Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2564

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
AMS 24/2235
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 7:1a AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omzettingsvergunning wegens onjuiste toetsing nieuwe aanvraag aan oude regelgeving

De zaak betreft een geschil over de verlening van een omzettingsvergunning voor het omzetten van één zelfstandige woonruimte naar vier onzelfstandige woonruimten. Eiser betwist dat de vergunning is verleend op basis van de oorspronkelijke aanvraag van oktober 2019 en stelt dat het besluit ziet op een nieuwe aanvraag van december 2023.

De rechtbank oordeelt dat de wijziging van de aanvraag niet van ondergeschikte aard is en dat het een nieuwe aanvraag betreft. Hierdoor had de vergunning moeten worden getoetst aan de regelgeving die gold op het moment van de nieuwe aanvraag, inclusief het toen geldende wijk- en pandquotum.

Omdat verweerder de vergunning heeft verleend op basis van de oude regelgeving, is het besluit onrechtmatig. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen binnen zes weken, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen volgens de geldende regelgeving van december 2023.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 24/2235

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Ramcharan).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] (de vergunninghouder).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de verlening van een omzettingsvergunning aan vergunninghouder voor het omzetten van één zelfstandige woonruimte naar vier onzelfstandige woonruimten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de omzettingsvergunning mocht verlenen aan vergunninghouder.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Op 19 december 2019 heeft verweerder aan vergunninghouder een omzettingsvergunning verleend voor het omzetten van één zelfstandige woonruimte naar elf onzelfstandige woonruimten. Tegen de verleende vergunning zijn bezwaren ingediend waarna verweerder de omzettingsvergunning in een beslissing op bezwaar van 18 mei 2021 heeft herroepen vanwege het bereiken van het quotum. Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar van 18 mei 2021 geen nieuw besluit genomen op de openstaande aanvraag van vergunninghouder van 16 oktober 2019.
2.2.
Op 21 juni 2021 heeft vergunninghouder beroep ingesteld bij deze rechtbank tegen de beslissing op bezwaar van 18 mei 2021. Hangende deze beroepsprocedure heeft verweerder op 25 januari 2024 aan vergunninghouder een omzettingsvergunning verleend voor het omzetten van één zelfstandige woonruimte naar vier onzelfstandige woonruimten met terugwerkende kracht op basis van de geldende regelgeving ten tijde van de aanvraag van 16 oktober 2019. Vergunninghouder heeft zijn beroep vervolgens ingetrokken.
2.3.
Op 19 februari 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van
25 januari 2024 (het bestreden besluit). Verweerder heeft dit bezwaar op 27 februari 2024 als beroepschrift doorgestuurd naar de rechtbank in het kader van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van verweerder, de vergunninghouder en de dochter van de vergunninghouder.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser is het er niet mee eens dat verweerder zijn bezwaarschrift als beroepschrift heeft doorgestuurd naar de rechtbank. Volgens eiser voldoet zijn bezwaarschrift aan alle voorwaarden en had verweerder zijn bezwaar in behandeling moeten nemen. De rechtbank volgt eiser in dit standpunt. Op de zitting is echter, met het oog op de efficiëntie van de procedure, met partijen de mogelijkheid besproken om het bezwaarschrift van eiser toch inhoudelijk als beroep te behandelen. Partijen hebben hun standpunten voldoende naar voren gebracht waardoor het terugsturen van het bezwaarschrift naar verweerder, om te behandelen als bezwaar, geen toegevoegde waarde heeft. Op de zitting hebben partijen ingestemd met het inhoudelijk behandelen van de zaak als rechtstreeks beroep in de zin van artikel 7:1a van de Awb.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit waarin een vergunning is verleend voor het omzetten van één zelfstandige woonruimte naar vier onzelfstandige woonruimten ziet op de openstaande aanvraag van vergunninghouder van
16 oktober 2019. Volgens verweerder heeft de vergunninghouder deze aanvraag namelijk aangepast naar het omzetten naar vier onzelfstandige woonruimten in plaats van de oorspronkelijk aangevraagde omzetting naar elf onzelfstandige woonruimten. De vergunning is daarom met terugwerkende kracht verleend en op basis van de geldende regelgeving ten tijde van de aanvraag van 16 oktober 2019. Op dat moment bestond er nog geen wijk- en pandquotum voor het omzetten naar vier onzelfstandige woonruimten.
5. Eiser betwist dit standpunt en voert aan dat sprake is van twee aparte aanvragen van de vergunninghouder. Volgens eiser ziet het bestreden besluit niet op een gewijzigde aanvraag van 16 oktober 2019 maar op de aanvraag die vergunninghouder op
11 december 2023 heeft gedaan voor het omzetten naar vier onzelfstandige woonruimten. Op dat moment gold wel een wijk- en pandquotum voor het omzetten naar vier onzelfstandige woonruimten en dit quotum had dan ook moeten worden tegengeworpen aan vergunninghouder.
6. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat de verleende vergunning van
25 januari 2024 niet ziet op de aanvraag van vergunninghouder van 16 oktober 2019 maar op een nieuwe aanvraag van 11 december 2023. Gedurende de beroepsprocedure van vergunninghouder is bij wijze van schikking door verweerder aan vergunninghouder aangeboden om de aanvraag van de vergunning voor de omzetting naar elf woonruimten aan te passen. Op 11 december 2023 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor de omzetting naar vier onzelfstandige woonruimten. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een nieuwe aanvraag. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de wijziging naar het omzetten van vier woonruimten niet aangemerkt kan worden als een wijziging van ondergeschikte aard aangezien een nieuw rechtsgevolg voortvloeit uit deze aanvraag. Door de wijziging heeft verweerder immers het wijk- pandquotum niet aan vergunninghouder tegengeworpen en is de vergunning verleend op basis van de geldende regelgeving ten tijde van de aanvraag van oktober 2019. Nu volgens de rechtbank sprake is van een nieuwe aanvraag had verweerder deze aanvraag moeten toetsen aan de hand van de geldende regelgeving ten tijde van de aanvraag van 11 december 2023. Dit brengt met zich dat verweerder had moeten toetsen aan het op dat moment geldende wijk- en pandquotum voor het omzetten naar vier onzelfstandige woonruimten. Gelet hierop is het beroep van eiser gegrond, komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking en zal verweerder een nieuw besluit moeten nemen op de aanvraag van vergunninghouder. Verweerder zal daarbij moeten overwegen wat dit betekent voor de vergunninghouder in het kader van het vertrouwensbeginsel.

Conclusie en gevolgen

7.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 25 januari 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.