ECLI:NL:RBAMS:2026:2548

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
AMS 24/6681
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gehandicaptenparkeerkaart voor twee jaar bevestigd ondanks bezwaar eiseres

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de toekenningsduur van twee jaar van haar Europese gehandicaptenparkeerkaart, verlangend naar een toekenning voor vijf jaar. De rechtbank beoordeelt het medisch advies van de GGD, waarop het college het besluit baseerde, en concludeert dat dit advies zorgvuldig, begrijpelijk en concludent is.

Tijdens de zitting overlegt eiseres nieuwe medische stukken, waaronder een brief van de huisarts en neuroloog, die de rechtbank toelaat maar niet relevant acht voor het oordeel. De rechtbank oordeelt dat het college zich terecht baseerde op het GGD-advies van 22 augustus 2024, dat een reële kans op verbetering en daarmee een herbeoordeling binnen twee jaar verantwoordt.

De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de toekenning van de gehandicaptenparkeerkaart voor twee jaar. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. De uitspraak is gedaan door rechter A.D. Belcheva op 5 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de gehandicaptenparkeerkaart wordt voor twee jaar toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 24/6681

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: mw. [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een Europese gehandicaptenparkeerkaart (hierna: gehandicaptenparkeerkaart) aan eiseres. Eiseres is het niet eens met de toekenningsduur van twee jaar. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het toekenningsbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gehandicaptenparkeerkaart voor een duur van twee jaar heeft mogen toekennen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de voor deze zaak van belang zijnde omstandigheden. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de door eiseres op zitting ingediende stukken toegelaten kunnen worden tot de procedure en op de vraag of het college zich op het GGD [1] -advies van 22 augustus 2024 heeft mogen baseren. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 oktober 2021 afgewezen.
2.1.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 oktober 2021. Met het besluit van 3 oktober 2022 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 oktober 2022. Hangende die beroepsprocedure heeft het college het besluit van 3 oktober 2022 ingetrokken. Het college heeft vervolgens met het besluit van 19 maart 2024 alsnog een gehandicaptenparkeerkaart aan eiseres toegekend voor de duur van twee jaar.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 maart 2024, omdat zij het niet eens was met de toekenningsduur van twee jaar.
2.4.
Bij uitspraak van 6 augustus 2024 [2] heeft deze rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaard, het besluit van 19 maart 2024 vernietigd en bepaald dat het college opnieuw moest beslissen op het bezwaar van eiseres.
2.5.
Met het besluit van 3 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard en vastgehouden aan de toekenningsduur van twee jaar.
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college.
2.8.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. De rechtbank gaat uit van de volgende omstandigheden.
3.1.
Eiseres is bekend met HNP L5-S1 en kampt daardoor met chronische pijnklachten. Vanwege deze pijnklachten heeft eiseres een gehandicaptenparkeerkaart aangevraagd.
3.2.
Het college heeft in de voorgaande procedure – die geleid heeft tot de uitspraak van 6 augustus 2024 – het standpunt ingenomen dat verbetering van de klachten van eiseres niet is uitgesloten en dat eiseres na twee jaar opnieuw beoordeeld moet worden, zodat de gehandicaptenparkeerkaart ook voor de duur van twee jaar moet worden toegewezen. Het college heeft dit standpunt gebaseerd op advies van de GGD [3] . Het GGD-advies kwam er kortgezegd op neer dat de huisarts van eiseres haar naar een neuroloog had verwezen voor verder onderzoek en dat uit dit onderzoek nog nieuwe behandelopties voort zouden kunnen komen. Er was volgens de GGD daarom een reële kans dat de klachten van eiseres zouden verminderen en dat haar mobiliteit zou verbeteren. Een herbeoordeling binnen twee jaar was daarom gerechtvaardigd.
3.3.
In de uitspraak van 6 augustus 2024 heeft deze rechtbank geoordeeld dat het GGD-advies wel enig inzicht gaf in de reden om na twee jaar een herbeoordeling te adviseren, maar dat het advies desondanks niet voldoende duidelijk, voldoende controleerbaar en concludent was:
‘De rechtbank kan niet volgen waarom een verwijzing naar de neuroloog door de huisarts in het geval van eiseres zal leiden tot behandelopties en verbetering van mobiliteit. De GGD-arts beschrijft ook niet welke behandelmogelijkheden er dan zijn, terwijl die kennelijk door de GGD-arts wel zijn meegenomen bij het bepalen van de termijn. Ook ontbreekt de motivering waarom met deze verwijzing een reële kans bestaat dat de klachten van eiseres zullen verminderen over de tijd en dat haar mobiliteit zal verbeteren. Dit lijkt moeilijk te verenigen met de – weliswaar beknopte – conclusie van diezelfde huisarts dat gelet op de lichamelijke klachten van eiseres verbetering totaal is uitgesloten. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook het advies van 23 juli 2024 niet kan dienen als grondslag van een toekenning van de gehandicaptenparkeerkaart voor de beperkte duur van twee jaar.’ [4]
3.4.
De rechtbank heeft verder in haar uitspraak bepaald dat het college opnieuw medisch advies moest vragen aan de GGD en aan de hand van dat advies een nieuw besluit moest nemen op het bezwaar van eiseres.
3.5.
Op 22 augustus 2024 heeft de GGD nieuw medisch advies uitgebracht en opnieuw een toekenningsduur van twee jaar geadviseerd. Het college is aan de hand van dit advies bij de toekenningsduur van twee jaar gebleven. Eiseres is het hier nog steeds niet mee eens en stelt dat verbetering van haar klachten is uitgesloten.
Kunnen de stukken die eiseres op zitting heeft ingebracht toegelaten worden?
4. Voordat de rechtbank aan de inhoud van de zaak toekomt, beoordeelt zij of de stukken die eiseres tijdens de zitting heeft overgelegd toegelaten kunnen worden tot de procedure.
4.1.
Tijdens de zitting heeft eiseres een brief van de huisarts van 24 november 2025 overgelegd. In deze brief wordt gesteld dat verbetering van de klachten van eiseres is uitgesloten en wordt verwezen naar medische stukken van de neuroloog, die als bijlage bij de brief zijn gevoegd.
4.2.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank aan eiseres voorgehouden dat de stukken van de neuroloog dateren van 16 oktober 2023 en haar gevraagd waarom zij deze stukken niet eerder heeft ingediend. Eiseres heeft hierop geantwoord dat zij dacht dat zij deze stukken van de neuroloog al eerder had ingebracht, maar dat dit blijkbaar toch niet het geval is.
4.3.
De rechtbank heeft tijdens de zitting gevraagd hoe de gemachtigde van het college tegen de brief van de huisarts en de daarbij behorende stukken van de neuroloog aankijkt. De gemachtigde heeft zich primair op het standpunt gesteld dat met name de stukken van de neuroloog te laat zijn ingebracht, ook aangezien de zaak al eerder op verzoek van eiseres is aangehouden opdat zij meer tijd had om stukken in te dienen. Volgens de gemachtigde is de late indiening van deze stukken in strijd met de goede procesorde. Secundair heeft de gemachtigde de rechtbank gevraagd om, als de rechtbank toch meent dat de brief en de stukken moeten worden voorgelegd aan de GGD, de zaak aan te houden om het college hiertoe in de gelegenheid te stellen. Meer secundair heeft de gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat de brief en de stukken geen relevante nieuwe informatie bevatten.
4.4.
De rechtbank overweegt dat brief van de huisarts van 24 november 2025 en de daarbij horende stukken van de neuroloog beperkt zijn in omvang. Ook heeft de gemachtigde van het college tijdens de zitting de gelegenheid gekregen de brief en de stukken te lezen en hier een standpunt over in te nemen. De gemachtigde heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief en de stukken geen relevante nieuwe informatie bevatten. Gelet op deze omstandigheden zal de rechtbank de brief van de huisarts en de stukken van de neuroloog toelaten tot de procedure. Praktisch betekent dit dat de rechtbank de brief en de stukken zal betrekken bij haar oordeel.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank hoeven de stukken niet worden voorgelegd aan de GGD. De rechtbank legt onder 5.6 uit waarom zij dit vindt.
Heeft het college zich op het GGD-advies van 22 augustus 2024 mogen baseren?
5. Eiseres voert aan dat het GGD-advies van 22 augustus 2024 niet duidelijk, controleerbaar en concludent is. Het GGD-advies bestaat uit aannames. Er worden in het advies namelijk zinnen gebruikt als ‘valt te denken aan’, ‘zeer waarschijnlijk’ en ‘mogelijk een behandelbare oorzaak’. Ook is het volgens eiseres onbegrijpelijk dat de GGD-arts concludeert dat de verwijzing naar de neuroloog erop duidt dat herstel mogelijk is. Als de GGD-arts vragen over de verwijzing had, dan had zij hierover contact moeten opnemen met de huisarts. De huisarts heeft duidelijk gesteld dat geen verbetering mogelijk is. Eiseres wijst ook op de brief van de huisarts van 24 november 2025 en de stukken van de neuroloog die zij tijdens de zitting heeft overgelegd.
5.1.
Een bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan als dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Indien een advies niet aan deze eisen voldoet, kan een daarop gebaseerd besluit niet in stand blijven. [5]
5.2.
In het advies van 22 augustus 2024 schrijft de GGD het volgende:
‘In een brief van de huisarts van 06-09-2023 schrijft de huisarts dat hij betrokkene recent opnieuw verwezen heeft naar de neuroloog. Deze verwijzing heeft zeer waarschijnlijk als doel om verder onderzoek te doen, in de hoop dat hier een behandelbare oorzaak voor (een deel van) de klachten van betrokkene uitkomt. Specifiek in het geval van betrokkene valt te denken aan het vinden van een HNP/uitpuilende tussenwervelschijf die drukt op een zenuw. Als er sprake is van zo'n beknelling van een zenuw dan zal dit een deel van de klachten van betrokkene en haar verminderde mobiliteit kunnen verklaren. Als er sprake is van een beknelde zenuw dan zou betrokkene hiervoor geopereerd kunnen worden, waardoor de zenuw weer meer ruimte krijgt en dus niet meer bekneld is. De verwachting is dat dit zal leiden tot vermindering beenklachten (verminderde aansturing van de benen en pijn). En dan de termijn. Bovenstaand scenario, de onderzoeken en behandeling in geval van een beknelde zenuw en aansluitend (gedeeltelijk) herstel, zullen binnen twee jaar kunnen plaatsvinden.
Als bij herkeuring na twee jaar blijkt dat betrokkene niet of onvoldoende heeft geprofiteerd van een eventuele behandeling, dan zal de kaart - uiteraard - verlengd worden. In de brief waarin de huisarts aangeeft dat voor de klachten van betrokkene geldt dat 'verbetering totaal is uitgesloten', staat voor deze stelling geen verdere onderbouwing met medische feiten of uitslagen van (aanvullend) medisch onderzoek. Mocht verbetering niet haalbaar of te verwachten zijn, dan rijst de vraag wat maakt dat de huisarts betrokkene toch verwezen heeft naar de neuroloog.
Kortom, er heeft een verwijzing plaatsgevonden, waaruit mogelijk een behandelbare
oorzaak en dus behandelopties voortvloeien, waardoor de mobiliteit van betrokkene zal verbeteren. Met het oog hierop is een herbeoordeling gerechtvaardigd. Bij het bepalen van de termijn voor herbeoordeling is meegenomen welke behandelopties er mogelijk zijn - deze heb ik hierboven uitgelegd - en welke termijnen er zijn voor herstel na behandeling.’
5.3.
De rechtbank is van oordeel het GGD-advies van 22 augustus 2024 zorgvuldig tot stand is gekomen, dat de redenering daarin begrijpelijk is en dat de conclusie van het advies op die redenering aansluit. Het college mocht dit advies daarom ten grondslag leggen aan het bestreden besluit. In tegenstelling tot eerdere adviezen legt de GGD in dit advies namelijk uit welke diagnose de neuroloog zou kunnen stellen, welke behandelopties hiervoor bestaan en op welke termijn dit tot verbetering zou kunnen leiden. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank een inzichtelijke onderbouwing gegeven voor het standpunt dat eiseres na twee jaar herbeoordeeld moet worden en waarom de (niet-onderbouwde) stelling van de huisarts dat verbetering is uitgesloten niet gevolgd wordt.
5.4.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat de GGD contact had moeten zoeken met de huisarts over de verwijzing naar de neuroloog. Bij een aanvraagsituatie zoals deze ligt de verantwoordelijkheid voor het aanleveren van voor de aanvraag relevante informatie bij degene die de aanvraag indient. [6] In dit geval is dat dus eiseres. De GGD mocht zich daarom baseren op de medische stukken die door eiseres ter beschikking zijn gesteld en was niet gehouden om daarover nog contact op te nemen met de huisarts of andere behandelaren van eiseres.
5.5.
Dat de GGD daarbij met een mogelijkheidsdiagnose heeft gewerkt, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Het is niet de taak van de GGD om zekerheid te verkrijgen over iemands diagnose of behandelopties. Het is de taak van de GGD om op basis van de aangeleverde medische informatie een advies te geven over de vraag of – en zo ja, voor welke duur – iemand in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart. Dit is ook wat de GGD in het advies van 22 augustus 2025 heeft gedaan. Zoals de rechtbank hierboven onder 5.3 heeft overwogen, doorstaat dit advies de toets van het recht.
5.6.
De brief van de huisarts van 24 november 2025 en de daarbij horende stukken van de neuroloog maken het oordeel van de rechtbank ook niet anders en hoeven om die reden ook niet worden voorgelegd aan de GGD. De brief van de huisarts van 24 november 2025 bevat geen nieuwe relevante informatie. In deze brief wordt (opnieuw) genoemd dat eiseres bekend is met HNP L5-S1 en dat verbetering is uitgesloten. Deze informatie volgde ook al uit de brief van de huisarts van 15 juli 2024, die eiseres eerder in deze procedure heeft ingebracht en die door de GGD is betrokken bij het advies. De rechtbank heeft hierboven al geoordeeld dat de GGD in het advies voldoende heeft uitgelegd waarom deze stelling niet gevolgd wordt. De stukken van de neuroloog dateren van 16 oktober 2023 en zijn daarmee niet recent. Daarnaast bevatten deze stukken ook geen onderbouwing voor het standpunt dat verbetering van de klachten van eiseres is uitgesloten. In tegendeel, uit de stukken volgt dat de pijn van eiseres in die periode minder was (‘pijn wel aan het opknappen’, ‘nu op 50% van oorspronkelijke pijn, met soms korte verergering’), dat zij fysiotherapie volgde en ook zou blijven volgen (‘gaat verder met FT’) en dat zij hier baat bij had (‘FT vaak hierna 1-2 dagen veel meer vrijheid t.a.v van bewegen’).
5.7.
De rechtbank merkt nog op dat eiseres bij haar herkeuring nieuwe, op dat moment recente informatie kan overleggen ter onderbouwing van haar standpunt dat zij in aanmerking komt voor een toewijzing voor vijf jaar.
5.8.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de toewijzing van haar gehandicaptenparkeerkaart voor de duur van twee jaar in stand blijft.
7. Nu eiseres in het ongelijk is gesteld, krijgt zij het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Gemeentelijke gezondheidsdienst.
2.Zaaknummer AMS 22/5394.
3.Gemeentelijke gezondheidsdienst.
4.Onder 5.3.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:319, onder 4.1 tot en met 4.4.
6.Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:511, onder 4.3.