2 april 2025inhoudelijk te reageren. Wij verzoeken u daarbij nadrukkelijk om uw verklaringen te onderbouwen met documentatie. Indien u niet, niet tijdig of onvolledig reageert of indien uw reactie de thans geconstateerde risico’s onvoldoende wegneemt, heeft dit gevolgen voor de beoordeling van uw dossier.”
3.16.
[eiser 1] heeft daar in een e-mail van 16 april 2025 op gereageerd. Daarin heeft [eiser 1] aan ING onder meer verzocht haar in de gelegenheid te stellen om nadere stukken over te leggen en om haar voorgenomen besluit tot beëindiging van de bankrelatie te heroverwegen.
De beëindiging van de bankrelaties en de registratie van [eiser] in het IVR
3.17.
In brieven van 23 april 2025 heeft ING aan [eiser 1] en [eiser 2] laten weten dat zij de bankrelaties met hen per 23 juli 2025 beëindigt en dat hun (persoons)gegevens voor de duur van zeven jaar worden opgenomen in het zogenoemde Intern Verwijzingsregister (hierna: het IVR).
3.18.
Op diezelfde dag heeft [eiser 1] bezwaar gemaakt tegen de opzegging van de bankrelatie tussen haar en ING. Op 30 april 2025 heeft ING dat bezwaar afgewezen.
3.19.
Op 30 april 2025 heeft [eiser 1] een klacht bij ING ingediend. In een brief van 26 mei 2025 heeft ING die klacht verworpen.
3.20.
ING heeft de beëindiging van de bankrelaties met [eiser] in afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedure opgeschort.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis ING veroordeelt tot:
  • instandhouding van de bankrelaties met [eiser] , op straffe van een dwangsom,
  • verwijdering van de gegevens van [eiser] uit het IVR, op straffe van een dwangsom,
  • betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
ING voert verweer. ING concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

5.De beoordeling

Toetsingskader opzegging bankrelatie
5.1.
Uitgangspunt bij de beoordeling is dat ING op grond van artikel 35 ABV Pro de contractuele bevoegdheid heeft om de bankrelaties met [eiser 1] en [eiser 2] op te zeggen. Deze opzeggingen mogen niet strijdig zijn met de zorgplicht die banken in het algemeen hebben richting hun klanten en die ook is neergelegd in artikel 2 ABV Pro. Onder omstandigheden kan het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt (artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW)). Om te bepalen of dat zo is, moeten de belangen van de klant en die van de bank tegen elkaar worden afgewogen.
5.2.
Bij die belangenafweging komt gewicht toe aan de verschillende onderzoeks- en controleverplichtingen van ING op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft). Op grond van deze wet hebben banken een verantwoordelijkheid bij het signaleren van financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt misbruikt. Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun klanten en de verzamelde informatie regelmatig herzien. Als een bank haar klantonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen volgens artikel 5 lid 3 Wwft Pro. De bank kan in dat geval namelijk het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging van de relatie niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten. Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden.
ING mocht de bankrelaties opzeggen
5.3.
De rechtbank oordeelt dat ING de bankrelaties met [eiser] mocht opzeggen en legt hierna uit waarom.
5.4.
ING heeft toegelicht dat zij zich zorgen maakt dat [eiser] betrokken is bij een vorm van witwassen – door middel van een zogenoemd Cash Compensatie Model via onder-aanneming – omdat zij een aantal van de door de Europese Anti Money Laundering Committee gepubliceerde risicofactoren (
red flags) ziet, waaronder:
facturen en overboekingen die alleen algemene omschrijvingen bevatten en onvoldoende zijn onderbouwd,
facturen en overboekingen die ronde bedragen bevatten en één op één worden doorgezet in de keten om weer te eindigen op de privérekening van [eiser 2] ,
het ontbreken van relevante correspondentie tussen relaties en derden.
5.5.
Volgens ING heeft [eiser] deze zorgen op basis van de door haar gegeven antwoorden op vragen in het klantonderzoek en de door haar verstrekte stukken, niet kunnen wegnemen.
5.6.
[eiser] weerspreekt op zichzelf niet dat niet voor iedere transactie alles schriftelijk is vastgelegd. [eiser] heeft daarover toegelicht dat zij met verschillende Turkse partijen zaken heeft gedaan en het binnen de Turkse cultuur gebruikelijk is dat men op basis van wederzijds vertrouwen zaken met elkaar doet zonder van tevoren documenten of overeenkomsten op te stellen. Volgens [eiser] heeft zij evenwel alle stukken die zij heeft aan ING verstrekt en geven de door haar gegeven antwoorden op de door ING gestelde vragen een legitieme verklaring voor de onderzochte transacties en contante opnames.
5.7.
De rechtbank overweegt als volgt.
5.8.
Partijen hebben onder meer gediscussieerd over de vraag of ING de bankrelaties met [eiser]
moestopzeggen op grond van artikel 5 lid 3 Wwft Pro. Het antwoord op die vraag kan in het midden blijven. Zelfs als [eiser] gevolgd wordt in haar standpunt dat ING hier geen beroep op toekomt, was zij in ieder geval op grond van artikel 35 ABV Pro
bevoegdom de bankrelaties op te zeggen. Daartoe is het volgende redengevend.
5.9.
Zoals de rechtbank in 5.1 heeft overwogen, is ING bevoegd om bankrelaties op te zeggen, maar kan het onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn dat ING van deze opzegbevoegdheid gebruik maakt. [eiser] stelt dat dat de onderhavige opzegging door ING van de bankrelaties naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het is dan aan [eiser] om feiten en omstandigheden aan te dragen, die maken dat de opzegging van de bankrelaties naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
5.10.
[eiser] heeft aangevoerd dat zij na de opzegging van de bankrelaties afgesloten is van het betalingsverkeer, omdat zij niet meer over een bankrekening kan beschikken. Volgens haar zou dit ook het einde van [eiser 1] kunnen betekenen.
5.11.
ING heeft daartegenover – voor wat betreft [eiser 2] – toegelicht dat hij (in ieder geval nog) bij SNS bankiert. [eiser 2] heeft dat tijdens de zitting bevestigd.
5.12.
Als het gaat om [eiser 1] staat niet ter discussie dat zij nog een rekening bij ABN AMRO aanhoudt. [eiser 1] heeft daarover verklaard dat zij met deze rekening geen transacties kan verrichten, omdat die is gekoppeld aan een door [eiser 2] in privé afgesloten hypotheek. Deze verklaring van [eiser 1] overtuigt niet. ING heeft de door [eiser 1] gestelde functie en beperkingen van deze rekening bij ABN AMRO namelijk betwist en [eiser 1] heeft haar standpunt daarop niet nader onderbouwd. Dit had wel op de weg van [eiser 1] gelegen, temeer omdat (een medewerker van) ING tijdens de zitting onbetwist heeft verklaard dat zij en [eiser 1] al sinds 26 mei 2025 met elkaar discussiëren over dit onderwerp. [eiser 1] heeft tijdens de zitting nog een bewijsaanbod gedaan op dit punt. De rechtbank is evenwel met ING van oordeel dat dit bewijsaanbod moet worden gepasseerd, omdat het in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Dit geschilpunt speelde namelijk al ruim voor deze procedure en ook in deze procedure vormt dit één van de kerngeschilpunten. Als [eiser 1] over stukken beschikt die voor de beoordeling van dit geschilpunt relevant kunnen zijn, had zij die reeds bij dagvaarding en uiterlijk op de mondelinge behandeling moeten overleggen. Dat heeft zij niet gedaan. Het bewijsaanbod van [eiser 1] wordt daarom gepasseerd.
5.13.
De slotsom is dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die maken dat de opzegging door ING van de bankrelaties met [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. ING heeft voldoende gemotiveerd dat zij naar haar klantonderzoek naar [eiser] nog de nodige vraagtekens had bij de door [eiser] gegeven uitleg en daarom zelf de wens had om de bankrelaties te beëindigen. Dit brengt mee dat de vordering van [eiser] tot instandhouding van de bankrelaties wordt afgewezen.
Registratie van gegevens van [eiser] in het IVR blijft in stand
5.14.
[eiser] vordert verder dat ING wordt veroordeeld de registratie van haar gegevens in het IVR te verwijderen, op straffe van een dwangsom. [eiser] heeft aan deze vordering de onrechtmatigheid van de opzegging van de bankrelaties tussen haar en ING ten grondslag gelegd. Omdat hiervoor al is geoordeeld dat ING die bankrelaties mocht opzeggen, moet deze vordering van [eiser] worden afgewezen.
Conclusie
5.15.
De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
De proceskosten en de daarover gevorderde wettelijke rente
5.16.
[eiser] krijgt dus ongelijk en moet daarom de proceskosten van ING betalen. De proceskosten aan de kant van ING worden begroot op:
- griffierecht: € 714,00
- salaris advocaat: € 1.306,00 (2,0 punten x tarief II: € 653,00)
- nakosten:
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
- totaal: € 2.209,00
5.17.
De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.
5.18.
De proceskostenveroordeling van [eiser] wordt hoofdelijk uitgesproken, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.19.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de proceskostenveroordeling ook moet worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt [eiser] hoofdelijk in de proceskosten, aan de kant van ING begroot op € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen,
6.3.
veroordeelt [eiser] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.4.
verklaart de proceskostenveroordeling onder 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.F. de Groot, rechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.