ECLI:NL:RBAMS:2026:2578

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
1331143425
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 14e SrArt. 36b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging met vuurwapen en wapenbezit in huiselijk geweld

Op 18 november 2025 bedreigde verdachte zijn partner met een vuurwapen tijdens een ruzie in Amsterdam. Hij richtte het pistool op haar en sprak de woorden "ik ga je kieren", waarmee hij opzet had om haar redelijke vrees aan te jagen voor haar leven.

Verdachte had tevens een pistool en munitie van categorie III in bezit. Hij bekende de feiten tijdens de terechtzitting van 24 februari 2026. De rechtbank achtte de verklaringen van het slachtoffer en een getuige betrouwbaar en stelde vast dat verdachte strafbaar is.

De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk. De verdediging vroeg om een taakstraf en geen contact- of locatieverbod. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 180 dagen op, waarvan 101 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals locatie- en contactverboden en reclasseringstoezicht.

De straf houdt rekening met de ernst van het feit, het gevaar van vuurwapenbezit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte (ADHD, licht verstandelijke beperking) en het advies van de reclassering. De wapens en munitie zijn onttrokken aan het verkeer.

Verdachte moet verblijven bij het Leger des Heils of een vergelijkbare instelling en meewerken aan behandeling en toezicht. Het vonnis is uitgesproken op 24 februari 2026 door de rechtbank Amsterdam.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf, waarvan 101 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13/311434-25
Datum uitspraak: 24 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ,
wonende op het [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.T.A. De Ridder en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M. Rasterhoff naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 18 november 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
1. bedreiging van [slachtoffer] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, door een vuurwapen aan haar te tonen en/of op haar te richten en/of haar de woorden toe te voegen: “ik ga je kieren”;
2. het voorhanden hebben van een vuurwapen, te weten een pistool, en munitie van categorie III.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gelet op de bekennende verklaring van verdachte gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Voorhanden hebben vuurwapen en munitie
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals omschreven in
rubriek 4.
Nu verdachte dit feit ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsman hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met de hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan:
  • de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 24 februari 2026;
  • een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2025290867-13, d.d. 18 november 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 1] , doorgenummerde pagina’s 1 t/m 4;
  • Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025290867, d.d. 19 november 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 2] , doorgenummerde pagina’s 36 t/m 40.
3.3.2.
Bedreiging
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen zoals opgenomen in
bijlage IIbij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder feit 1, zoals omschreven in rubriek 4. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij naar aanleiding van ruzie tussen hem en mevrouw [slachtoffer] een vuurwapen heeft gepakt. Op grond van de verklaringen van mevrouw [slachtoffer] en [naam getuige] stelt de rechtbank vast dat verdachte tijdens een ruzie een vuurwapen op mevrouw [slachtoffer] heeft gericht. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij heeft gezegd: “ik ga je kieren”. Nu de rechtbank de verklaringen van mevrouw [slachtoffer] betrouwbaar acht, verdachte het ook niet uitdrukkelijk heeft ontkend en niet ieder onderdeel van een aangifte steunbewijs behoeft, heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte nadat hij het wapen op haar richtte, heeft gezegd: “ik ga je kieren”.
Uit de aard van de gedraging en de strekking van de geuite woorden volgt het opzet van verdachte om bij mevrouw [slachtoffer] de redelijke vrees op te wekken dat verdachte haar zou doodschieten.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
op 18 november 2025 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een vuurwapen aan haar te tonen en op haar te richten en voornoemde [slachtoffer] de woorden toe te voegen: "Ik ga je kieren", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
Ten aanzien van feit 2:
in de periode van 1 tot en met 18 november 2025 te Amsterdam,
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool
(getransformeerd) (inclusief patroonmagazijn) van het merk Retay, model G17, kaliber .380 auto (synoniem 9mm Kort of 9mm Browning), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en
- munitie (getransformeerd) van categorie III, te weten vier kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot, kaliber .380 auto (synoniem 9mm Kort of 9mm Browning) geschikt om te worden verschoten met voornoemd wapen, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder feit 1 en feit 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar, zoals geadviseerd door de reclassering.
7.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en om in plaats van een langere (voorwaardelijke) gevangenisstraf een (voorwaardelijke) taakstraf op te leggen. Daarnaast verzoekt de raadsman bij oplegging van bijzondere voorwaarden geen contact- en locatieverbod met elektronisch toezicht op te nemen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige bedreiging van zijn vriendin, mevrouw [slachtoffer] . Zij hadden die dag ruzie en toen het escaleerde heeft verdachte een vuurwapen gepakt en op haar gericht. Mevrouw [slachtoffer] heeft op dat moment gevreesd voor haar leven. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen mevrouw [slachtoffer] , maar ook derden die getuige zijn geweest angst aangejaagd. Daarnaast heeft de verdachte een vuurwapen en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden gehad. Gelet op de toename van het vuurwapenbezit en het hoge gevaarzettende karakter daarvan dient ook vanuit het oogpunt van algemene preventie daartegen streng te worden opgetreden.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 20 februari 2026, waaruit blijkt dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 10 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte is gediagnostiseerd met ADHD en een licht verstandelijke beperking. Middelengebruik lijkt een risicofactor. De reclassering acht het positief dat verdachte een meewerkende houding heeft ten aanzien van hulpverlening van het Leger des Heils en de reclassering. Verdachte heeft een woning bij het Leger des Heils en de reclassering merkt op dat hij deze woning zal verliezen wanneer verdachte een langere gevangenisstraf opgelegd krijgt dan hij reeds in voorarrest heeft ondergaan. Mevrouw [slachtoffer] heeft enerzijds aangegeven dat zij angst heeft voor betrokkene en anderzijds dat zij (telefonisch) contact onderhielden en dat wil voortzetten. De reclassering ziet met betrekking tot de omgang tussen verdachte en mevrouw [slachtoffer] risico’s. Om het risico op impulsief delictgedrag in heftige emotie bij betrokkene te verlagen, acht de reclassering het van belang dat verdachte leert omgaan met zijn emoties en impulsen (binnen de relatie) en dat er voorlopig enkel contact tussen betrokkene en aangeefster plaatsvindt in bijzijn van hulpverlening. De reclassering heeft geadviseerd om bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden.
De rechtbank ziet in voornoemd reclasseringsadvies aanleiding om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank acht het van belang dat verdachte zijn woning blijft behouden en hij de kans krijgt om stabiliteit op verschillende leefgebieden te realiseren en te behouden.
Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 101 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan de proeftijd worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals door de reclassering is geadviseerd.
Mede gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport is rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een ernstig misdrijf zal begaan jegens mevrouw [slachtoffer] . Daarom zal de rechtbank bevelen dat de op grond van art. 14c Sr gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

8.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
  • 1 STK Pistool (Omschrijving: PL1300-2025290867-G6738348, Zwart;
  • 1 STK Munitie (Omschrijving: PL1300-2025290867-G6738609, Sellier & Bellot).
Onttrekking aan het verkeer
Nu met betrekking tot deze voorwerpen het onder feiten 1 en 2 bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e 36b, 36c, 55, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in
rubriek 4is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Ten aanzien van feit 2:
eendaadse samenloop van:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
180 (honderdtachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
101 (honderdeen) dagenvan deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • Meldplicht bij reclasseringVeroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak. Gelet op het veiligheidsrisico behoudt de reclassering zich de mogelijkheid om in de wijze van het contact te variëren. De reclassering kan in voornoemd geval kiezen voor meldplichtcontacten op een beveiligde locatie (zoals een politiebureau) of telefonische meldplichtcontacten;
  • Ambulante behandelingVeroordeelde laat zich behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
  • Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft bij het Leger des Heils of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
  • ContactverbodVeroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer] ( [geboortedatum] ), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving hiervan. Van dit verbod kan enkel worden afgeweken in samenspraak met en in bijzijn van betrokken hulpverlening;
  • Locatieverbod (met elektronisch toezicht)Veroordeelde bevindt zich gedurende het toezicht niet binnen een straal van 1 kilometer rondom [adres 2] (huisadres aangeefster) en een straal van 1 kilometer rondom het adres [adres 3] (moeder aangeefster). Zie kaart. Veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op deze locatieverboden. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering deze locatieverboden (deels) laten vervallen. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat veroordeelde in Nederland blijft;
  • Locatiegebod (met elektronisch toezicht)Veroordeelde is gedurende het toezicht op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 12 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft veroordeelde een aaneengesloten blok van 4 uur per dag vrij te besteden. Veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod. Het huidige verblijfadres is [adres 3] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat veroordeelde in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen;
Locatieverbod 1 kilometer rondom adres aangeefster
Locatieverbod 1 kilometer rondom adres moeder aangeefster
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
  • 1 STK Pistool (Omschrijving: PL1300-2025290867-G6738348, Zwart;
  • 1 STK Munitie (Omschrijving: PL1300-2025290867-G6738609, Sellier & Bellot).
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. J.M. van Hall en N.A.M. Buurman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Brouwer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 februari 2026.
[...]